Duncan Elias – Voyage autour de ma chambre in: Om nooit te vergeten, 78-80

[Jakarta 10 – Gezelschap] 

Ik sta op om nog wat kinine te slikken – hèb ik eigenlijk wel malaria? – en zie dat het buisje op het bedtafeltje leeg is. Ik rommel in de kast maar kan geen nieuw buisje vinden. Een krant is daarbij op de grond gevallen, een Hollandse krant met advertenties. In de Koninklijke Schouwburg is Toontje heeft een paard getekend weer eens gegeven. Ik sta sufferig naar de aankondiging te kijken en het volgend pendant komt in me op:
Antonio heeft een naakt getekend
Onder de Nederlandse les
De leraar heeft ernaar gekeken
en er zijn bril bij opgezet.
De baboe komt binnen met een dienblad met het avondeten: brood, margarine, jam, kaas-uit-blik en een fles ijswater. Ik begin lusteloos te eten. Het regent niet meer. Van de bladeren druppelt het na. Buiten gaat een bami-tektok-venter voorbij; het hoge geluid van de op elkaar slaande stokjes is als een begeleiding van onhoorbare rumbamuziek. Het verkeer glijdt rusteloos af en aan over het asfalt van Salemba, het begin van de Postweg van Daendels. Verderop aan de Pasarstraat [in Jatinegara] heeft Du Perron gewoond, de andere kant uit, op Kramat, Busken Huet en nog verder weg op Goenoeng Sahari, Multatuli. Ik ben aan deze weg dus in goed gezelschap, wat me niet zal weerhouden spoedig weer te verhuizen... als ik er de kans toe krijg. In de kamer is een zachte tik hoorbaar. Een tjitjak heeft een kakkerlak in het midden van het lijf gegrepen en probeert het insect te kraken, maar de harde schilden zijn tegen de druk bestand. De kakkerlak wriemelt met de poten maar kan zich niet loswurmen. Ruim een minuut zit de tjitjak onbewegelijk met de kakkerlak tussen de kaken. Dan laat hij los en schiet weg. De kakkerlak kruipt langzaam verder. Als ik op wil staan om hem dood te maken hoor ik stemmen op de binnengalerij. Er wordt geklopt. Carel komt binnen.
‘Zo zieke, hoe is het?’
‘Gaat nogal, maak het je gemakkelijk’. Well, make yourself comfortable. Zijn zwaar lichaam doet de rotanstoel kraken. Ofschoon het na de regenbui tamelijk koel is ziet hij er warm en bezweet uit. Hij moet naar hier zijn komen lopen en is blijkbaar om een praatje verlegen, of meer nog om een gehoor, want tegenspraak heeft hij niet nodig om als een wekker af te lopen. Het zijn de gebruikelijke verhalen over zijn kantoor ‘waar de smoelen stijf staan van de plichtsbetrachting’ en de mensen om hem heen, moedwillig eenzijdig belicht: ... de atlassen met hun schouders onder de taak met een grote T. ‘Als ze gepensioneerd zijn moeten ze in Holland nog een baantje erbij hebben, niet vanwege de ping, maar omdat ze het ploeteren niet missen kunnen als narcose tegen de verdoemelijke saaiheid van hun eigen gezelschap’. Hierop volgt dan in één adem: ‘Ik ben zelf net zo, als ik van mijn werk kom sta ik tegen wie het horen wil uit te weiden over al het machtig belangwekkende dat de dag weer gevuld heeft’. Het is een oud thema, in dit land zeker vaker gezongen dan elders: de vlucht in het werk omdat het leven daarbuiten zo arm is en dan die armoede bedekken door van het werk een afgod te maken, uit zelfbehoud. Ik grijp in de kast naar de jenever, schenk twee glazen vol en neem een luisterende houding aan. Onderwijl laat ik mijn blikken door de kamer gaan. Het ziet er ordelijk uit. Niet dat Carel daar enig oog voor heeft, maar het hindert me om mensen in rommel te ontvangen. Bovendien is de bewoonbaarheid van deze kamer noodzakelijk om voor de giftige atmosfeer van het huis immuun te kunnen blijven. Met de schemerlamp aan en het grootste gat in de muur bedekt door een fotokalender van Australië valt de bewoonbaarheid nogal mee. De kalender is een geschenk van Pam’s broertje (Best wishes for ’46) en is nu een maand achter, omdat ik de plaat van september mooier vind dan wat erna komt.
Buiten roept een tokè ... vijf ... zes ... zeven keer. Carel heeft me zien tellen en glimlacht. ‘Stuk bijgeloof. Wat heb je gewenst?’
‘Niets. Ik kan dat tellen alleen niet laten’.
‘Ik het wensen niet, ook zonder tokè’.
Ik moet meer ruimte voor de boeken zien te krijgen. Het open middenvak van de boekenkast is vol en in de gesloten zijvakken zitten mijn kleren. Carel praat over zijn wensen.

Vuyk in: Om nooit te vergeten, 21-23

[Jakarta 9 – Boedi Oetomo] 
[Jakarta 9 – Tjipto] 

Ik ging in de voorgalerij zitten, waar de muren tenminste wit waren en de vloer grijs en het licht kleurloos neutraal, zonder bijbedoelingen, en die – wat vooral belangrijk was – naar één zijde open lag naar de weg, waar een aarzelende regen viel. Even later stak echter de wind op, die de eerste druppels van een zwaardere bui krachtig voor mijn voeten sloeg. Ik retireerde me en ging binnen in een van de logge stoelen zitten met mijn rug naar de kamer en zo dicht mogelijk bij de open deuren naar de galerij. Het moet toen al zo hard geregend hebben, dat ik hem niet kon horen aankomen, want hij stond ineens naast me. ‘Mag ik bij u komen zitten’, vroeg hij, ‘ik zou graag eens met u willen praten’. In de grote stoel waarin hij was gaan zitten leek hij nog kleiner en heel oud, hoewel hij net even vijftig moest zijn. Daar herkende ik ook zijn gezicht, scherp gesneden als de koppen die in een Batakse toverstaf zijn gekerfd, die met mensenhaar is versierd.
Na wat Tati mij verteld had verwachtte ik dat hij over zijn vrouw zou beginnen, maar hij opende het gesprek met een vraag, zonder dat hij de achtergrond waaruit ze voortkwam aan mij verklaarde. Sinds mijn ervaringen met de Japanse Kempeitai brengen dit soort vragen, vooral als ze rechtstreeks aan mij zijn gericht, mij nog steeds in verwarring.
‘Heeft u wel eens iemand ontmoet die met zijn eigen schoenen getrapt is?’
Ik antwoordde niet. Ergens stond een signaal op onveilig.
‘Die man ben ik’, zei hij. ‘Ze kleedden mij naakt uit en bonden me in een zak, want ze wilden me verdrinken. Een man met mijn eigen schoenen aan trapte me. Het waren bruine Engelse schoenen, voor de oorlog in Singapore gekocht, ze kostten toen al dertig dollars. Heeft u wel eens eerder iemand ontmoet, die met zijn eigen schoenen werd getrapt? Als Bennie niet op tijd was gekomen hadden ze me verdronken. Bennie heeft me gered. Hij is luitenant bij de TNI. ‘En toen met trots: ‘Mijn beide zoons zijn in de TNI’.
Hij haalde een foto tevoorschijn, uit zijn portefeuille deze keer en niet uit zijn bijbel. Toen heb ik voor de eerste maal het portret van Bennie Nambela gezien en van zijn broer Boetie, die een jaar jonger was en ook een luitenantsuniform droeg. Smalle gezichten met scherpe hoge jukbeenderen, als hun vader, maar zachter van uitdrukking, vriendelijke jongensgezichten.
‘Mijn vrouw en dochter hadden ze toen al vermoord, mij wilden ze vermoorden. Ze trapten me met mijn eigen schoenen en als Bennie niet was gekomen hadden ze me verdronken. Zij waren republikeinen en ik was een republikein’.
Zijn stem was hoog opgelopen, na een korte adempauze ging hij door: ‘Ik ben altijd nationalist geweest, vanaf het eerste jaar dat ik op de Stovia kwam. We waren allemaal nationalisten. Tjipto was toen al arts, en Gunawan zat toen in de hoogste klas. Mas Tomo was van mijn jaar net als Leimena.’
‘Zei Tati niet dat ik een bekrompen nationalist was?’
‘Nee, nee,’ zei ik haastig
‘Dan zullen anderen u dat vertellen. Ik ben naar de Hollanders overgelopen omdat ik niet anders kon, maar ik ben altijd nationalist geweest. Daar op de Stovia ben ik nationalist geworden, net als Zenno die van Menado kwam en Amir, die een Menangkabauer is. Van alle eilanden van Indonesië kwamen we daar op school en werden er nationalisten. Het is verschrikkelijk om inlander te zijn, automatisch de mindere van iedere willekeurige Hollander. Dat gevoel brandt onder je huid, het vreet je aan, het nationalisme gaf ons een nieuwe houding.’ Hij zweeg. Een nieuwe waardigheid, dacht ik, maar zonder het hardop te zeggen.
Toen hij weer sprak klonk zijn stem luider en had een getuigend accent.
‘Mijn grootvader was een koning en een menseneter. Wij Bataks waren menseneters, niet omdat wij mensenvlees lekker vonden als die daar, – hij maakte een vaag gebaar naar het oosten – ‘we aten het vlees van onze verslagen vijanden om hun kracht in ons te doen over gaan. Alleen de allerdappersten werden waardig gekeurd om opgegeten te worden. Mijn volk (toen meende ik dat hij daarmee de Bataks bedoelde, maar later begreep ik dat hij over zijn eigen stam sprak) heeft nooit zendelingen gegeten. Van der Tuuk was een dapper man, die ons begreep en verstond, hem hebben we willen eten, maar hij is ons ontgaan. Hij zou het ons niet kwalijk genomen hebben. Nog steeds zoekt hij ons op. Er is een koffiewarong in Parbotihan waar hij nog geregeld komt, meer dan vijftig jaar na zijn dood’ *].
Daarna noemde hij de naam van een controleur.
‘Dat was een dapper man. Hij vocht tot het einde, tegen een overmacht en zonder om genade te smeken. Hij werd waardig gekeurd om opgegeten te worden door mijn volk!’
Hij schreeuwde de laatste zin hoog uit en zweeg toen ademloos en daarna zei zachter en met een pauze tussen ieder woord: ‘Die eer hebben wij hem aangedaan’. ‘U begrijpt het’, zei hij, wat mij hevig schokte. Een ogenblik had ik de neiging om te protesteren. Nog bijtijds beheerste ik het gebaar van mijn hand, omdat ik tijdig besefte dat ik luisterde naar een bekentenis uit de oertijd, geformuleerd door een man die mijn eigen taal sprak.
‘De Maleiers begrijpen dat niet, zij minachten ons omdat wij menseneters waren en varkens hielden. Nog altijd minachten zij ons en wat zijn ze zelf? Traag en sloom vlaktevolk, slaven van sultans die hun grond verkochten. Nu willen ze rechten hebben op de afgelopen concessiegronden en ons uitsluiten’. Hij ging eindeloos door over de grondkwestie tot hij onverwacht afbrak in een nieuwe vraag: ‘Waaruit blijkt dat een volk intelligent is?’ Ik dacht na over het antwoord, maar hij verwachtte geen antwoord van mij.
‘Als het begrijpt dat de tijden veranderd zijn. Dat heeft alleen mijn volk begrepen. Wij zijn Christenen geworden. Mijn grootvader was een koning en een menseneter, mijn vader was een christen en een onderwijzer en ik ben een christen en een dokter’.
‘Een nationalist en een dokter’, zei ik hardop. Hij knikte alleen en ik dacht christen worden is ook een nieuwe waardigheid krijgen.
*] De inwoners van Marboen [zuidwest hoek van het Tobameer] komen er ruiterlijk voor uit menseneters te zijn en zeggen dat er geen vlees boven dat van mensenvlees gaat; de palmen der handen en de voetzolen zijn volgens hun gevoelen het lekkerste beetje. Te Perbotihan hadden zelfs kinderen meermalen ervan geproefd.
[Van der Tuuk - De pen in gal gedoopt, 69-70]