G.A. van Oorschot Amsterdam, 1959

Du Perron – Verzameld Werk VII, 52-55

[Jakarta 3 – Erberfeld] 
[Jakarta 5 – Doodskop] 

De poëzie van de onzin.
De Gouverneur-Generaal heeft afwijzend gereageerd op de zenuwachtige aandrang om de kop van Erberveld te verwijderen van het muurtje aan de Jakatraweg. Niet ten onrechte werd in sommige bladen erop gewezen dat Indië tòch al niet rijk is aan historische gedenktekenen. Verder schijnt de gevierendeelde van 1722 ook geen èchte Indo te zijn geweest, zodat zijn door cement sindslang onherkenbaar geworden schedel alleen bij de genade van een ‘gebousculeerden toestand’ te beschouwen is als het centrum voor Indo-wrok, dat het nu opeens schijnt te moeten worden. En tenslotte is heel deze interpretatie van ‘schande voor de Indo’ pure onzin, want als die kop daar aan de Jakatraweg van ìets schande spreekt, dan van de Compagniesgerechtigheid in de 18e eeuw, meer bepaald die van de G.-G. Hendrik Zwaardecroon.
Later onderzoek heeft ontdekt dat Erberveld niet gevierendeeld werd omdat hij complotteerde tegen het gezag, maar omdat hij niet een stuk grond wilde afstaan dat deze Zwaardecroon nodig had. Het was een burenruzie met bloedige afloop; men leze het bij dr F. de Haan na, in Priangan, deel III blz. 472-476. De Haan noemt Zwaardecroon iemand die ‘voor niets terugdeinsde, waar het de bevrediging zijner kwade driften gold’. Waarom de schande van Zwaardecroon als de schande van de Indo moet worden gezien, is voor een normaal denkend mens onduidelijk. Blijft over: dat men medelijden heeft met die arme kop – zo eenzaam, met een piek erdoor, op dat muurtje, nu al 217 jaren lang. Voor Erberveld zelf moet dit ‘grouwelijck aensicht’ al net zo lang onverschillig geworden zijn; tenzij men het spiritisme erbij haalt. Een kop, die reeds begraven werd bovendien zij 't dan niet in aarde maar in cement, die het karakter heeft verworven van curiositeit, de waarde van historisch gedenkstuk en de rang van monument, blijft alleen zo verschrikkelijk beklagenswaardig als men zich de voormalige bezitter erbij denkt, nacht aan nacht bezoeken daar afleggend, zuchtend en tranen van ectoplasma vergietend, omdat hij – al werd zijn lichaam dan gevierendeeld en brutaal weggemaakt – zijn kop perse in een graf wil doen rusten. Doden die zich aan een crematie onderwerpen en hun as op de winden laten verstrooien, moeten van tegenovergestelde opvatting zijn, maar het is tenslotte niet uitgesloten dat de geest van Erberveld er zo over denkt.
De heer Ellendt, bekend I.E.V.-er, heeft in Onze Courant van 16 Februari j.l. nu eindelijk het geweeklaag over ‘Indoschande’ verhelderd door de volgende, in deze logica veel meer passende anecdote, hem weer door de heer Hans van de Wall toevertrouwd in talrijk en illuster gezelschap:
‘Hij (d.i. Hans van de Wall) reed per auto op een avond uit Bandoeng op weg naar Batavia. Vlak bij de Goenoeng Mesigit kon hij vanwege een zware regenbui, gepaard met bliksem en donder, niet verder, zodat de heer Van de Wall in een hutje dat aan den kant van den weg stond, zijn toevlucht moest zoeken.
Wie schetst zijn verwondering toen hij in de deurpost van de hut een oude Javaansche vrouw zag staan, een rijzige figuur, met sterk sprekende oogen; haar houding was waardig, ja bijna koninklijk. Met de woorden: ‘lk verwachtte U reeds lang, want ik heb een boodschap voor U! ‘ begroette zij den heer V. d. Wall.
Ge kunt U voorstellen, lezers, hoe het den ouden Hans van de Wall te moede was bij het hooren dezer woorden, maar wat de oude vrouw verder vertelde leek op een profetie.
Zij zeide dan: ‘Mijn boodschap is deze! Het Indo-geslacht zal nooit tot vrijheid komen, nooit die plaats in de Indische samenleving innemen, waarop het door zijn afkomst recht heeft, zoolang de kop van Pieter Erberfeldt als een teeken van schande aan den Jacatraweg blijft staan!’
De heer Ellendt voegt, ietwat nuchter, daaraan toe: ‘Meer zeide zij niet. Na het brengen van haar boodschap klaarde de lucht plotseling op en Hans v.d. Wall kon zijn reis weer voortzetten.’
Maar hij eindigt, met heel wat meer gloed: ‘lk persoonlijk geloof niet dat dit verhaal gefantaseerd is, maar evenals God door alle eeuwen heen, menschen geschapen heeft met een profetischen blik, goddelijke boodschappers, zoo ben ik er van overtuigd dat deze oude vrouw niet per toeval den Indischen dichter en denker moest ontmoeten, maar dat Van de Wall die als weinigen in staat is te beleven wat in de Indo-groep leeft, de man moest zijn, om die profetie bekend te maken opdat zij geloof bij ons vinde. Moge deze profetie spoedig in vervulling gaan, opdat de naam Indo van den onverdiende blaam gezuiverd worde.’
Kijk: ik geloof óók aan dat verhaal! Men is indische jongen of men is het met, en als ik lees van die waardige, ja bijna koninklijke gestalte, is het of een oude kennis uit mijn jeugd terugkomt, en ik zie de oude ogen glanzen als tjempaka gondok of angrèk boelan, en ik ruik de geuren van akar wangi vermengd met kemoening en sedep malem, en tegelijk hoor ik het ruisen der verenigde wateren van Tjiliwoeng en Tjitaroem.
Die rijzige vrouw zal de moeder of de min, de mamma-tjang of de njei zijn geweest van Erberveld, en haar profetie is dan ook zuiver ‘inheems’, en zeer verwant aan bijv. de legende van die kanonnen – si Djagoer en dat andere – die bij elkaar moeten komen, wil Java weer vrij zijn. Deze verhalen zijn even poëtisch als vanzelfsprekend, in dit land, en al is het wat gewaagd om de heer Van de Wall zomaar voor dichter en denker uit te geven, ik ben ervan overtuigd dat hij alle qualiteiten bezit om door zo'n verschijning te worden geapostrofeerd.
Maar iéts deugt er toch niet in deze profetie, en dat is jammer.
De heer Van de Wall en de verschijning moeten elkaar ergens niet goed hebben verstaan. Want, nietwaar, het ene heilige kanon kan bij het andere gebracht worden, maar waar brengt men de kop, als men die van het muurtje los heeft? Mij dunkt dan begint het probleem pas.
Zo maar in de grond stoppen? Geen behoorlijke geest die daar vrede in vindt. Die kop kan eerst begraven worden, wanneer men weet waar de rest van Erberveld's gebeente verstrooid werd; en wie weet dat? Welke Indo-historicus (aangezien van dit probleem de opkomst van de hele Indo-stand schijnt af te hangen) vindt dat nu uit? lk beloof u dat het een werkje is, heel wat moeilijker nog dan het vergaren van de ossementen van Coen, en dáár is al zoveel zweet en kwaad bloed voor nodig geweest.
Ik stel voor dat de heren, die zich voor deze zaak nu al zo vaak interesseerden, met een nieuw idee aankomen bij de Gouverneur-Generaal. Op een paar honderd meter maar van Erberveld’s kop af, voor de Portugese Buitenkerk, ligt, rustig en waardig onder een stijlvolle grijze steen, het gebeente van Zwaardecroon. Men vrage vergunning dat gebeente ook te storen (tenslotte, er is geen reden om Zwaardecroon te sparen waarvoor zelfs Coen niet werd gespaard). Men neme zijn hoofd weg en plaatse het – altijd als de vergunning niet uitblijft! – naast de kop van Erberveld. Op hetzelfde muurtje; broederlijk veréénd. Dan zijn de kwade buren weer goed, en het slachtoffer is niet meer eenzaam. En moge dan ook de vrede terugkeren in de verontruste geesten, die met de geest van Erberveld steeds meer gemeen krijgen dat zij behoefte hebben aan een kop.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 63-64

[Jakarta 5 – Rijswijk] 

We reden langs het kanaal. Ik herkende het gladde gele water, het schaarse geboomte; ik herinnerde mij niet meer, van vroeger dat er zoveel prauwen op voeren. Goenoeng Sari; de schouwburg. Hier had ik als jongen, als ‘P.H.S.-er’, – met een blauwe pet met een sterretje erop dat niet helemaal de goede ster was – op de tram gewacht die me langs het beeld van Coen zou rijden. Maar daar kwam onze auto nu niet langs: wij reden langs Rijswijk, dat ik nog herkende, terwijl Noordwijk rechtlijnig en onaangenaam modern was geworden. Ik strekte mijn nek om zoveel mogelijk koloniale gevels, koloniale oude ruime voorgalerijen te herkennen, de kree's waaraan het oude verhaal van vroeger was blijven hangen, of de koele ruimten vol schaduw, tussen en achter de deftigdoende pilaren. Mijn vrouw vond die huizen onaantrekkelijk, want zo donker. Eerste misverstand tussen een europese blik en een indische realiteit: dat donkere, dat voor mij meteen weer koelte, rust voor de ogen, vertrouwelijk thuis-zijn vertegenwoordigde, leek haar op het eerste gezicht onhygiënisch en melancholiek.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 70-71

[Jakarta 5 – Haka Restaurant] 

Wanneer ik journalist was, wat zou ik een goed kunnen doen in dit land, denk ik soms. De waarheid is anders: wanneer ik journalist was zou ik geen abonné's hebben.
Maar ik ben geen journalist. Anders zou ik ook zulke voor anderen onbelangrijke, zulke beperkte ontmoetingen als de hiervoorvermelde niet eens onthouden. Om een journalist te zijn ontbreekt mij de grondige kennis van 2 of 3 en de oppervlakkige van meer dan 100 dingen. Bovenal ontbreekt mij een zekere geestesgesteldheid die – hoe zal ik het zeggen? – het onfatsoenlijke altijd precies weet te herkennen, soms te aanvaarden, maar zichzelf nauwkeurig bij een niet-minder-herkenbare fatsoenlijkheid weet neer te leggen.
Toch heb ik mij weleens verbeeld dat ik het zou kunnen zijn. Ik herinner mij nog mijn eerste ontmoeting met de heer J. H. Ritman van het Bataviaasch Nieuwsblad. Ik had gehoord dat hij al lang met verlof wenste te gaan, maar weerhouden werd door gebrek aan een geschikte plaatsvervanger. Ik stelde hem bij die eerste ontmoeting vierkant voor (ik was net een maand of drie in dit land terug) mij zijn krant toe te vertrouwen. Hij weigerde natuurlijk even vierkant en argumenteerde iets over het speciale publiek dat hij zich met moeite had gevormd, en het grote verschil tussen onze persoonlijkheden. Dit was uiterst minzaam van hem. Het zou volstrekt verantwoord zijn geweest wanneer bij mij had toegeschreeuwd dat mij alles ontbrak om de rol te vervullen.
Maar op de een of andere wijze raakten wij aan elkaar gehecht. Hij bood mij een literaire kroniek aan in zijn blad, wenste nooit zich te mengen in de keuze van de te behandelen onderwerpen, en sterker, hij schrapte nooit in mijn kopij dan wanneer ik hem voorkwam door hem een paar plaatsen aan te wijzen die hij vermoedelijk wel zou willen schrappen.
Toen hij op het punt stond eindelijk toch met verlof te gaan, zaten wij eens samen in het uur van Kala, het melancholieke uur van de indische maghrib (menggerip, zegt de Bataviaan),
[Du Perron – Verzameld Werk VII, 70]
aan de oever van de Tjiliwoeng bij Kampoeng Melajoe, op een domein waaraan mijn teerste jeugd verbonden is geweest. Ik zei hem, op die plek en in dat uur:
“Het is jammer dat je mij toch maar niet genomen hebt. Ik zou begonnen zijn met een hoofdartikel, aldus:
‘De heer J. H. Ritman vertrekt vandaag. Sinds x jaren heeft hij zijn lezers bewezen hoe zelfs een indische krant geleid kan worden met fatsoen. Dit fatsoen was voornamelijk passief. Vanaf heden zal ons fatsoen actief zijn. ledere abonné, die ook nog maar in de verte lijkt op de lezers van de heer H. C. Zentgraaff, verzoeken wij vandaag nog zijn abonnement op te zeggen.”
Enzovoort. De heer Ritman moest erom lachen.
“En als je dat deed, zei hij, had je er dezelfde avond natuurlijk 500 abonné's bij.”
Ik zweeg. Ik vulde in gedachten aan wat hij erbij moest denken:
‘En binnen de maand zou je er 2500 zijn kwijtgeraakt.’
Dat is journalistieke logica.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 86-87

[Jakarta 7 – Natuurkundige Vereeniging] 

Naast het ‘Tijds. v. N.I’. verschenen enige tijd, als onderafdelingen ervan, het ‘Natuur- en Geschiedkundig Archief’ en het ‘Tijdschrift ter bevordering van christelijken zin’. Het eerste stond onder redactie van de toenmalige officier van gezondheid P. Bleeker, die evenals Van Hoevell in botsing kwam met de censuur van de heer Visscher en daarom in 1847 van Batavia naar Semarang werd overgeplaatst, wat de dood van zijn tijdschrift werd. In 1849 in Batavia teruggekomen, richtte Bleeker, die secretaris was van het Bat. Genootschap, met enige anderen de Natuurkundige Vereeniging op, die in 1850 het ‘Natuurkundig Tijdschrift’ uitgaf, waarvan de eerste jaargangen geheel op kosten van het Bat. Genootschap gedrukt werden. In 1860 eerst vertrok Bleeker naar Nederland.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 141-142

[Bandung 1A – Landraad] 

Een indonesisch ‘volksmenner’, ir Soekarno, die voor sommigen als de Lasalle verscheen van Indonesia, heeft deze dageraadsfeer zo nationaal gericht, dat zij nog romantischer werd naarmate zij politieker kleur kreeg. Het was de periode van de non-coöperatie, d.w.z. van de tijd waarin men de nederlandse hulp afwees om met eigen middelen, met eigen armoede en geestdrift, nationale scholen op te richten, de bloeitijd van de zogeheten wilde scholen. Op welke wijze deze, door indonesische nationalisten weer, georganiseerd worden, de politieke bewustmaking daaraan verbonden, de bestrijding daarvan door het gezag, van al dergelijke symptomen zal men in deze roman [Buiten het gareel van Soewarsih Djojopoespito] een en ander bespeuren. Maar de hoofdzaak zit dieper, en de titel van het boek houdt daarmee verband: met de romantiek die sommige indonesische studenten, aanstaande medici of juristen als in dit boek Soedarmo, hun studie, die hen vanzelf scheen voor te beschikken voor een ambtenaarsloopbaan in het nederlandse ‘gareel’, opzettelijk deed afbreken, om onderwijzer te spelen in de onzekere wereld van de wilde scholen.
Men vindt de figuur van Soekarno, met bescheiden vrouwelijke toetsen, in dit boek afgebeeld, en moge dit portret op zichzelf wat bleek zijn, de invloed, door deze leider uitgeoefend in de speciale wereld waartoe Soedarmo en Soelastri behoren, is ongetwijfeld juist. De ‘grote tijd van Karno’ wordt nu nog in deze wereld herdacht als de weggedreven storm van enthousiasme; Karno zelf is haast een legendarische figuur geworden; Soedarmo en Soelastri, buiten het gareel gebleven van het gouvernement, zien zichzelf als alweer verouderde verschijnselen, als stukken drijfhout in enkele brakke plassen, die de oude golf achter zich liet.
Wat hen nu voort moet drijven, is hun eigen geestdrift, is de trouw aan de oude beginselen; maar zij zien zich ongeveer gevangen in een nieuw gareel: dat van de bijzondere onderwijswereld waarvoor zij nu nog slechts in aanmerking komen. Het is de nagebleven sfeer van de oude romantiek, zonder gist, zonder zuurstof, waarin zij moeten gedijen, althans zich staande houden. Zij hebben ondervinding opgedaan, zij hebben critisch leren zien, ontgoochelingen hebben de oude geestdrift vervangen, maar zij zien uit naar nieuwe vormen van leven, die immers onweerhoudbaar zijn, en zij trachten zichzelf, in hun oude ideeën en in de herinnering aan het perspectief dat Karno eens opende, trouw te blijven.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 159-160, 161-163

[Jakarta 1 – Tiedeman en Van Kerchem] 

Aan bovenstaand verlangen werd spoedig voldaan. In de vergadering van 21 november 1908 werd het vraagstuk van de particuliere landerijen ter sprake gebracht door de bekende Socialistische afgevaardigde H. van Kol, ondersteund door mr C. Th. van Deventer. De heer Van Kol begon met de minister te citeren, die gezegd had dat de meest doeltreffende oplossing hem voorkwam te zijn: de onteigening dier landen ten algemenen nutte. De heer Van Kol vreesde echter weer te zullen horen van te hoge sommen en geen geld, en stelde dus voor: onteigening alleen van de heerlijke rechten, waardoor althans de herendiensten en heffingen in rijst of geld zouden worden verminderd. Wat de vreselijke misstanden op die landerijen betreft, had de minister alleen toezegging gedaan dat een onderzoek zou worden ingesteld. De heer Van Kol meende dat Zijne Excellentie dat standpunt niet kon innemen: ‘Het Regeeringsreglement verplicht ons te zorgen voor de bescherming van de bevolking tegen de willekeur van wie ook, dus ook van deze Europeesche landheeren’. Vervolgens wees hij op de publicatie van resident Fokkens en zeer uitvoerig, en als gold het niets dan een zakelijk rapport, op ‘Het Boek van Sirnan den Javaan’.[...]

In het Bataviaasch Nieuwsblad van 26 december nam D.D.[E.F.E. Douwes Dekker] een deel van het debat over, spatieerde de belangrijke punten en schreef onder de belofte van de minister: ‘Wij zullen zien’.
Wat men in de eerste plaats te zien kreeg, was een nieuw initiatief van de heer Van Kol, in de Kamerzitting van 25 februari 1909, bij de bespreking van de aanleg van een spoorweg Tjikampek–Cheribon. De heer Van Kol erkende in deze spoorlijn een onmisbare schakel, maar constateerde dat het grootste voordeel ervan getrokken werd door de particuliere landerijen die doorsneden zouden worden, zoals de Pamanoekanlanden, Kandanghaoer en Indramajoe-West. De minister had in zijn memorie van antwoord gezegd, dat de onteigening van de particuliere landen van het denkbeeld uitging, een einde te maken aan de daar heersende misstanden, maar dat ‘de landerijen, waardoor de spoorweg zal loopen, niet behooren tot die waar de misstanden zich het meest doen gevoelen’. Deze opmerking had de heer Van Kol onaangenaam getroffen. In 1901 reeds had hij gesproken over misstanden op Indramajoe-West; in 1903 was hij daarop teruggekomen en had minister Idenburg verklaard: ‘dat een onderzoek naar de toestanden op Indramajoe-West niet meer noodig was, daar de aandacht van het Indisch bestuur daarop zeer ernstig werd gevestigd’. De heer Van Kol kwam nu wederom met het getuigenis van ‘Siman den Javaan’, vereenzelvigde Alas-Bamboe met Kandanghaoer, Telatiga met Indramajoe-West.
De minister (zei hij) heeft in November 1908 een streng onderzoek beloofd., doch wanneer men hier nu weer de gewoonte volgt, dat men het onderzoek opdraagt aan de personen die zelf bij de zaak direct of indirect betrokken zijn, niet aan onafhankelijke personen met de ‘ finesses’ van het bedrijf bekend...
De voorzitter onderbrak hier de geachte afgevaardigde om hem erop attent te maker dat hij wel wat heel ver van het onderwerp afweek. In het vervolg van het debat kwam de heer Van Kol echter op dit punt terug en verklaarde:
‘Waar de minister meende te mogen zeggen, dat de misstanden op de particuliere landen elders op Java nog erger zijn dan in het boek van ‘Siman den Javaan’ op zulk een roerende wijze is geschetst, spreek ik de hoop uit, om dien scherpen blaam op Nederlandsch bewind af te wenden, dat in de toekomst moge blijken, dat de minister zich aan overdrijving heeft schuldig gemaakt.’
Het was een bittere opmerking.
Op 6 april 1909 commenteerde het Bataviaasch Nieuwsblad deze activiteit van de heer Van Kol en wist nog het volgende mee te delen:
Het kan ongeveer een maand geleden zijn dat hier voet aan wal zette de heer Frans van den Berg, van het Amsterdamsche kantoor der firma Tiedeman en Van Kerchem, hoofdadministratrice van het particuliere land Indramajoe-West. De heer Van den Berg had in opdracht een inspectie te houden naar de toestanden op het land Indramajoe-West. Hij is ook op het land Kandanghaoer geweest en vatte, hier te Batavia teruggekeerd, zijn indrukken samen in de mededeling dat de administrateurswoning van Kandanghaoer veel aangenamer was dan die van Indramajoe-West. Zijn inspectie was navenant geweest. Bovendien was het wel wat te veel comedie van de directie, om iemand uit Holland heel naar Indië te sturen, om in enkele dagen een juisten indruk te krijgen van een bedrijf, waarvan hij nauwelijks meer weten kan dan dat het product in gekookte staat het hoofdvoedsel van Indië is.
Tien dagen later schreef hetzelfde blad:
Intusschen is er al wel zooveel invloed uitgegaan van ‘Het Boek van Siman den Javaan’, dat de regeering een tweetal inspecteurs der cultures heeft opgedragen, kort na de verschijning van het boek, ten vorigen jare, een geheim onderzoek in te stellen naar de gesignaleerde misstanden. Het onderzoek zou niet meegevallen zijn, deelt men ons thans mede. Misschien hooren we er wel meer van, zoomede van het onderzoek naar de heffing van den heerendienst, ingesteld door den assistent-resident van Indramajoe en een controleur van het binnenlandsch bestuur.
Dit was de eerste maal dat van een geheim onderzoek door de regering werd gerept.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 180-181

[Jakarta 7 – Bibliotheek] 

Omstreeks 1780 beginnen de nieuwe ideeën zich zelfs in Indië te doen gelden. De Compagnie was in verval, familie-regeringen als die van de G.-G. Alting, de meest langdurige in een lange reeks, hadden de kloeke kapiteinen van de 17e eeuw vervangen; deze staatkundig corrupte bodem bleek echter niet onvruchtbaar voor het nieuwe zaad van de geest. In 1778 werd het nu nog bestaande Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen opgericht, in navolging van die typische uiting van de Verlichting: niet meer het ‘individueel liefhebberen’, maar de organisatie van de ontwikkelde burgerij in genootschappen. De Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde werd in 1776 opgericht te Leiden; het Bataafsch Genootschap der Proefondervindelijke Wijsbegeerte te Rotterdam in 1770; de beroemde Maatschappij tot Nut van het Algemeen eerst in 1784. Vergelijkt men deze jaartallen met het oprichtingsjaar van het Bataviaasch Genootschap, dan ziet men dat dit niet ten achter was.
Dr F. de Haan heeft op de hem eigen pittige wijze toegelicht hoe dit Genootschap ontstond: de oorsprong, zegt hij, lag in iets geheel anders dan een wetenschappelijk of artistiek streven. Aanleiding was ‘de prijsvraag anno 1773 van de Hollandsche Maatschappij der Wetenschappen omtrent de beste middelen tot voortplanting van het Evangelie in de Koloniën. De eerste, die zich alhier daarvoor interesseerde, was het Raadslid Jan Vos, die ‘particuliere genoodschappen’ wilde oprichten, welke door het uitschrijven van prijsvragen de zaak zouden bevorderen – voorzeker eene handige manier om de moeite op andermans nek te laden. Vos zag zich echter spoedig de loef afgestoken door zijn collega mr J. C. M. Radermacher, schoonzoon van den G.-G. De Klerk en oprichter der eerste Vrijmetselaarsloge te Batavia. Door Radermacher's bemoeiing kwam den 24 April 1778 het Bataviaasch Genootschap ‘tot nut van het gemeen’ tot stand. Het doel daarvan heette inderdaad de verbreiding van ‘het Evangelium’, een arbeidsveld, dat het Genootschap overigens gaarne aan de Regeering inruimde, welke dan ook op stumperachtige wijze de school ging dienstbaar maken aan de evangelisatie. De opzet van het Genootschap was in den echten Compagniesstijl, zwaar en deftig, met den Gouverneur-Generaal als ‘Opper-directeur’ en andere Heeren der Regeering als Directie. Zoo woont op 8 Maart 1793, verjaardag van den Erfprins, de Regeering eene vergadering van het Genootschap in het Kasteel bij ... Het feit echter alleen, dat er algemeene vergaderingen werden gehouden, waar de Edele Heeren, ja Zijn HoogEdelheid zelf, op zekeren voet van gelijkheid in sympathieën en van eendrachtig samenwerken bijeenkwamen met doodgewone, menschen, maakte van de oprichting eene soort revolutionnaire daad. Het program van het Genootschap droeg een maçonniek karakter en sprak van niets dan sociale en wetenschappelijke kwesties en belangen, tot het maken van een ‘Nederduitsch Vaers’ toe. Dank zij de milddadigheid van sommige leden kon men spoedig beginnen eene boekerij en verschillende verzamelingen aan te leggen. Radermacher gaf een huis aan de Kali Besar cadeau, een ander een tuin, een derde eene ‘witte Papoesche meid’, natuurlijk enkel als levend curiosum.’

Du Perron – Verzameld Werk VII, 190-191

[Semarang – Dirk van Hogendorp] 

In 1778 behoorde hij [Willem van Hogendorp] met mr. J.C.M. Radermacher, schoonzoon van de G.-G. Reiner de Klerk en evenals hijzelf lid van de Vrijmetselaarsloge, tot de oprichters van het Bataviaasch Genootschap van Kunsten en Wetenschappen, dat nu nog bestaat en de oudste wetenschappelijke stichting is in Azië. Voor de eerste delen Verhandelingen van dit Genootschap leverde Hogendorp verschillende meer of minder wetenschappelijke bijdragen. In Den Haag, in zijn glorietijd, was zijn huis een verenigingspunt geweest voor aanzienlijke vreemdelingen en schone vernuften; zijn vrouw, van zichzelf Caroline van Haren, was een vriendin van de befaamde en letterlievende prinses Gallitzin, vrouw van de russische gezant, vriendin weer van de prinses van Oranje. In Indië, in Batavia, behoorde Van Hogendorp gemakkelijk tot de meest gecultiveerden en geleerden; daar dan ook werd hij, van amateur in de letteren, een auteur die zich gedrukt zag.
Van Hogendorp ijverde voor de koepokinenting te Batavia, zoals zijn gehate schoonvader het eens in Nederland had gedaan. In 1779 publiceerde hij een leerzame novelle, Sophronisba, of de Gelukkige Moeder door de Inëntingen van haare Dochters, die in het droge genre niet zonder stijl is en het hier en daar zelfs tot een bescheiden dramatische spanning brengt. Hij loofde verder uit eigen zak een ereprijs uit van 100 gouden dukaten voor het beste antwoord op een prijsvraag betreffende deze zelfde ‘variolatie’, die toen niet zonder gevaar was. Na vele gelukkige inentingen te Batavia bezweek een kind ‘onder de kunstbewerking aan eenen zwaren stoelgang en persing’, de burgerij verschrok en trok zich van de kunstbewerking terug. Daartoe aangespoord door zijn medeleden van het Bataviaas Genootschap schreef Hogendorp een geruststellende Redevoering der Inentinge tot de Ingezetenen van Batavia, die zijn toen 18-jarige tweede zoon, de later beroemde Gijsbert Karel, in ’s Genootschaps Verhandelingen las, maar niet kon bewonderen. Ook te Cheribon en Semarang beijverde hij zich de pokken te bestrijden; hoewel geen geneesheer verrichtte hij de variolatie gaarne zelf en niet alleen onder de ‘Europezen’, maar tot in de woningen van Chinezen en Javanen. Wie hem slechts van deze kant bekijkt, ziet in de man die eens een verwend heertje heette met een ‘kwaadaardig naturel’, in de ijverige hersteller van zijn fortuin in de kolonie, zo ijverig dat hij met de G.-G. Alting in botsing kwam, – een man ongetwijfeld niet minder bedrijvig op ditzelfde terrein, – niets dan de verlichte mensenvriend, alsmede een 18e-eeuwse verschijning bij uitstek.
In zijn brief aan de Stadhouder van 9 october 1779 hoort men even een ander geluid, wanneer hij bekent dat het zijn eerzucht zou zijn heel Java in te enten, hetgeen aldaar, volgens geleerde berekening, 100.000 zielen meer binnen 25 jaar zou opleveren, ‘hetgeen, redeneert hij verder, eene importante winst voor den Landbouw zoude zijn’, terwijl men nu nog zovele velden onbebouwd zag liggen.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 228-229

[Bandung 1A – Grote weg] 
[G.G. – Alting] 
[Semarang – Dirk van Hogendorp]
 

De vlucht van Willem V en de instelling van de Bataafse Republiek in Nederland, in 1795, bracht in Indië weinig verandering in het Compagniesbestel. Maar in 1796 zorgden de Engelsen ervoor dat nagenoeg al onze bezittingen verloren gingen. Dirk van Hogendorp reageerde als oud-militair met alle energie; in Soerabaja bracht hij inlandse troepen op de been en vormde daarmee een zeer weerbaar legertje – zoals later Daendels zou doen – waarmee hij van plan was ernstig tegenstand te bieden wanneer de Engelsen ook Java dachten te veroveren. Tevens stak hij zijn mening over de grote heren te Batavia niet onder stoelen of banken. Een rapport dat hij over de toestand naar Nederland wilde zenden, viel in handen van mr Sebastiaan Cornelis Nederburgh, op dat ogenblik in feite de machtigste regeerder in onze Oost. Een commissie werd haastig benoemd en naar Soerabaja gezonden, Hogendorp werd gearresteerd, naar Batavia gevoerd en opgesloten in het kleine fort Tangerang. Bijna een half jaar zat hij in arrest, tevergeefs vragend voor een rechtbank te worden geroepen en zich te mogen verdedigen; toen vluchtte hij (juni 1798) – vermoedelijk liet men deze vlucht oogluikend toe, omdat men bang was voor wat hij te zeggen had – en keerde op een engelse boot naar Europa terug. Aan boord schreef hij, zonder over aantekeningen te kunnen beschikken, want al zijn papieren waren in beslag genomen, zijn beroemd geworden Bericht van den tegenwoordigen toestand der Bataafsche bezittingen in Oost-Indië en den handel op dezelve, dat hij drukken liet zodra hij in Nederland terug was (1799).
Ondanks de, vergissingen die hij maakte, kan men zeggen dat voor Indië met dit boek de hele liberale richting werd ingeluid; hier begint de wending in de nederlandse geestesgesteldheid ten opzichte van de koloniën, die de radicaalste verandering heten mag na de opvattingen a la Coen. Hogendorp ontdekte dat de Javaan een mens was en niet lui, wanneer men hem zelf enig aandeel gunde in de vrucht van zijn arbeid. Zijn koloniaal programma was, in grote lijnen: toekenning van particulier grondeigendom aan de Javaan (een idee dat door de Javaan overigens niet begrepen zou zijn); vrijheid van persoon en rechtszekerheid ook voor de Javaan; vervanging van de gedwongen leveringen door een landrente; afschaffing van alle herendiensten; afschaffing van het Compagniesmonopolie en vrijlating van de productenhandel; afschaffing van alle emolumenten van ambtenaren en verhoging van hun bezoldiging, om het ‘gerechtigde’ stelen en smokkelen tegen te gaan. In menig opzicht zou Daendels later dit programma uitvoeren. Nederburgh echter verzette zich met kracht, en in het conflict Hogendorp-Nederburgh belichaamden zich als het ware alle nieuwe opvattingen tegen de oude. Nederburgh, advocaat van de Compagnie, als commissaris-generaal naar Indië gezonden om orde te brengen in misstanden als de familieregering van Alting, vond het practischer van zijn macht juist voldoende gebruik te maken om zichzelf ongehinderd te kunnen verrijken; in deze vette autocraat manifesteert zich de oude Compagniesgeest in optima forma. Natuurlijk bestreed hij het geschrift van Hogendorp, en niet hij alleen, maar andere geestverwanten als Siberg, Engelhard en Wiese. Hogendorp riposteerde met nieuwe brochures en boeken; het eind was dat èn hij en Nederburgh (die intussen ook in het vaderland was teruggekeerd) in 1802 benoemd werden in een Staatscommissie, de Aziatische Raad genoemd, om een nieuw Charter voor Indië te ontwerpen.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 229-230

[G.G. – Coen] 

Men ‘bouwt’ een kolonie, of niet. Hadden ‘wij’ het niet gedaan, de Engelsen of Portugezen waren hier baas geworden, met minder uiteindelijke zegeningen voor blank en bruin, willen wij hopen. Ere dus Coen, onze grootste koloniebouwer, iemand die men werkelijk niet zomaar een ‘rover’ kan noemen, iemand met een groot en diep hiërarchisch gevoel, voor de Heer niet alleen, maar ook voor de Heren Zeventien, zoals de Godée Molsbergen overtuigend betoogt als het erop aankomt het uitmoorden van de Bandanezen te verklaren. Coen is bovendien een soort van heilige, waaraan het in Indië streng verboden is te tornen; de minste critiek op Coen, en de kranten schallen van verontwaardigde tegenzangen. Coen’s al te grote gestrengheid in het geval Saartje Specx betreurt dr. Godée Molsbergen ook, maar in gepaste mate en als een buitenissigheid; Slauerhoff’s visie van Coen als mengsel van calvinisme en sadisme – een mengsel dat in on-freudiaanse tijden gemakkelijk tot stand kwam – is des duivels voor het normale nederlandse gemoed in Indië, inbegrepen dat van de ‘intellectueelen onder de massa’. En dat zowel het optreden in de zaak van Saartje Specx als tegen de Bandanezen twee symptomen zouden kunnen zijn van éénzelfde wreedheid, het is niet van zóveel belang, historisch gesproken, en zelfs de waarheid daarvan hoeft niemand te beletten Coen te bewonderen. Men vergete niet dat deze man, ‘rover’ of niet, met zijn handjevol mensen op een zo grote afstand van het vaderland, heel wat genialer was dan een Mussolini, en dat de verovering van Jacatra, van hoe weinig belang als krijgsprestatie dan ook, een heel wat gedurfder onderneming was dan de verovering van Abessynië. En er zijn meer Abessijnen gedood dan Bandanezen ... Coen, concurrent bovendien van Portugezen en Engelsen, en dus een drievoudige vijand te slim af, verdiende de naam die de bantamse kronieken met een geslaagde woordspeling aan Pieter Both gaven: die van Pienter Reboet = knap in (de mêlée van) het afpakken.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 239-244 

[Jakarta 1 – Utrechtsche straat] 
[G.G. – Van Hogendorp] 

Carel Sirardus Willem van Hogendorp, kleinzoon van de schrijver van Kraspoekol *] en zoon van Dirk van Hogendorp, uit diens eerste huwelijk in augustus 1788 te Casimbazar (Bengalen) geboren, heeft – hoewel hij een minder dynamische figuur was dan zijn vader – een jeugd gehad, zo romantisch als de napoleontische tijd waarmee zij samenviel. Voor zijn opvoeding als kind al naar Holland gestuurd (zijn oom Gijsbert Karel verwelkomde hem met een vers!) werd hij op zijn 13de jaar op het militair instituut te Sorèze in Frankrijk geplaatst; daarna studeerde hij enige tijd rechten te Leiden; maar de zeedienst trok hem meer aan: in 1806 werd hij cadet-volontair ter zee en onderscheidde zich zozeer bij een muiterij die op het oorlogschip Neptunus uitbrak, dat hij met enige andere officieren aan koning Lodewijk Napoleon werd voorgesteld en als ordonnans-officier bij diens staf werd aangesteld. Hetzelfde jaar nog ging hij echter over als 2e luitenant bij het 2e regiment kurassiers; in 1807 woonde hij als zodanig de belegering en inname van Dantzig door maarschalk Lefèbre bij; daarna vocht hij bij Heilsberg en Friedland, in welke laatste slag hij onder het oog van de keizer aan een geslaagde charge deelnam, die hem het legioen van eer bezorgde.
Op verzoek van zijn vader, toen hollands gezant te Wenen, werd hij in 1808 daar benoemd tot auditeur van de legatie, met behoud van zijn militaire rang. In 1809 maakte hij de veldtocht mee tegen de hertog van Brunswijk-Oels; daarop verliet hij de dienst, maar bij de landing van de Engelsen in Zeeland (juni 1809) bood hij zich als vrijwilliger aan en streed op eigen kosten mee als kapitein-adjoint van de staf van generaal Dumonceau. In 1810 zou hij als adjudant van Daendels naar Indië zijn gegaan, toen de abdicatie van Lodewijk Napoleon zijn plannen wijzigde. In 1811 benoemd tot ritmeester bij de kurassiers en dus weer napoleontisch officier, huwde hij met de dochter van generaal Olivier, een veteraan van het franse leger, en in 1812 maakte hij de tocht naar Rusland mee, evenals de latere G.G. De Eerens en zovele anderen die men later in nederlandse dienst in Indië terugvond.
Onder Gouvion St. Cyr vocht hij in de beide slagen van Polotzk, waarvan de tweede 3 dagen duurde; na de teugtocht van zijn legerkorps naar de linker oever van de Duna, was hij adjudant van de maarschalk en in 1813 als chef d’escadron tegenwoordig bij de slagen van Lützen, Bautzen en Dresden. Bij de overgave van Dresden aan de geallieerden werd hij krijgsgevangen gemaakt en met zijn maarschalk als zodanig naar Bohemen gevoerd. Vandaar ontvluchtte hij en reisde met dépêches voor Napoleon door het vijandige gebied, maar kwam eerst in Parijs toen de keizer reeds afstand van de troon had gedaan. Nadat hij tevergeefs beproefd had in nederlandse dienst over te gaan, bleef hij frans officier, maar bij Napoleon’s terugkeer van Elba sloot hij zich aan bij zijn oude strijdkameraden. Bij de nederlaag van Waterloo zocht hij tevergeefs de dood op het slagveld. In 1816 verliet hij voorgoed de franse dienst en begaf zich naar Holland; door toedoen van zijn oom, de grote Gijsbert Karel, werd hij nu als oostindisch ambtenaar der 2e klas aangenomen en [in] augustus 1817 naar Java gestuurd. Hij was toen nog geen dertig.
Aanvankelijk benoemd tot lid van de Algemene Rekenkamer te Batavia, werd hij in hetzelfde jaar, 1818, reeds aangesteld tot resident van Buitenzorg; in 1923 tot resident van Batavia. In deze tijd raakte hij zeer bevriend met de G.G. Van der Capellen en toen in 1825 de opstand van Dipo Negoro uitbrak, maakte hij zich verdienstelijk als samensteller van een schutterij waarvan hij commandant was. Toen in 1826 Du Bus de Gisignies Van der Capellen verving, kon Van Hogendorp zich niet verenigen met de bezuinigingen door de nieuwe landvoogd voor de residentie Batavia ingevoerd en vroeg en verkreeg zijn ontslag en plaatsing op wachtgeld. Du Bus bood hem het gouverneurschap over de Molukken aan, maar Van Hogendorp verkoos met 2 jaar verlof naar Europa terug te gaan. Hij woonde daarna in Brussel waar hij zijn boek schreef Coup d’oeil sur l’île de Java et les autres possesions neérlandais dans l’archipel des Indes; het werk waarmee hij als het ware de publicaties van zijn vader over Indië voortzette (Dit werk is ook in het hollands vertaald door J. Olivier). Hij beschreef hierin voornamelijk het bestuur van Van der Capelllen en toonde zich evenals zijn vader “een voorstander van milde regeeringsbeginselen”; hij ijverde ook voor het uitzenden van meer Europeanen naar Indië en de vorming aldaar van een europese middenstand. Gedurende de onlusten in Brussel in aug. 1830 kon Van Hogendorp de prins van Oranje daar enige diensten bewijzen; als getuige van deze heeft hij ook de overeenkomst tussen de prins en de brusselse burgerwacht mee-ondertekend. In dit jaar werd hij in de gravenstand verheven en ridder van de Nederlandse Leeuw, maar ook op zijn verzoek eervol uit ’s lands koloniale dienst ontslagen. In 1831 ging hij naar Utrecht, waar hij zich vestigde als commissionair in effecten.
In deze jaren moet hij zijn vrije uren gevuld hebben met het schrijven van de indische verhalen die hij in 1837 bundelde onder de titel Tafereelen van Javaansche Zeden, maar die hij reeds in 1833 en 1834 in tijdschriften als Astrea en De Recensent der Recensenten gepubliceerd had. In dit werkje toont Van Hogendorp zich in zekere opzichten een voorganger: in de eerste plaats reeds omdat in deze novellen voor het eerst uitsluitend Javanen als personages optreden. Het eerste verhaal, Raden Ningrat, is een navertelde inheemse kroniek over een opstandige regentenzoon – waarschijnlijk van Soemedang – onder Van Goens en Speelman. Het tweede verhaal, Poetrie Dewie Saharie, speelt in de 14de eeuw en behandelt de komst van de Islam op Java op zeer romantische wijze en in brieven. Historisch lijkt het geheel fantastisch; het zijn lotgevallen van een arabische prinses die trouwen moet met Ankawidjaja van Madjapahit ten einde deze tot de Islam te bekeren; dit laatste lukt niet, maar zij heeft dan reeds en kind van hem; dit kind wordt later een schitterende ridder, Majapahit wordt verwoest enz. Daar het verhaal 140 blzn. groot is, kan men hierin de eerste historische roman zien die de nederlands-indische bellettrie heeft opgeleverd; althans het eerste historische grote verhaal. Het derde verhaal, Soelatrie, is de idylle van een jong javaans paar dat tot een wreed einde komt, en reeds compleet prototype van Saïdjah en Adinda, “al moet een Chinees er voorlopig de roversrol van de regent bij spelen”.
Een Chinees lijkt geruime tijd uitzonderlijk geschikt voor de gemene rol, en men leest bij G. H. Nagel dan ook reeds: “De Chinezen, op Java gevestigd, staan over het algemeen, bij de Europeanen aldaar in geen goed blaadje. Men verwijt hun met regt hunne valschheid en bedriegerij. Geen volk is beleefder, vleiender, dan de Chinezen, wanneer er voordeel te behalen is; geene kooplieden zijn afgunstiger in het aanprijzen en verkoopen hunner waren, dan zij; doch op geene kan men minder vertrouwen. Wij zouden hen noch als soldaten, noch als bedienden kunnen gebruiken: want dapperheid, trouw en eerlijkheid zijn bij geenen Chinees te vinden. Daarenboven koesteren zij sedert den moord van 1740 eenen heimelijken wrok tegen de Europeanen”. Als verhaal op zichzelf is dit het kortste en het beste. Het vierde, Korporaal Rampok, is de droevige historie van een inlandse potsenmaker (badoed) die eigenlijk door smart wordt verteerd en die blijkt zijn vrouw en schoonvader bij vergissing te hebben vermoord, in de veronderstelling dat hij bedrogen werd. Al zijn rampen zijn een gevolg van opium, zodat Van Hogendorp zich hier de eerste toont van een vrij grote reeks anti-opium-schrijvers onder de koloniale belletristen.
In 1837 werd Van Hogendorp bij de minister van koloniën geroepen, die hem ’s konings verlangen openbaarde om hem weer in indische dienst te zien, en ditmaal als raad van Indië. Hij nam aan en vertrok voor de tweede maal naar Java. In 1838 daar aangekomen, nam hij onmiddellijk zitting in de Raad.
Bij de oprichting van het Tijdschrift voor Neêrl. Indië behoorde Van Hogendorp, onder de letters H.P., de eerste en laatste van zijn naam, tot de eerste medewerkers; hij schreef in de jrg. 1838 een artikel Iets over het rijk en de vorsten van Padjadjaran en een historische novelle Helena, die veel minder goed is dan zijn vorige indische Tafereelen. Dit verhaal, dat de opstand van sultan Agoeng in Bantam behandelt, waarin personages optreden als de ambonese kapitein Jonker, St. Martin en Speelman zelf, is tenslotte niets dan een vage romantische anecdote over Leentje, de dochter van de nederlandse verrader die hier Kardeel heet en bij Onno Zwier van Haren Steenwijk. (Zie het treurspel Agon, Sulthan van Bantam. Onno Zwier van Haren was de overgrootvader van C.S.W. van Hogendorp.) Deze Leentje, als kind reeds voorbestemd voor de harem van Agoeng, wordt verliefd op de krijgsgevangen vaandrig Modij, vlucht met hem, geholpen door haar portugese bewaakster, naar Batavia en huwt daar met hem; later echter wordt zij door de barbaarse vorst opgeëist, uitgeleverd en zo zwaar mishandeld dat zij eraan bezwijkt. Voor de betrouwbaarheid van zijn stof verwijst Van Hogendorp naar Valentijn.
In 1839 werd Van Hogendorp, bij afwezigheid van oudere leden, door de G.-G. De Eerens belast met het vice-presidentschap van de Raad van Indië; bij het overlijden van De Eerens in 1840 trad hij ruim een half jaar op als waarnemend G.-G., tot hij begin 1841 vervangen werd door mr. Pieter Merkus. Dat hij geen goed- of afkeuring had ontvangen van de nieuwe koning (Willem II) trof hem diep; en na ongetekend geschrijf in de dagbladen over zijn beheer ging hij ertoe over dit zelf te behandelen in een brochure Gedeeltelijke wederlegging van twee artikelen in Nederlandsche dagbladen van 1843 en 1844. De koning benoemde hem voor dit beheer tot commandeur Nederlandse Leeuw. Onder het G.-G.-schap van Rochussen werd Van Hogendorp (in 1850) opnieuw waarnemend vice-president van de Raad van Indië; hij bleef lid van deze Raad tot 1853, toen nam hij zijn ontslag en keerde met zijn gezin naar Nederland terug. Bij zijn terugkeer maakte de koning hem ridder van de Eikenkroon, maar zeker voelde hij zich gepasseerd dat hij niet tot G.-G. benoemd werd. Hij woonde daarna weer in Utrecht, waar hij in october 1856 overleed.
In de collectie familiepapieren in het Algemeen Rijksarchief bevinden zich van C.S.W. van Hogendorp een groot aantal ongepubliceerde geschriften, waaronder een journaal gehouden gedurende de tocht naar Rusland, een journaal van zijn tweede reis naar Java, begonnen mémoires, en een vrij groot aantal verzen in het frans en hollands, meest gelegenheidspoëzie. Een frans gedichtje schreef hij bij de academische dissertatie van zijn zoon in 1837, een hollands voor dezelfde zoon “bij de gedachte aan zijn voornemen, om het vaderland in deszelfs Oost-Indische bezittingen te gaan dienen”. Hierin komt deze strofe voor:

Mist gij op Java’s kust concerten en tooneelen, -
Vlijt, arbeid, wetenschap zijn daar alsdan Uw’ spelen;
Door dezen aangevuurd, o, dan zie ik u aan
Als eens bestemd, om ’t Regt met glorie voor te staan!
Door Gunst en door Fortuin wordt men al ligt verraden!
Een schat, die nooit vergaat, bestaat in goede daden ...

Het meest curieus voor ons is wellicht nog het manuscript van een toneelstuk in het frans, proza gelardeerd met coupletten. Het is getiteld Avant et Après en noemt zichzelf een “pièce de circonstance sur la conquête de Bali 1846”; er staat bij dat het op Java geschreven werd.
*] Zie: Van Hogendorp in: Oost-Indische inkt, 33-46 

Du Perron – Verzameld Werk VII, 280-281

[Jakarta 5 – Stadsapotheek] 

Van de vreemde plantenwereld die hij daar aantrof, maakte hij tekeningen, die hij met een uitvoerige beschrijving zond naar Alexander von Humboldt, die toen in Parijs woonde; Von Humboldt, op deze wijze door Junghuhn gewonnen, wendde zijn invloed aan en wist te bewerken dat hem kwijtschelding van straf werd verleend en dat hij naar Duitsland terug mocht. In 1834 kwam Junghuhn weer in Koblenz en wijdde er zich, met Ph. Wirtgen, aan botanische onderzoekingen. Hij bleef daar echter niet lang; vertrok naar Holland, legde in Utrecht een examen voor officier van gezondheid der 3e klas af, en kon zich juni 1835 als zodanig reeds naar Indië inschepen. In October zette hij te Batavia voet aan wal.
Junghuhn werd aanvankelijk geplaatst bij het hospitaal te Weltevreden, en verwierf zich daar de vriendschap van de chef van de geneeskundige dienst, dr Fritze. Na ook in Semarang en Djokdja in het hospitaal werkzaam te zijn geweest, werd Junghuhn door Fritze uitgenodigd hem te vergezellen op een inspectiereis over Java. Vóórdien hadden Fritze klachten bereikt over Junghuhn's ongeregeldheid als hospitaaldokter en de tijd die hij soms zonder verlof aan de botanie wijdde, maar dit juist leerde Fritze inzien dat Junghuhn de wetenschap groter diensten kon bewijzen dan als arts alleen. 0p zijn reis als adjudant van Fritze leerde Junghuhn Java kennen. De heer Diard, chef van de natuurkundige commissie en vriend van Fritze, stelde Junghuhn als voorlopig lid aan van genoemde commissie, terwijl hij ook tot lid benoemd werd van het Bataviaas Genootschap. In 1838 schreef Junghuhn, voor de eerste jaargang van het Tijdschr. v. Neêrl. Indië, een bijdrage over de Salak, het volgende jaar over de Gedeh, en dit jaar 1839 bracht hij als lid van de natuurkundige commissie voornamelijk in de Preanger door. In de Verhandelingen van het Bat. Genootschap publiceerde hij zijn Praemissa in Floram cryptogamicam Javae insulae; maar ditzelfde jaar overleed dr Fritze, die bestuurslid van het Genootschap was. In 1840 werd Junghuhn, na afgelegd examen, bevorderd tot officier van gezondheid der 2e klas. Tot herstel van zijn gezondheid bracht hij 3 maanden in het Diëng-gebergte door, en dit gaf hem aanleiding voor een artikel in het Tijdschr. v. N. I., waarin hij aandrong op genezing van Europeanen, die te lang in het hete klimaat waren geweest, niet door middelen uit de apotheek, maar door een verblijf in koudere luchtstreken, op Java zelf te vinden. In deze tijd begon hij ook te werken aan zijn grote boek over Java, dat eerst later zou worden uitgegeven.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 296-297, 299-300

[Brumund] 

Ds. Jan Frederik Gerrit Brumund behoort eveneens tot de opmerkelijke figuren van de koloniale beschavingsgeschiedenis; hoewel van geringer formaat dan een Van Hoëvell of Junghuhn, is hij in veelzijdigheid van belangstelling vrijwel hun gelijke. Als oudheidkundige heeft hij meer gepresteerd dan zij, en het is als de eerste indische archeoloog van zijn tijd, dat zijn naam is blijven leven. Prof. N.J. Krom zegt over zijn beschrijving van de overblijfselen van Prambanan in ‘Indiana’: ‘De wijze, waarop hij die aan zijn lezers voor oogen stelt, geeft ons recht Brumund als den besten kenner der javaansche kunst te beschouwen, die er tot dusver was geweest, althans den besten, die van zijn goed begrip dier kunst in geschrifte had doen blijken’. En over Brumund's ‘Bijdragen tot de kennis van het Hindoeïsme op Java’: ‘In hetgeen deze scherpe opmerker gezien heeft, bijvoorbeeld in zake de door hem gegeven onderscheiding der beelden in verschillende typen, is er niet weinig, dat ook nu van waarde blijft. Voor de waardeering en de kennis der Javaansche kunst is Brumund ontegenzeggelijk een figuur van groote beteekenis geweest.’
Wel te verstaan: van de oude beeldhouw- en bouwkunst, want prof. G. Brom van zijn kant, wijst op Brumund's onbegrip van de javaanse dans, een onbegrip dat hij deelt met Van Hoëvell, met Sicco Roorda van Eysinga, en met hoeveel anderen niet. Brumund immers noemt het dansen van de ronggèng ‘de kunst der verwrikkingen van alle leden des ligchaams, waarbij hetzelve steeds de meest hoekige positiën, moet aannemen’; hij vindt dat uit de manier om ‘zoo lamlendig mogelijk over den grond te schuifelen’ wel blijkt ‘hoe het schoonheidsgevoel in den javaan ten eenemale verbasterd is’ en hij vindt de zang van een javaanse danseres ‘zoo valsch, als die van eene verliefde kat’. Maar door zijn liefde en belangstelling voor het javaanse verleden, door zijn sympathie voor de javaan heeft hij dergelijke kleine tekortkomingen zeker ruimschoots goedgemaakt.[...]
In 1857 kreeg Brumund, wiens oudheidkundige opstellen de aandacht getrokken hadden, van de regering de vererende opdracht om de tekst te leveren voor een plaatwerk over de Boroboedoer, die door twee tekenaren van de genie, de heren Wilson en Schönberg Muller, in 1853 in tekening was gebracht en welke tekeningen door de lithograaf Mieling in Den Haag op steen werden gebracht. Brumund bracht enige tijd bij een inlands hoofd in de buurt van de tempel door, gaf van zijn verblijf en ontmoetingen daar een aangenaam relaas in het opstel ‘Te Bårå-Boedoer’.Zijn tekst voor het plaatwerk werd door het Koninklijk Instituut voor Taal-, Land- en Volkenkunde in Den Haag echter met een andere tekst van de tekenaar Wilsen gegeven aan dr C. Leemans om tot een door deze samengesmolten en bewerkte definitieve tekst te dienen. Brumund, hierdoor gegriefd, correspondeerde druk over de zaak met het Departement van Koloniën, maar te vergeefs.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 329-330

[G.G. – Coen] 

Men ‘bouwt’ een kolonie, of niet. Hadden ‘wij’ het niet gedaan, de Engelsen of Portugezen waren hier baas geworden, met minder uiteindelijke zegeningen voor blank en bruin, willen wij hopen. Ere dus Coen, onze grootste koloniebouwer, iemand die men werkelijk niet zomaar een ‘rover’ kan noemen, iemand met een groot en diep hiërarchisch gevoel, voor de Heer niet alleen, maar ook voor de Heren Zeventien, zoals de Godée Molsbergen overtuigend betoogt als het erop aankomt het uitmoorden van de Bandanezen te verklaren. Coen is bovendien een soort van heilige, waaraan het in Indië streng verboden is te tornen; de minste critiek op Coen, en de kranten schallen van verontwaardigde tegenzangen. Coen’s al te grote gestrengheid in het geval Saartje Specx betreurt dr. Godée Molsbergen ook, maar in gepaste mate en als een buitenissigheid; Slauerhoff’s visie van Coen als mengsel van calvinisme en sadisme – een mengsel dat in on-freudiaanse tijden gemakkelijk tot stand kwam – is des duivels voor het normale nederlandse gemoed in Indië, inbegrepen dat van de ‘intellectueelen onder de massa’. En dat zowel het optreden in de zaak van Saartje Specx als tegen de Bandanezen twee symptomen zouden kunnen zijn van éénzelfde wreedheid, het is niet van zóveel belang, historisch gesproken, en zelfs de waarheid daarvan hoeft niemand te beletten Coen te bewonderen. Men vergete niet dat deze man, ‘rover’ of niet, met zijn handjevol mensen op een zo grote afstand van het vaderland, heel wat genialer was dan een Mussolini, en dat de verovering van Jacatra, van hoe weinig belang als krijgsprestatie dan ook, een heel wat gedurfder onderneming was dan de verovering van Abessynië. En er zijn meer Abessijnen gedood dan Bandanezen ... Coen, concurrent bovendien van Portugezen en Engelsen, en dus een drievoudige vijand te slim af, verdiende de naam die de bantamse kronieken met een geslaagde woordspeling aan Pieter Both gaven: die van Pienter Reboet = knap in (de mêlée van) het afpakken.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 334-335

[Jakarta 2 – Tugu] 
[Jakarta 7 – Tugu] 

Bij Toegoe, niet ver van Tandjoeng Priok, de haven waar Batavia nu zo trots op is, naar de kant van de Tjitaroem toch weer, werd een steen ontdekt ‘van eenigszins conischen vorm’, nu in Batavia's Museum ondergebracht, waarop de grote Kern ontcijferde: ‘Door een sterkarmigen, eerwaardigen oppervorst eertijds stroomde de Candrabhâgâ, na de genoemde (of: een beroemde) stad bereikt te hebben, in zee; (namelijk) door den doorluchtigen Poernawarman, die door voorspoed en deugden schitterde en boven andere vorsten uitmuntte, in het 22ste jaar zijner gelukkige regeering. Door wie, na begonnen te zijn op de 8ste der donkere helft van de maand Phâlgoena, voltooid werd op de 13de van de lichte helft van Caitra, in 21 dagen, de schoone rivier Gomati, met helder water over een uitgestrektheid van 6612 booglengten; die na het kamp van den koninklijken ziener en aartsvader doorkliefd te hebben, voorwaarts gaat met de Brahmanen, welke met een duizendtal koeien beschonken werden’.
Men zou dit ‘beschonken’ niet door ‘begiftigd’ vervangen willen zien; het idee van deze Brahmanen, beschonken maar met duizend koeien langs d.w.z. met de schone rivier Gomati zeewaarts trekkende, is charmant. De inscriptie werd later natuurlijk ook nog anders gelezen en de 6612 booglengten werden er 6122, wat tot 11 of tot 19 K.M. schijnt te kunnen worden omgerekend. De schone rivier Gomati, een ‘aftapping’, een kanaal – een soort bandjirkanaaI uit de IVe eeuw of het begin van de Ve eeuw na Christus? – moet dus worden opgevat als een wonderwerk. Het zijn, volgens mijn bescheiden mening, ondankbare lieden, die de poëzie van deze, bij alle geleerdheid misschien maar halfjuist vertaalde, inscripties ‘vervelend’ vinden, ‘alleen voor geleerden van belang’, enz.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 412, 415-417

Professor G.H. Bousquet (van de Universiteit van Algiers) heeft Nederlands-Indië bezocht en zijn bevindingen opgetekend in een boekje dat alle aandacht verdient: La Politique Musulmane et Coloniale des Pays-Bas (In een Collection du Monde Islamique, Paul Hartmann, Paris 1939). In tegenstelling tot de hollandse specialiteiten, die veelal dit soort rapporten schrijven, is de heer Bousquet door geen enkel ambt of andere positie tot verbloemen van zijn opinies genoopt en hij geeft ze dan ook met een vrijmoedigheid die de leerzaamheid van deze kijk-van-een-vreemdeling op de nederlandse koloniën zeer verhoogt. Ik wens dit boek hier minder te bespreken dan ertegen te spreken, met dezelfde vrijmoedigheid die de auteur zo siert. […]
Maar eerst: wat hem [prof. Bousquet] bij aankomst te Batavia al dadelijk met ontsteltenis vervuld heeft is, dat de Hollanders de inheemse bevolking geen hollands hebben leren spreken, maar zichzelf verlaagd hebben tot het spreken van dat bespottelijke sabir (negertaaltje) dat voor maleis doorgaat. De Hollander, zegt hij verderop, moge beweren dat hij dit maleis verkozen heeft om niet door zijn bedienden te worden verstaan als hij in zijn familiekring hollands sprak; of omdat hij het een voordeel achtte om zelf niet verstaan te worden terwijl hij de inheemse bevolking wèl verstond; dat alles is de ware reden niet. Die is: dat de Hollander op deze wijze zijn superioriteit wenst te handhaven en dat het gebruik van het hollands de mindere te dicht bij de meerdere zou brengen, wat vermeden moest.
Dit is natuurlijk volkomen juist, en men kan dit gevoel nog iedere dag nagaan bij de vele Indo-Nederlanders bijv. die het als een persoonlijke belediging ondergaan wanneer een 'inlander' hen in het hollands aanspreekt. Een 30 jaar geleden reageerden volbloed-hollandse bestuursambtenaren nog precies zo. Bij ietwat ouderwetse planters vindt men nu nog deze begrippen omtrent hormat en gebrek-aan-hormat. Overigens voegt de heer Bosquet er zelf aan toe, is deze toestand verdwijnende.
Maar nu, op blz. 161, vindt de heer Bosquet een nog diepere reden dan bovengenoemde, tenslotte zeer practisch gerichte, van superioriteitsbehoud; hier is het, of het niet hollands maken van de inheemse bevolking gevolg is van de vrijheidszin in de Hollander zelf; wat daar plat antipathiek was, wordt hier nog aardig idealistisch getint, al is het dan van een soort idealisme dat de heer Bousquet afwijst. De Hollanders, zegt hij, hebben de enorme fout begaan (cursivering van hem) zich in hun betrekkingen met de inheemse bevolking van een inheemse taal te bedienen, en hierin is een verbazingwekkend gebrek aan politieke psychologie te constateren, want op deze wijze versterkt men het éénheidsgevoel van de verschillende inheemse volken, wat neerkomt op een ondermijning van de eigen positie. Evenals de heer Colijn – en hoevele andere Hollanders! – ziet de heer Bousquet in deze taalkwestie een ernstig gevaar. Maar ... als men blz. 161 leest, merkt men dat het dus een hollandse deugd is, de hollandse vrijheidszin immers, die de inheemsen deze vrijheid liet. Zonder meer te letten op wat hijzelf eerder verklaard had als, misschien verkeerd streven, máár streven naar machtsbehoud, holt hij dan door naar een conclusie:
‘De Hollanders, zegt hij, kunnen niet groot zien (in het koloniale wel te verstaan), want dit is niet te verenigen met hun nationale ideologie (d.i. nog altijd: de hollandse vrijheidszin). In dit stadium van de discussie, wordt het standpunt verdedigd door De Stuw het enig logische, het enige dat beantwoordt aan het nederlandse ideaal, maar, zoals wij aangetoond hebben, de consequentie daarvan in de onafhankelijkheid van Indië’. *)
Over het standpunt van De Stuw (dat hij, men vergete dit niet, ontoelaatbaar acht) heeft de heer Bousquet zich uitgesproken op blz. 149-150. Hij achtte daar deze houding ‘zuiver negatief’; deze groep nauwelijks verschillend van die der indonesische nationalisten, want hun devies leek hem tenslotte óók te zijn ‘los van Holland’; en deze houding komt neer, zegt hij, op het niet meer willen toesteken van de hand, op het willen terugtrekken van die hand, omdat men vindt dat die te hard geknepen heeft. – Het beeld is niet onaardig, als men zich op het standpunt stelt dat de beste vader diegene is, die zijn zoontje altijd aan de hand houdt; voor wie nooit een moment komt waarop het zoontje los mag lopen.
*) Ik veronderstel als bekend de opvattingen van de groep van De Stuw, bestaande uit juristen en andere intellectuelen, en vrijwel geheel gelijk aan wat men de ‘leidse’ opvatting noemt; opvattingen die voor de koloniale ‘diehards’ vanzelfsprekend cerebraal, défaitistisch, onverantwoordelijk zijn, en alleen maar lachwekkend idealistisch zolang ze niet gevaarlijk worden.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 426

[Yogyakarta 2 – Ki Hadjar Dewantoro] 

Ki Hadjar Dewantoro*) vindt hij een opmerkelijke persoonlijkheid. Maar voor het geluk van de Hollanders bezit Indonesië noch een groot leider noch een grote partij, zoals Brits-Indië; noch een Congres, noch een Gandhi. Hij zegt erbij dat de Hollanders zich hier overigens geen rekenschap van geven. Werkelijk?
*) De gewezen Soewardi, die eens met E.F.E. Douwes Dekker werd verbannen. Onder de naam Ki Hadjar (wat zoiets betekent als geleerde vader) Dewantoro staat hij thans aan het hoofd van de Taman Siswo-scholen die een onderwijs beogen, niet op westerse maar op oud-javaanse grondslag. De westers-georiënteerde jongere indonesische intellectuelen verzetten zich meestal tegen deze cultuur, die hen ‘alleen maar kan doen inslapen’, naar zij zeggen, ook als zij de waarde van Dewantoro als mens en figuur wel willen erkennen.

Du Perron – Verzameld Werk VII, 433-434

[Jakarta 7 – Parlementaire strijd] 

Wanner de heer Bousquet de ‘administratieve tyrannie’ behandelt (blz. 88-92) en het grapje van Furnivall citeert, dat de engelse koloniale ambtenaar een baboo is, wat zoiets schijnt te betekenen als een bureaucraat, maar de hollandse een baboe (hier speciaal in de betekenis van kindermeid); wanneer hij de bemoeizucht van de hollandse administratie met de persoonlijke taken van de Indonesiër veroordeelt, weet men precies waar hij staat. Evenzo als hij de Volksraad behandelt en de instelling daarvan prijst (blz. 105), niet om de ‘schoonheid van het gebaar’, maar om de politieke handigheid ervan: ‘een tegenstander is minder gevaarlijk in een woelige vergadering dan achter de schermen’, en ‘zeker indonesisch nationalist heeft op mij de indruk gemaakt het hoofd te zijn geworden van Her Majesty's most Ioyal opposition’ (dit compliment kan slechts bedoeld zijn voor de heer Thamrin).