Querido, Amsterdam 1959

Vuyk – Full of sound and fury in Gerucht en geweld, 24

[Semarang 2 – Residentiekantoor] 

Hij maakte een schokkende beweging met de schouders. Hij was nog niet aangekleed en droeg alleen een donkerrood geruite kain met daarboven een gescheurde singlet, een borstrok zonder mouwen, van voren en achteren laag uitgesneden.
Op zijn rug, boven het schouderblad, was het litteken van een kogelwond, maar dat was niet waar mijn ogen naar bleven kijken. Vanuit de lendenen omhoog liepen paarse koorden naar beide schouders, als de ongelijke nervatuur aan de achterkant van een blad.
‘Wat is dat?’ vroeg ik.
‘Dat zijn littekens van dat verhoor in Semarang. Heb ik u dat nooit verteld’, zei hij op een toon of hij daar zelf verbaasd over was.
‘Herinnert u zich nog dat er een poging gedaan is om het gouverneurskantoor daar in de lucht te laten vliegen? Ik zat in dat complot, majoor Achmad, die nu bij de Intelligence Service zit, was onze leider. De Hollanders kwamen er achter, we waren verraden en toen wij binnendrongen werden wij allemaal gevangen genomen. Er werd niet gevochten, we hadden dit verraad niet verwacht en waren compleet overrompeld. Ze brachten ons naar het militair hoofdkwartier, daar zaten we een dag zonder dat er iets gebeurde. De Hollanders vermoedden dat dit werk was van een uitgebreide organisatie, dat was ook zo. De verrader kende slechts een onderdeel van de plannen. Eigenlijk alleen dit ene plan. De Hollanders moesten informatie hebben en er is maar één manier om van gevangenen die hardnekkig zwijgen inlichtingen te krijgen.’

Vuyk – Gerucht en geweld, 77-78

[Jakarta 9 – Hatta] 

Toen ik pas uit Siam terug was heb ik een avond lang in een warong met een oude chauffeur zitten praten. Hij vertelde mij dat hij heel blij geweest was zijn vroegere tuan na de oorlog te ontmoeten, want die was altijd goed voor hem geweest. Maar toen zijn oude baas daarna op Sukarno was gaan schelden had hij hem geantwoord, dat het Indonesische volk, nu eindelijk eens vrij moest zijn.
‘Ach,’ zei hij tegen mij, ‘eerst waren de Hollanders de baas en toen kregen we de Japanners. Wij hebben niet kunnen kiezen en niet kunnen vechten, wij zijn als handelswaar van de ene hand in de ander overgegaan.’
Later heeft op Bandung een politieman mij een verhaal gedaan waardoor ik aan de woorden van die chauffeur moest denken. Het was een inspecteur die tijdens de oorlogsmaanden in Sukabumi gezeten had. Hij vertelde mij, dat de Jappen daar half maart waren gekomen en hij was bij de overdracht van de Politieschool tegenwoordig geweest. Misschien herinner jij je nog dat daar Hatta en Sjahrir geïnterneerd waren. Je kunt je voorstellen hoe die overdracht plaats had, zoveel wapenen, zoveel voorraden, die en die gebouwen. Aan het eind zei de commissaris van politie:
‘... dan hebben wij nog twee nationalistische leiders, wat moet daar mee?’
‘Ach, laat die maar vrij,’ zei de Jap.
Toen hij mij dat vertelde moest ik aan de woorden van die oude chauffeur denken, ‘wij zijn als handelswaar van de ene hand in de andere overgegaan.’