Thomas & Eras, 's-Gravenhage 1978 (1ste druk in 1912)

Ido – De paupers, 5-7

[Jakarta 2 – Justitie] 

Als ware het zich van zijn gewichtigheid en macht bewust, stond daar het witte, in Oud-Griekschen stijl opgetrokken gebouw van den raad van justitie aan den oostelijken zoom van een breed grasveld, waarlangs de tram reed, die nu, gelijk elken morgen, een schare witgekleede kantoorheeren stadwaarts bracht. De zon begon al geducht te steken en de wriemelende witte massa, uit de tram gestapt, verspreidde zich haastig naar alle richtingen, om de warmte zoo spoedig mogelijk te ontvluchten en te bekomen in de behaaglijk koele kantoren der oude stad.
Van uit de ruime voorhal van het gerechtsgebouw stond een geheel in ’t zwart gekleede man rustig en wijdbeens te kijken naar het schouwspel der gaande en komende trams, die geregeld werden afgewisseld en de lucht deden weergalmen van bijna onafgebroken belgeklingel. Zijn silhouet stak sterk af tegen de versch gekalkte zuilen en muren van het gebouw, waarin hij geen vreemde scheen te zijn, want verscheidene voorbijgangers groetten hem vriendelijk, niet alleen Europeanen, maar ook enkele Chineezen en Arabieren.
In de benedenstad kende iedereen Sam Portalis, den deurwaarder van den Raad, met zijn kapje van kortgeknipte, zilverwitte haren boven zijn donkerbruin gezicht, waarin, zoo vaak hij glimlachte, een blank en nog gaaf gebit tusschen de dikke lippen te zien was. En hij glimlachte dikwijls. Zijn oogen, diepzwart, doch door de jaren als met 'n blauwig waas overneveld, dat er den glans 'n beetje van verdofte, hadden een goedige, tevreden uitdrukking. Hij was nogal lang van postuur, en mager; het door ouderdom tot groen verkleurd lakensche rokcostuum, dat hij ambtshalve droeg, hing hem los om de knokige leden en was van een totaal gedemodeerde snit, terwijl zijn overhemd, vooral aan de manchetten, rafels vertoonde. Een halsketen, het teeken zijner waardigheid, bengelde ietwat grotesk over zijn platte borst. In die quasi-deftige dienstkleeding geleek zijn donkere, eenvoudige persoonlijkheid onwillekeurig een caricatuur. Maar daar kon hij niets aan doen en degenen, die hem kenden, wisten zijn eerlijk en gevoelig gemoed te waardeeren. En hij was gelukkig in de achting, welke hij achtereenvolgens mocht ondervinden van alle presidenten en leden der rechterlijke macht, die gedurende zijn talrijke dienstjaren den gevreesden drempel van het paleis van justitie hadden overschreden. Nu juist weer was Sam Portalis zeer gestreeld, toen de voorzitter van 't Hof, mr. Van Vierzen Pel, de trappen opklimmend, hem in 't voorbijgaan even toesprak op vriendelijken toon:
“Morgen, Sammetje ! 't Wordt vandaag weer dienstkloppen, he? Maar we hopen nu toch 'n eind te maken aan die moordzaak. Dan heb jij 'n paar dagen rust en dan kan je overmorgen naar hartelust ..."
“Dus u weet ... meneer de president ... ?" vroeg Portalis verwonderd.
“Wel wis en waarachtig weet ik 't. Ik ben wel nog niet zoo lang hier, maar van jouw deurwaardersroem had ik al gehoord toen ik nog griffier was ergens in 't binnenland."
Portalis grinnikte van genoegen, terwijl mr. Van Vierzen Pel voortging:
“Vijftig jaar trouw op je post, dat wil wat zeggen, ouwe jongen! ’t Is kranig, hoor, Sam, en ik hoop dat je overmorgen 'n gelukkigen dag mag beleven."
“Dank-i, dank-i, meneer de president...”, antwoordde Portalis onder vele onderdanige buiginkjes.
Toen liet mr. Van Vierzen Pel den ietwat verbaasd-verlegen deurwaarder alleen, om in de wachtkamer der advocates zijn toga over zijn wit pak aan te trekken.

Ido – De paupers, 24

[Jakarta 6 – Mode Atelier] 

Hij veegde zich de vettige lippen met de linkermouw af, en vroeg toen op gedempten toon, terwijl hij Tietie niet aanzag:
“Zeg ... Tietie is ... Lien in al die dagen niet hier bij je geweest?"
“Lien Smits? Neen, geen enkele keer. Ze kon geen permissie krijgen van de weesmoeder en ook niet van de menschen waar ze bij werkt."
“Is ze nog altijd bij die modiste op Pasar Baroe?“
"Ja. Och, ze heeft 't daar goed, hè."
"Hoeveel krijgt ze daar ook weer?"
“Tien gulden."
“Schandelijk betaald. 'n Goeie baboe verdient nog meer."
“Maar ze is 's avonds vrij."
“Dat moest 'r nog bijkomen ! Dus je hebt d'r in lang niet ontmoet?"
"In geen twee weken. Maar ze komt vandaag. Als, ze 'r ten minste aan denkt.
“Waaraan?"
“Wel, aan Pa's feest. Toen ik 'r 't laatst sprak, beloofde ze stellig te komen. Nou, Boong, ik kan Tjang werkelijk niet langer laten wachten. Ze moet nog heelemaal gewasschen en gekleed, kasian, en ik had haar zoo beloofd, haar vandaag vroeger dan anders te helpen. Ach, jij ook, waarom hou je me zoo lang aan de praat!"

Ido – De paupers, 28-30

[Jakarta 6 – Groote Huis] 

Hij gevoelde heelemaal geen drang in zich naar verbetering van zijn bestaan, en als hij hoorde van z'n kennissen, dat een van hen promotie gemaakt of een voordeeliger betrekking gekregen had, liet hem dat onverschillig. En dat gemis van drang naar vooruitgang, die onverschilligheid voor lotsverbetering, die tevredenheid met den bestaanden toestand van zijn innerlijk en uiterlijk leven waren 't, die hem telkens in botsing brachten met de verstandigsten onder zijn familieleden. In de eerste plaats met zijn grootvader, Sam Portalis, met zijn oom Dorus, die bij de gasfabriek werkte, en met diens zoon Vincent. Deze neef had na afgelegd kleinambtenaarsexamen het zoo ver gebracht, dat hij nu derde commies was bij het departement van financiën.
Zoo hoog was nog nooit een Portalis geklommen. Geen wonder, dat de gansche familie Vincent beschouwde als de beste loot van den ouden stam, die eeuwen terug, ten tijde der Oost Indische Compagnie, wortelde in Portugeeschen grond. Werd Boong, de zoon van John, gefêteerd om zijn mannelijke schoonheid, Vincent was om zijn leergierigheid en vroegtijdig ambtenaarschap de trots van ouders, grootouders, broer en nichten. Dat wist Boong heel goed, en daarom had ie stierlijk 't land aan Vincent: hij kon 'm niet uitstaan.
Ze waren beiden van denzelfden leeftijd, doch gingen weinig met elkaar om en zagen elkaar niet dikwijls. Boong vond dat best, was nooit op z'n gemak in gezelschap van Vincent, die, zonder opzet, hem bij zoo'n samentreffen steeds een beschamend voorbeeld toonde van wat hijzelf ook had kunnen worden, indien hij ’t slechts ernstig gewild had. Samen waren ze op dezelfde lagere school en met ieder nieuw jaar in dezelfde klasse geweest, tot Boong er eensklaps den brui van gaf, van school wegliep om een jonge ronggèng te volgen. Hij was toen vijftien jaar, ja, dat herinnerde ie zich nog zeer goed ...

Ido – De paupers, 44-46

[Jakarta 2 – Raad] 

Sam Portalis voelde, dat hij er niet meer aan ontkomen kon. Aller aandacht was nu gespannen op hetgeen hij vertellen zou. Hij moest nu vertellen dàt, waarvoor hij zoo gevreesd had. Het ontroerde hem, maar hij trachtte zich zoo goed mogelijk te beheerschen. Er kwam 'n trek van verlegenheid om zijn mond, toen hij aarzelend begon:
“Och, ze hebben mij wel vriendelijk ontvangen, de raadsheeren, en mr. van Vierzen Pel hield 'n toespraak ... dat was in de advocatenkamer ..."
“Wat zei die wel?" vroeg Boong naderbij tredend.
“Hij fieliseteerde mij en de andere heeren fieliseteerden mij ook, zeiden dat 't kranig was, zoo vijftig jaar aan één stuk. En dat 'r weinig, héél weinig deurwaarders waren zooals ik ... zoo trouw op post ... nooit ziek ... nooit met verlof geweest ... soedah-làh, al die mooie dingen meer..."
“En toen, grootpa?" wilde Nini weten.
“Toen, nou, toen hebben ze me weer ’n hand gegeven, en hebben ze sjampanje open laten trekken door de oppassers . . ."
“En heb u óók gedronken? Hè, lekker, ja?" vroeg Nini, 'n paar malen smekkend met haar tongetje. “Waarom niet voor ons bewaard en meegebracht?"
“Grootpa heeft maar 'n beetje gedronken", vervolgde Sam. “Je weet, kind, grootpa kan d'r niet meer tegen, 'n half glaasje maar ... zóó. ’t Stijgt direkt naar m'n kop."
“En die andere heeren?" vroeg Boong.
“O, die kunnen d'r best tegen. Ik geloof vijf flesschen hebben ze opgemaakt met 'r zessen ..."
“En toen, grootpa?"
Op deze vraag van Nini zweeg Sam even.
Merkbaar zocht hij naar een geschikt antwoord, trok sterk met de lippen aan z'n strootje, omhulde zijn gezicht opzettelijk met wolken rook, dat z’n oogen gingen tranen, en zei eindelijk, blij-zuchtend dat het er uit was :
“Toen? Toen niks meer, Nini. Zijn ze naar huis gegaan."
“Jaaa … !!I" riep Nini in hoogste verbazing uit.
En alle aanwezigen konden niet nalaten 'n woord of 'n geluid van verwondering en teleurstelling te uiten.
Volgde een korte poos volkomen stilte. Ieder dacht er het zijne van, tot Nini, die het maar niet verkroppen kon, vreezend den ouden man pijn te doen, 'n beetje terughoudend vroeg:
“En ... en ... hebben ze u dus niks gegeven, grootpa?”
Sam Portalis hield zich goed, maar ’t was toch met moeilijk bedwongen tranen in z’n oogen en 'n van innerlijke ontroering trillende stem, dat hij antwoordde :
“Waarvoor zouen ze grootpa wat geven, non? 't Is immers niet nóódig. Ze hebben me mooi toegesproken, me de hand gegeven en sjampanje op mijn gezondheid gedronken. D'r was geen dienst, ze zijn toch maar gekomen, en die sjampanje heeft hun toch geld gekost, niet waar?"
“Nou ja", zei Boong wrevelig, “die hebben ze zelf opgezopen. Zes heele flesschen met 'r vijven, 'n lekkere boel…"

Ido – De paupers, 57-58

[Semarang 2 – ’s Lands Kas] 

"Maar zeg, Lex van wie toch zijn deze kinderen?"
En onder het duchtig hanteeren van vork en lepel door een berg van rijst op z'n bord, vertelde de korporaal:
"Jullie weet, ik heb op Atjeh met 'n kameraad geleefd, die m'n boezemvriend was. Hij was 'n echte totok, maar hij mocht mij altijd graag lijen en ik hield ook veel van hem. Ik heb veel van hem geleerd: 'n beetje Fransch, aardrijkskunde en dammen. Hij liet mij boeken lezen. Nou dan, Van Zon, zoo heette hij, werd geëvacueerd naar Semarang, waar ik al 'n jaar eerder geplaatst was. Hij moest geopereerd. De majoor dokter zei, 't was levensgevaarlijk. Toen riep Van Zon mij den avond vóór z'n operatie bij zich aan bed .... kasian, de arme kerel .... en toen zei-tie tegen me: "Zeg, Portalis, als 'k in die kerverij blijf," – dat wil zeggen, als ie d'r van dóór ging, begrijp jullie? – "nou, dan kan 't me niks verdomme, zeit-ie, maar .... m'n kinderen, zie je, m'n kinderen .... waar moeten die stumperds naar toe? Naar 't weeshuis, dat vertik ik. Hun moeder is toen van me weggeloopen en ik zit al 'n paar jaar aIIéén met ze .... Zeg, Portalis, wil jij....àls ze me naar de andere wereld geholpen hebben .... wil jij dan niet mijn kinderen. ..."
Ik liet 'm natuurlijk niet uitpraten, hè, – dat zouen jullie ook niet gedaan hebben, wat? – en ik heb hem plechtig op m'n woord beloofd, dat ik voor Pim en Non zou zorgen zoolang ik kon .... Toen was ie gerust. Ik nam afscheid van 'm en twee dagen daarna heb 'k m'n armen kameraad begraven ...."
Een poosje was 't stil in den kring.

Ido – De paupers, 62-64

[Jakarta 6 – Kantor Pos] 

Boong was nu juist bezig zijn kornuiten de geschiedenis van de zes flesschen champagne te verhalen in verband met het jubilee van zijn grootvader. Hij had zich daarbij opgewonden en zijn gloeiende verontwaardiging deed ook in de gemoederen der anderen de ergernis ontvlammen. De opwinding werd aanstekelijk en nam langzamerhand een vorm en een kracht aan, welke heeIemaal niet meer in verhouding waren tot de oorspronkelijke aanleiding. De heeren van den Raad werden in de gedachtenwisseling dier nachtbrakende Indo's ten slotte voorgesteld als beulen, die een beambte met vijftig dienstjaren geen onderscheiding waardig keurden en hem zich dood lieten werken. Zóó waren de manieren van die hooge lui, zóó beloonde de regeering haar trouwste dienaren; stank voor dank kreeg je bij ‘t gouvernement.
“Dáárom zeg," beweerde Lammers, een lange, uitgedroogde figuur ondanks zijn twee-en-twintig jaren, “dáárom ik partiklier sadja. Alles toch maar pertjoema. Bij goeverment ze nemen nu allemaal sjineezen en inlanders. Kijk maar bij de post. Vroeger postzegel, briefkaart, gollandsche commiezen verkoopen, maar nu. . . ."
“Natierlijk", sprak Krol, 'n stoere Indo, met oogen, die zijn Mongoolsche afkomst verrieden, “dat is immers goedkooper werken. Tjoba, ’n blanda moet minstens vijftig pop traktement hebben, maar zoo’n inlander of zoo'n sjinees, wat kan 't de kerel verdomme, als-tie twintig pop krijg, is-tie tevreden. Natierlijk, ach zeg, goeverment altijd bezuinigen, tra lain bezuinigen."
“ 't Is toch geen reden," meende Boong, “om inlanders en Chineezen vóór te trekken. De regeering moet eerst voor óns, Indo's, zorgen, en dan pas voor inlanders en Chineezen. Eerstens zijn wij toch óók Europeanen, ten minste van Europeesche afkomst. ...”
“Maar óók van inlandsche afkomst,” merkte Perisa, 'n kleine, donkere gestalte, nuchter op.

Ido – De paupers, 72-74

[Jakarta 3 – Kapitein-Chinees] 

De koetsier verstond dat besluit, legde de lange, stijve zweep over het nog amechtige paard en voort ging 't weer, rinkelbellend en hoefklepperend door het slapende Chineesche kamp benedenstadwaarts.
De sadokoetsier reed op het geluid van den gamelan af in zuidelijke richting, en spoedig waren zijn passagiers het met elkander eens, dat de wajang bij den kapitein-Chinees zou zijn, die, zooals zij zich nu herinnerden, sedert eenige dagen feesten gaf, omdat zijn zoon trouwde. Dat beloofde 'n gezelligen avond, meenden de metgezellen hoe was ’t mogelijk dat ze er niet eerder aan gedacht hadden! En ongeduldig werden ze. Wijl het al zoo laat was in den nacht. Ze hitsten den koetsier op, om sneller te rijden, porden hem aan met stompslagen in zijn rug, namen eindelijk zelf de zweep in handen en sloegen er beurtelings het reeds afgejakkerde paard mee om de zenuwachtig-gespitste ooren en tegen de witbeschuimde flanken.
Zoo kwamen ze binnen een kwartier daar, waar ze wezen wilden.
Op het groote voorerf van den kapitein-Chinees waren langs de zjjden lange, met atap overdekte gaanderijen van bamboe opgesteld, waar een massa speeltafels, voor de gasten, op kleinen afstand van elkaar stonden, elk verlicht door een eenvoudige staande petroleumlamp. Ieder tafeltje was bezet door een viertal partners.
Inlandsche bedienden liepen er tusschen af en aan, om dranken en sigaren te presenteeren. Er waren uitsluitend mannelijke Chineesche gasten van allerlei leeftijd; de vrouwen werden in het hoofdgebouw ontvangen en zaten daar in een grooten kring te praten en te snoepen.
In het midden van het erf was een vrij hooge stellage van kadjang, bamboe en atap aangebracht, die tot een tooneel diende. Op die tribune werd door fantastisch uitgedoste Chineesche acteurs juist een voorstelling gegeven bij het grillig-flikkerend licht van pekfakkels.
Het grasveld daaromheen stond vol nontonnende inlanders en Chineezen, waartusschen enkele Indo's. Oorverdoovend lawaai van bekkenslagen, dat, bij wijze van muziek, verscheurde de door zwarten fakkelwalm doortrokken atmosfeer, terwijl een Chineesche hobo, met intens gillende, nasale toonen, mede de handelingen der tooneelspelers begeleidde.
Op een ruwhouten bank zaten eenige blijkbaar gegoede, jonge Chineesche meisjes, schitterend van juweelen aan de ooren en in het zwart glimmende haar, blinkend van gouden kettingen, borstspelden en armbanden. Gladsluitende zijden baadjes deden heur halfontloken lichaamsvormen duidelijk uitkomen en glansden in het helle licht der fakkels. Zij waren dochters van gasten, geleken fijne, glinsterende, exotische bloemenfeetjes te midden der grove inlandsche gemeente. De meesten hadden beeldige gezichtjes, prachtig van kleur, de kleur van theeroosknoppen, met kleine handjes en voetjes, teer en broos als van porseleinen poppen. Zij zaten op een rij stil toe te kijken; de rijkgecostumeerde acteurs op de tribune boeiden haar zeer. Sommigen zagen staroogend met van bewondering open mondjes naar hen op: de stinkende roetwalm der halfuitgebrande fakkels scheen haar niet te hinderen, en in haar verbeelding verhoogde het bekkenlawaai de dramatiek der wajangvoorstelling.

Ido – De paupers, 91-92

[Jakarta 6 – Tepekong] 

In de kleine, donkere badkamer van John's huis, dat achter Pasar Baroe lag en uitzicht had op een sawah met hier en daar oude Chineesche graven, waren Nini en Dal bezig zich te kramassen. Zij hadden niets anders aan het jonge, welgevormde lijf dan een sarong, die onder de armen even boven heur boezem was vastgedraaid in een knoop. Heur weelderig, lang, zwart haar hing los en was zoodanig langs een zijde van het hoofd neergelaten, dat zij het gemakkelijk wasschen konden boven een aarden kom, met inktkleurig water gevuld. Dit water was een aftreksel van gebrande marang. Op den rand van den mandibak stonden twee kleinere, witte kommen gereed, vol bloemenwater; er dreven kenanga's, melatti's en rozenblaadjes in.
De badkamer was eenigermate donker door de vochtige wanden, welke een vuilgroen-bruine kIeur hadden. Door een enkele glazen dakpan schoot een bundel zonnestralen, waarin ontelbare stofjes zweefden, naar binnen, schuin in den bak.
Het was er vochtig-koel en het rook er zoetig door de bloemen. Nu en dan klaterde het bakwater een poos op den rood-steenen vloer, zoo dikwijls een der meisjes het met een blikken handemmertje er uit schepte. Dan spatten de droppels als een diamantenregen naar alle kanten heen.
Het was een lustig geplas en gekletter, en de meisjes, wier hoofden verborgen waren als onder een mantel van haar, die in heur gebogen houding bijna tot op den vloer afhing, hadden schik in die bedrijvigheid. Zij wieschen zich de hoofden tot het schuim in dichte vlokken tegen haar lijven klefde. Een beetje amechtig onder het gedoe, vroeg Nini aan Daï:
“Waarom wil jij toch die Willems niet hebben, Da? Kasian, die vent is smoor op jou."
“Dank je wel, zoo'n leelikert !" klonk het achter de andere haarmassa.
“Hij heeft toch mooie betrekking. Is tie niet komies bij de pos?"
“Ach neen, ach. Wit niet."
“Ik vind dom van jou. Wees blij dat je zoo’n vent krijg, zeg. Of wach je misschien op 'n onderluitenant? Zure druiven, zeg!"
“Verbeeld je! Ik wil niet die Willems met z'n koeping lowoh! Neem jij gem zelf."
“Lôh!" – Nini lachte schaterend, dat het echode in de vochtige, kleine badkamer.
“Ik wil in betrekking, zeg ik je. Grootpa zeg, meester Vierzen Pel hij zoek ’n juffrouw voor zijn zieke vrouw te helpen in de guisgouding. Grootpa zal voor mij vragen ...”
“Owah, denk je dat je krijg, massah! Die totoks, ze zeggen allemaal dat wij nonna’s zijn. En hoe wil jij verkeeren bij zulke googe lui. Ze lachen je maar uit immers. Koh jij wil. Ik niet. Trima kassi!”
“Als ik niet probeer ja, ik ken niet. Al doende leert men, zegt Vincent altijd, en ik wil ook als hij. Ik wil googer op”.
Nina lachte weer hartelijk. Zij wist, dat haar zuster al lang neiging verried om het te zoeken buiten den kring van hun aller leven, dat haar verlangens trokken naar een andere, betere omgeving.
Daï, zoekend naar een motief, waarmee zij Nini ook plagen kon, zei eindelijk:
“Ik doe in ieder geval beter dan jij, weet je dat? Jij altijd maar wil naar die stamboel, ik geloof waarlijk, dat daar is een djantoong hati van jou daar”.
Nini’s heldere lach weerkaatste tegen de wanden van het enge badkamertje.

Ido – De paupers, 180-181

[Jakarta 7 – Grootste plein] 

Over het groote stadsplein, dat 's avonds geleek op een haven, waarvan de kaden gevormd werden door de boomenrijen langs de zoomen, begon langzaam de ochtend te gloren. Heel laag boven het wijde grasveld hing een mist, die in gelijke verhouding tot het toenemende licht transparanter werd. Talrijke vogels tjwetterden en kwinkeleerden in de boomen en vlogen lustig van tak tot tak. Hun aantal verminderde echter hoe lichter het werd, en toen de zonnestralen over het ruime plein heenschoten, het landschap koesterend met warmte, waren de boomen bijna geheel verlaten.
Ook de wandelaars op het geasphalteerd trottoir tusschen de rijen tamarinden werden zeldzaam.
Maar op de wegen groeide de drukte aan van clubjes schoolgaande kinderen, ventende inlanders, auto's en buggy's van kantoorheeren; daartusschen een waterkoelie, die, primitief nog, den weg besproeide uit draagtonnen, waaraan gietertuiten waren aangebracht.
De volle dag was aangebroken en de gansche samenleving was aan het werk getogen. Ook in het huis van mr. Van Vierzen Pel ging alles zijn gewonen gang.
Hij zelf had zich juist gebaad en, vervuld met het plan om Daï te spreken en te ontslaan, stak hij, den handdoek over den linkerschouder en het zeepbakje in de rechterhand, de achtergalerij over, willende doorloopen naar zijn slaapkamer. Zoo deed hij elken morgen en moest dan voorbij het cabinetje van de huishoudjuffrouw, voor deze ingericht om er zich te verkleeden en te verfrisschen. De deur van dit kleine vertrek was altijd gesloten – mr. Pel had 't ten minste nooit anders gezien, – maar nu, op het oogenblik dat hij daar langs kwam, stond zij open, en onwillekeurig keek hij in het cabinet.
Een schok voer hem door de forsche gestalte. Daï, zoonet van huis gekomen, was bezig haar rok en blouse te verwisselen voor een sarong-kabaai, zooals ze die gewoon was bij het huishoudwerk te dragen. Naar het scheen had zij verzuimd de kamerdeur te sluiten of was deze vanzelf opengegaan, en ten halve met den rug naar de deur gekeerd, merkte zij niet, dat zij, staande in heur koetang en sarong, zichtbaar was van buiten.

Ido – De paupers, 222-225

[Bandung 1A – Indo-Europees] 

“Ik zou wenschen, dat we, ik bedoel alle Indo's, over heel Indië een bond vormden, een broederbond. Jullie hebben toch wel eens gehoord van de spreuk: eendracht maakt macht? Welnu, wij zijn ruim zestigduizend sterk, maar we kunnen niets beginnen, niets in ons belang doen, als we niet op elkaar steunen kunnen in de wereld. We moeten ons laten vertrappen door de totoks en laten op zij duwen door Chineezen en inlanders. Het gouvernement steekt ons geen hand toe in onzen strijd om 't bestaan. Maar het helpt wel inlanders. ’t Is 'n schande, zooals die tegenwoordig voortgeholpen en gesteund worden. En dat gaat alles ten koste van ons, Indo's. Hebben jullie dat niet zelf ingezien, niet zelf ondervonden?"
“Waarachtig, 't is waar," antwoordde Boong met overtuiging. “Nergens kunnen wij werk vinden, omdat inlanders, die tegenwoordig even veel, ja, meer kennen dan wij, ons verdringen en met minder tractement tevreden zijn."
“Juist. En dat is onrechtvaardig van 't gouvernement. Bij de geboorte worden de Indo's wel met Europeanen gelijk gesteld, maar later, als ze ouder geworden zijn en zich op die gelijkstelling willen beroepen, worden ze voor minderwaardig aangezien en is er van een feitelijke gelijkstelling geen sprake. Al drie eeuwen lang heeft de regeering zóó met ons gehandeld, drie eeuwen lang zijn wij het slachtoffer van die misdadige misleiding. En tot overmaat van ramp, voert het gouvernement de opvoeding en het onderwijs van de inlanders zóó hoog op, dat zij in de maatschappij boven ons verkozen worden. Ieder van ons ondervindt dit dagelijks. Is 't waar of niet?"
“’t is waar, zeg, ’t is waar. Ja, waarom toch, hè?” sprak Perisa als voor zich uit.
“Wel, omdat de regeering niet veel beter voor ons onderwijs gezorgd heeft. In vroeger tijd was ze bang om ons behoorlijk onderwijs te geven – bang, dat we daardoor meer zelfstandigheid zouden verkrijgen, begrijp je? Maar nu, in dezen tijd, nu het Oosten ontwaakt op het voorbeeld van Japan, nu durft ze niet langer weerstand bieden aan den drang der tijden. Evenwel, nu zijn ’t de inlanders, die van ’t onderwijs profiteeren. Voor ons, Indo’s, is ’t te laat ... De inlanders zijn ons voor. ’t Is een hemeltergende onrechtvaardigheid, ’t is gemeen!”
Beumer, een jongmensch nog, maar met iets geposeerds en zelfbewusts over zich, had, onder het spreken, zijn bami koud laten worden. Hij kleurde van verontwaardiging en zijn donkere ogen lichtten vurig.
“Ik heb over die dingen lang nagedacht”, hernam hij, een beetje kalmer. “We moeten trachten een verandering in den toestand te brengen ...”
“Hoe kan dat?” vroeg Boong.
“Zooals ik zei: we moeten ons meer aaneensluiten”.
“Om wat te doen?”
“Om invloed uit te oefenen op de handelingen der regeering. Zij moet eenmaal rekening houden met onze wenschen, onze belangen en ... onze overmacht. Dáárheen moeten wij het sturen”.
“Mijn chef is een totok”, vertelde Lammers, “en als ik hem klaag over dit of dat van ons Indo’s, dan hij zeg altijd: “Och, kerel, dank God, dat je niet in Britsch-Indië met je zwarte smoel. Daar wor je heelemaal niet aangekeken – Apa betoel deze?’
‘Ja, in zekere zin is het waar,” antwoordde Reumer. “Maar toch, hoe hard het ook schijnt, toch zijn de Engelschen rechtvaardig. Ze zeggen zoo: Je bent een volbloed Engelschman of je bent ’t niet. Er is geen middenweg. Ben je ’t niet, ben je een kleurling, wel, dan beschouwen ze je niet als een gelijke en je weet tenminste, waar je je aan te houden hebt. Maar hier, bij ons, stellen ze je wettelijk, dus in theorie, gelijk met de Europeanen, maar in werkelijkheid vinden ze je minderwaardig en sluiten ze je van vele betrekkingen en voorrechten uit. Dat is valsch, dat is niet eerlijk ...