De Nederlandsche Boekhandel, Antwerpen 1954

Multatuli – Max Havelaar, 31, 37-38, 334-336

[ *] bij Alberts – Twee jaargetijden, 13-28] 

[Het pak van Sjaalman]
Want waar ik ’t een of ander stuk wat langer inzag, moest ik erkennen dat de schryver me toescheen wel op de hoogte van zyn taak te staan, en zelfs dat hy een grote soliditeit in zyn redeneringen aan den dag legde.
Ik vond daar verhandelingen en opstellen:
Over het Sanskrit, als moeder van de Germaanse taaltakken.
Over de strafbepalingen op de kindermoord.
Over de oorsprong van de adel.
[...]
Over de misdaden der Europeeërs buiten Europa.
Over de wapenen der zwakkere diersoorten.
Over het jus talionis. (Alweer een infaam stuk! Daarin kwam een gedicht voor, dat ik zeker allerschandelykst zou gevonden hebben, als ik ’t uitgelezen had.)

Welk gedicht kan hier bedoeld zyn? De chronologische volgorde verbiedt ons hier te denken aan: “de laatste dag der Hollanders op Java” door Sentot, want dat stuk is nà de Havelaar geschreven, en misschien wel onder de indruk van de Havelaar. Daar ik Sjaalsmans pak niet by de hand heb, en toch gaarne de lezer in staat stellen wil zich in ’n denkbeeld te vormen van Droogstoppels verontwaardiging, neem ik verlof die arbeid van Sentot aan de Natie voor ogen te leggen. Het zal de toekomstige geschiedschryver aangenaam zyn te kunnen bewyzen dat het niet aan waarschuwingen ontbroken heeft.
Er zyn er die beweren dat myn vriend S.E. Roorda van Eysinga om ’t vervaardigen van dit stuk uit Indië verbannen is. De heer Van der Wyck, Raad van Indië en als zodanig een der voorstanders van de uitzetting heeft dit ontkend. Ook andere regeringsmannen loochenen het verband tussen Sentots profetengaaf en Roorda’s verdrietig en onverdiend omzwerven. Sommige waren van gedachte dat deze duisterheid zou opgehelderd worden by de behandeling van Roorda’s zaak in de Tweede Kamer, waar overlegging kon verwacht worden – en geëist, want het Regerings-Reglement schryft dat overleggen voor – van ’t besluit waarby de gezagsdaad was uitgevoerd. Maar de Minister Fransen v.d. Putte meende te kunnen volstaan met de aanbieding van een extrakt uit de beschikking en de leden der Kamer berustten alweer in die onwettigheid. Vrage: wat stond er in ’t achtergehouden deel van dat dokument? Iets over Sentots Vloekzang? Misschien die Vloekzang zelf? Bestond er wellicht zeker schuldbesef dat angstig maakte voor de openbaring van dat stuk? In dit geval is de toeleg niet gelukt, want – zy ’t dan dat R.v.E. zelf nooit de hand leende tot de publikatie – het verscheen herhaaldelijk in druk, en ikzelf vond het meer dan eens opgenomen in provinciale blaadjes. Zowel om de edele verontwaardiging die er in schittert, als om de letterkundige verdiensten, vind het hier een blyvende plaats. Reeds elders maakte ik de opmerking, dat het in gloed en in kracht van uitdrukking zegevierend de vergelyking kan doorstaan met de beroemde imprekatie van Camille.

DE LAATSTE DAG DER HOLLANDERS OP JAVA door SENTOT

Zult gy langer ons vertrappen,
Uw hart vereelten door het geld,
En, doof voor de eis van recht en rede,
De zachtheid tergen tot geweld?

Dan zy de buffel ons ten voorbeeld,
Die sarrens moe de hoornen wet,
Den wreden dryver in de lucht werpt
En met zyn lompen poot verplet.

Dan schroeie de oorlogsvlam uw velden,
Dan roll' de wraak langs berg en dal,
Dan styg' de rook uit uw paleizen,
Dan trill' de lucht van 't moordgeschal.

Dan zullen wy onze oren strelen
Aan uwer vrouwen klaaggeschrei,
En staan, als juichende getuigen,
Om 't doodsbed van uw dwinglandy.

Dan zuIlen wy uw kindren slachten.
En de onze drenken met hun bloed,
Opdat der eeuwen schuld met rente,
Met woekerwinste word' vergoed.

En als de zon in 't Westen neerdaalt,
Beneveld door den damp van 't bloed,
Ontvangt zy in het doodsgerochel
De laatste Hollandse afscheidsgroet.

En als de nachtelyke sluier
De rokende aard heeft overdekt,
De jakhals de nog lauwe lyken
Dooreenwoelt, afknaagt, knabbelt, lekt...

Dan voeren wy uw dochters henen,
En elke maagd wordt ons een boel,
Dan rusten we aan haar blanke boezems
Van moordgetier en krysgewoel.

En als haar schand zal zyn voltrokken,
Als wy ons hebben moê gekust,
Als elk tot walgens toe verzadigd,
Het hart van wraak, het lyf van lust...

Dan tygen wy aan 't banketteren,
En de eerste toast is: ‘ 't Batig Slot!’
De tweede toast: ‘aan Jezus Christus!’
De laatste dronk: ‘aan Neêrlands God!’

En als de zon in 't Oosten opdaagt,
Knielt elk Javaan voor Mahomed,
Wyl hy het zachtste volk der aarde
Van Christenhonden heeft gered.

De opmerkzame lezer ziet dat de brave Droogstoppel ongelyk had in z’n verontwaardiging over dit – of ’n dergelyk – stuk. Ook had Fransen van de Putte het besluit der Regering, waarby de heer R.v.E. verbannen werd, in alle gerustheid integraal kunnen overleggen. Sentot zegt immers niet dat dit alles zo wezen zal. Hy waarschuwt slechts dat het geschieden zou, indien de Hollanders voortgingen hun “hart te laten vereelten door ’t geld, en de Javaan te vertrappen”. Daar nu dit geval – vooral na de oprichting der Javaan-nutmaatschappy en al ’t geredekavel in de kamer – ondenkbaar is, zal de zaak veel beter aflopen dan Sentot in ’n wanhopig ogenblik meende.
Voor wie 't niet weet, hier de mededeling dat de pseudoniem Sentot niet byzonder ongepast de herinnering in het leven roept aan de Javase oorlog. Sentot namelyk was in zeer letterlyke zin de nom de guerre van Alibassa Prawiro Dirdjo, 't uitstekendst legerhoofd van de “muitelingen” zoals de party van Dipo Negoro in chauvinistisch Hollands genoemd werd, een vertalingsfout waaraan zich ook de Spanjaarden schuldig maakten jegens de Nederlanders, toen dezen zich van indelikate vreemdelingen trachtten te ontslaan. De meer of mindere juistheid van zodanige uitdrukkingen hangt dikwyls of van geografische ligging, dagtekening, huidskleur, geloof, en behoefte aan batige saldo's. De muiters van gister zyn dikwyls de helden en martelaren van vandaag.
Wat overigens die Sentot betreft, men heeft hem na afloop van de Javase oorlog te vriend gehouden. Hy heeft z'n laatste levensjaren gesleten als gepensionneerde van de Nederlandse Staat, en z'n krygslieden werden by 't Ned. Ind. Leger ingelyfd, doch niet en corps... wat zyn goede reden had. Nog in myn tyd — die wat Indië aangaat, een aanvang nam in januari 1839 – onderscheidden zich de uit Sentot’s Barisan (geregelde troepen) afkomstige soldaten door goed gedrag, tucht en militaire houding. Het was niet zeldzaam, by inspectiën of parades, een hoofdofficier, by 't wyzen op 'n flinke kerel, te horen zeggen: Ini apa lagi orangnja Sentot! ‘Dat 's nog 'n man van Sentot!’

Multatuli – Max Havelaar, 51-52

[Bandung – Milestone]

*) Men zou zich zeer vergissen, wanneer men zich van de gehele grote weg op Java, een denkbeeld vormde naar de maatstaf van die weg in 't Lebakse. De eigenlyke heirbaan met zyn vele zytakken, die de maarschalk Daendels met grote opoffering van volk deed aanleggen, (11) is inderdaad een prachtig stuk werks, en men staat verbaasd over de geestkracht van de man die, ondanks alle bezwaren welke zyn benyders en tegenstanders in 't moederland hem in de weg legden, de onwil der bevolking en de ontevredenheid der hoofden durfde trotseren, om iets tot stand te brengen, dat thans nog de bewondering van iedere bezoeker opwekt en verdient.
Geen paardenpostery dan ook in Europa – zelfs niet in Engeland, Rusland of Hongarye – kan met die op Java worden gelyk gesteld. Over hoge bergruggen, langs diepten die u doen yzen, vliegt de zwaar bepakte reiswagen in een galop voort. De koetsier zit als op de bok genageld, uren, ja, ganse dagen achtereen, en zwaait de zware zweep met yzeren arm. – Hy weet juist te berekenen waar en hoeveel hy de hollende paarden moet inhouden, om na vliegend dalen van een berghelling, ginds aan die hoek...
– Myn God, de weg is... weg ! We gaan in een afgrond, gilt de onervaren reiziger, daar is geen weg... daar is de diepte !
Ja, zo schynt het. De weg kromt zich, en juist als één galopsprong verder, vaste grond zou doen verliezen aan 't voorspan, wenden zich de paarden, en slingeren het voertuig de hoek om. Ze vliegen de berghoogte op, die ge een ogenblik vroeger niet zaagt, en... de afgrond ligt achter u.
Er zyn, by zulke gelegenheid, ogenblikken dat de wagen alleen rust op de raderen aan de buitenzyde van de boog die ge beschryft: de middelpuntvliedende kracht heeft de binnenwielen van de grond geheven. Er behoort koelbloedigheid toe, de ogen niet te sluiten, en wie voor 't eerst op Java reist, schryft aan zyn familie in Europa, dat hy in levensgevaar verkeerd heeft. Maar wie er te-huis behoort, lacht om die angst.
*) zie Multatuli – Ideen V, 224-225 

Multatuli – Max Havelaar, 55-56

[Pasuruan – Regent] 
[Pasuruan – Rezidentie-huis] 

Het dusgenaamd Nederlands-Indië – 't adjektief Nederlands komt me enigszins onnauwkeurig voor, doch ’t werd officieel aangenomen*) – is, wat de verhouding van het moederland tot de bevolking aangaat, te splitsen in twee zeer verschillende hoofddelen. Een gedeelte bestaat uit stammen welker vorsten en vorstjes de opperheerschappy van Nederland als suzerein erkend hebben, doch waarby nog altyd het rechtstreeks bestuur, in meer of minder mate gebleven is in handen van de ingeboren Hoofden zelf. Een ander gedeelte, waartoe – met een zeer kleine, wellicht maar schynbare uitzondering – geheel Java behoort, is rechtstreeks onderworpen aan Nederland. Van cyns of schatting of bondgenootschap is hier geen spraak. De Javaan is Nederlands onderdaan. De Koning van Nederland is zyn koning. De afstammelingen zyner vorige vorsten en heren zyn Nederlandse beambten. Ze worde aangesteld, verplaatst, bevorderd, door de Gouverneur-generaal die in naam van de Koning regeert. De misdadiger wordt veroordeeld en gevonnist naar een wet die van 's-Gravenhage is uitgegaan. De belasting die de Javaan opbrengt, vloeit in de schatkist van Nederland.
Van dit gedeelte slechts der Nederlandse bezittingen, dat alzo inderdaad deel uitmaakt van het Koninkryk der Nederlanden, zal in deze bladen hoofdzakelyk sprake zyn.
Den Gouverneur-Generaal staat een Raad ter zyde, die echter op zyn besluiten geen beslissende invloed heeft. Te Batavia zyn de onderscheidene bestuurstaken verdeeld in ‘departementen’ aan welker hoofd Direkteuren geplaatst zyn, die de schakel uitmaken tussen het opperbestuur van de Gouverneur-generaal en de Residenten in de provinciën. By behandeling evenwel der zaken van politieke aard, wenden zich deze beambten rechtstreeks tot de Gouverneur-generaal.
De benaming Resident is herkomstig uit de tyd toen Nederland nog slechts middellyk als leenheer de bevolking beheerste, en zich aan de hoven der nog regerende Vorsten door Residenten liet vertegenwoordigen. Die Vorsten bestaan niet meer, en de Residenten zyn, als gewestelyke Gouverneurs of Praefecten, bestuurders van landschappen geworden. Hun werkkring is veranderd, doch de naam is gebleven.
Het zyn deze Residenten, die eigenlyk het Nederlands gezag tegenover de Javaanse bevolking vertegenwoordigen. Het volk kent noch de Gouverneur-Generaal, noch de Raden van Indië, noch de Direkteuren te Batavia. Het kent slechts de Resident, en de beambten die onder hem besturen.
Een dusdanige residentie – en er zyn er, die byna een millioen zielen bevatten – is verdeeld in drie, vier of vyf afdelingen of regentschappen, aan welker hoofd Adsistent-residenten geplaatst zyn. Onder dezen weder wordt het bestuur uitgeoefend door kontroleurs, opzieners en een tal van andere beambten die nodig zyn voor de inning der belastingen, voor het toezicht over de landbouw, voor het oprichten van gebouwen, voor de waterstaatswerken, voor de politie en voor het rechtswezen.
In elke afdeling staat een inlands hoofd van hoge rang met de titel van Regent, de adsistent-resident terzyde. Zodanig Regent, hoewel zyn verhouding tot het bestuur en zyn werkkring geheel die is van een bezoldigd beambte, behoort altyd tot de hoge adel des lands, en dikwyls tot de familie der vorsten die vroeger in dat landschap of in de nabuurschap onafhankelyk geregeerd hebben. Zeer staatkundig wordt alzo gebruik gemaakt van hun aloude feodale invloed – die in Azië over 't geheel van groot gewicht is, en by de meeste stammen als een punt van godsdienst wordt aangemerkt – dewyl door het benoemen dezer hoofden tot beambten, een hiërarchie wordt geschapen, aan welker spits het Nederlands gezag staat, dat door de Gouverneur-Generaal wordt uitgeoefend.
*[Multatuli – Max Havelaar, 341] Nederlands Indië. Sommigen rekenen de eilandengroep die misschien eenmaal Nieuw-Holland aan de vaste kust van Indië verbond, mét dit laatste tot Australië. Anderen spreken van Polynesië en Melanesië. Elders lezen wy weer van Oceanië. In al deze gevallen staat het aan ieders willekeur om de toepassing van zulke benamingen al dan niet uit te strekken tot de Gezelschaps- en Markiezen-eilanden. Maar die verdelingen zyn en blyven konventioneel. Van meer gewicht is de vraag of onze bezittingen in die streken Nederlands zijn? In politieke zin, ja, in sociale zin echter even weinig als in geografische betekenis. Niets is minder Nederlands dan de bodem, ’t klimaat, de fauna, de flora, van al die eilanden. Niets ook is minder Nederlands dan de geschiedenis der bewoners, dan hun traditiën, hun godsdienst, hun begrippen, hun karakter, hun zeden en ...hun belangen. Ook zonder de minste politieke nevengedachte stuitte my altyd een kwalifikatie die zulke onjuiste denkbeelden in ’t leven roept, en daaraan heeft men de invoering te danken van ’t woord Insulinde, waarmee de lezer nu wel enigszins gemeenzamer wezen zal dan Droogstoppel bleek te zijn, toen hy die benaming voor ’t eerst ontmoette in Sjaalmans pak.

Multatuli – Max Havelaar, 168-169

[Jakarta 5 – De generaal] 
[Jakarta 6 – Vandamme] 

– Ik verzoek om de historie of de omelet, zei Duclari.
– Ik ook ! riep Verbrugge. Uitvluchten worden met aangenomen. We hebben aanspraak op een volledig maal, en daarom eis ik de geschiedenis van de kalkoen.
– Die heb ik je reeds gegeven, zei Havelaar. Ik had het beest gestolen van de generaal Vandamme, en heb 't opgegeten... met iemand.
– Voor die ‘iemand’ ten hemel voer, zei Tine schalk.
– Neen, dat is tricheren, riep Duclari. We moeten weten waarom ge die kalkoen... weggenomen hebt.
– Wel, omdat ik gebrek leed, en dat was de schuld van de generaal Vandamme die me gesuspendeerd had.
– Als ik er niet meer van te weten kryg, breng ik een volgende keer zelf een omelet mee, klaagde Verbrugge.
– Geloof me, er stak niets meer achter dan dàt. Hy had zeer veel kalkoenen en ik had niets. Men dreef die dieren voorby myn deur... ik nam er een, en zei tot de man die zich verbeeldde er op te passen: ‘zeg de generaal dat ik, Max Havelaar, deze kalkoen neem omdat ik eten wil.’
Multatuli – Max Havelaar, 329:
De namen van de kontroleur Verbrugge en de kommandant Duclari waren Van Hemert en Collard. De Resident van Bantam heette Brest van Kempen, en MichieIs was de naam van 't Napoleonnetje te Padang. Wat my bewoog tot verandering dezer namen in 't handschrift dat ik aan de heer V. L. toevertrouwde? Met verwyzing naar het slot van 't XIXe hoofdstuk, zy hieromtrent de opmerking voldoende, dat ik de eerlyke maar niet heldhaftige kontroleur wilde vrywaren tegen rankune. Al steunde hy me niet in m'n streven, hy had me dan toch niet tegengewerkt, en zelfs, waar ik 't verzocht, ronde verklaringen afgegeven. Dit was reeds zeer veel, en zou hem kunnen aangerekend zyn als misdaad.

Multatuli – Max Havelaar, 182-183

[Surabaya 2 – Merkus] 

En zo stond ik dus daar te Padang, nauw drie-en-twintig jaren oud, en staarde de toekomst aan, die my eerloosheid brengen zou! Men raadde my aan, me te beroepen op myn jonge jaren – ik was nog onmondig toen de voorgegeven vergrypen hadden plaats gehad – maar dit wilde ik niet. Ik had immers reeds te veel gedacht en geleden ... ik durf zeggen: te veel reeds gewerkt, dan dat ik me verschuilen zou achter myn jeugd. Ge ziet uit het zo-even aangehaald slot van die brief, dat ik niet wilde behandeld zyn als een kind, ik die te Natal tegenover de generaal myn plicht had gedaan als een man. En tevens kunt ge uit die brief zien hoe ongegrond de beschuldiging was, die men tegen my inbracht. Waarlyk, wie schuldig is aan lage vergrypen, schryft anders!
Men nam me niet gevangen, en dit had toch moeten geschieden als het ernst ware geweest met die kriminele verdenking. Misschien echter was dit schynbaar verzuim niet zonder grond. Den gevangene immers is men onderhoud en voedsel schuldig. Daar ik Padang niet verlaten kon, was ik in werkelykheid toch een gevangene, maar een gevangene zonder dak en zonder brood. Ik had herhaaldelyk, doch telkens zonder baat, aan de generaal geschreven dat hy myn vertrek van Padang niet beletten mócht, want dat, al ware ik schuldig aan ’t allerergste, geen misdaad mocht gestraft worden met hongerlyden.
Nadat de rechtsraad, die blykbaar met de zaak verlegen was, de uitweg had gevonden zich onbevoegd te verklaren, omdat vervolgingen wegens misdryf in dienstbetrekking, niet mogen plaats hebben dan op machtiging van de Regering te Batavia, hield my de generaal, zoals ik zeide, negen maanden te Padang. De Gouverneur-generaal Merkus heeft hem eindelyk gelast me naar Batavia te laten vertrekken.
Toen ik een paar jaren daarna wat geld had – beste Tine, jy had me het gegeven! – betaalde ik enige duizenden guldens om de Natalse kasrekeningen van 1842 en 1843 effen te maken, en toen zeide my iemand die geacht kon worden de Regering van Nederlands-Indië voor te stellen: “dat had ik in uw plaats niet gedaan ... ik zou een wissel op de eeuwigheid gegeven hebben.” Ainsi va le monde!

Multatuli – Max Havelaar, 199-203

[Jakarta 5 – De generaal] 

Ik nam het bestuur der Natalse afdeling over, en myn voorganger vertrok. Na enig tyd ontving ik bericht dat de generaal met een oorlogsschip in de Noord komen en ook Natal bezoeken zou. Hy stapte met veel gevolg te mynen huize af, en verlangde ogenblikkelyk de oorspronkelyke processtukken te zien van: “de arme man die men zo vreselyk mishandeld had.”
“Zyzelf hadden een geseling en een brandmerk verdiend!” voegde hy er by.
Ik begreep er niets van. Want de oorzaken van de stryd over Jang di Pertoean waren my toen nog onbekend, en ’t kon dus niet in myn gedachten opkomen, evenmin dat myn voorganger willens en wetens een onschuldige zou veroordeeld hebben tot zó zware straf, als dat de generaal een misdadiger zou in bescherming nemen tegen een rechtvaardig vonnis. Ik ontving de last, Soetan Salim en de Toeankoe te doen gevangen nemen. Daar de jonge Toeankoe by de bevolking zeer bemind was, en we slechts weinig garnizoen in ’t fort hadden, verzocht ik de generaal hem op vrye voeten te mogen laten, hetgeen me werd toegestaan. Doch voor Soetan Salim, de byzondere vyand van Jang di Pertoean, was geen genade. De bevolking was in grote spanning. De Natallers vermoedden dat de generaal zich verlaagde tot een werktuig van Mandailingse haat, en ’t was in die omstandigheden dat ik van tyd tot tyd iets doen kon, wat hy “kordaat” vond, vooral daar hy de weinige macht die er uit het fort gemist kon worden, en het detachement mariniers dat hy van boord had meegebracht, niet aan my afstond ter bedekking als ik naar de plekken reed waar men samenschoolde. Ik heb by die gelegenheid opgemerkt dat generaal Vandamme zeer goed zorgde voor zyn eigen veiligheid, en ’t is dáárom dat ik zyn roem en dapperheid niet onderschryven mag voor ik er meer van gezien heb, of iets anders.
Hy vormde in grote overhaasting een Raad, die ik ad hoc zou kunnen noemen. Daarin waren leden: een paar adjudanten, andere officieren, de officier van Justitie of fiskaal, die hy van Padang had meegenomen, en ik. Deze Raad zou een onderzoek instellen naar de wyze waarop onder myn voorganger ’t proces tegen Si Pamaga was gevoerd geworden. Ik moest een tal van getuigen laten oproepen, wier verklaringen daartoe nodig waren. De generaal, die natuurlijk vóórzat, ondervroeg en de proces-verbalen werden geschreven door de fiskaal. Daar evenwel deze beambte weinig Maleis verstond – en volstrekt niet het Maleis dat in de Noord van Sumatra wordt gesproken – was ’t dikwyls nodig hem de antwoorden der getuigen te vertolken, hetgeen meestal de generaal zelf deed. Uit de zittingen van die Raad zyn stukken voortgekomen, die ten duidelykste schynen te bewyzen: dat Si Pamaga nooit het voornemen gekoesterd had, iemand, wie het ook zy, te vermoorden. Dat hy noch Soetan Adam, noch Jang di Pertoean ooit had gezien of gekend. Dat hy niet op de Toeankoe van Natalwas toegesprongen. Dat deze niet uit het venster gevlucht was … en zo voort! Verder: dat het vonnis tegen de ongelukkige Si Pamaga was geslagen onder pressie van de voorzitter – myn voorganger – en van ’t Raadslid Soetan Salim, welke personen de voorgewende misdaad van Si Pamaga hadden verzonnen om aan de gesuspendeerde adsistent-resident van Mandailing een wapen te zyner verdediging in de hand te stellen, en om lucht te geven aan hun haat jegens Jang di Pertoean.
De wyze nu waarop de generaal by die gelegenheid ondervroeg, deed denken aan de whistparty van zekere keizer van Marokko die zyn partner toevoegde: “speel harten, of ik sny je de hals af.” Ook de vertalingen, zoals hy die de fiskaal in de pen gaf, lieten veel te wensen over.
Of nu Soetan Salim en myn voorganger pressie hebben uitgeoefend op de Natalse Rechtsraad om Si Pamaga schuldig te verklaren, is my onbekend. Maar wel weet ik dat de generaal Vandamme pressie heeft uitgeoefend op de verklaringen die ’s mans onschuld moesten bewyzen. Zonder op dat ogenblik nog de strekking daarvan te begrypen, heb ik me tegen die … onnauwkeurigheid verzet, hetgeen zó ver gegaan is dat ik heb moeten weigeren, enige verbalen mede te ondertekenen, en ziedaar nu de zaak waarin ik de generaal zo “gekontrarieerd” had. Ge begrypt nu ook waarop de woorden doelen, waarmee ik de beantwoording sloot van de aanmerkingen die er op myn geldelyk beheer gemaakt waren, de woorden waarin ik verzocht van alle welwillende konsideratiën verschoond te blyven.
– Het was inderdaad zeer sterk voor iemand van uw jaren, zei Duclari.
– Ik vond het natuurlyk. Doch zeker is ‘t, dat de generaal Vandamme niet aan zoiets gewoon was. Ik heb dan ook onder de gevolgen van die zaak veel geleden. O neen, Verbrugge, ik zie wat je zeggen wilt, berouwd heeft het me nooit. Zelfs moet ik hierby voegen dat ik me niet zou bepaald hebben tot eenvoudig protesteren tegen de wys waarop de generaal de getuigen ondervroeg, noch tot het weigeren myner handtekening op enkele verbalen, indien ik toen had kunnen gissen wat ik eerst later te weten kwam, dat alles voortsproot uit een vooraf vastgestelde toeleg om myn voorganger te bezwaren. Ik meende dat de generaal, overtuigd van Si Pamaga’s onschuld, zich liet meeslepen door de achtenswaardige zucht om een onschuldig slachtoffer te redden van de gevolgen ener rechtsdwaling, voor zo ver dit na de geseling en ’t brandmerk nog mogelyk was. Deze mening deed my wel in verzet komen tegen valsheid, maar ik was daarover niet zó verontwaardigd als ik zou geweest zyn indien ik geweten had dat het hier geenszins te doen was om een onschuldige te redden, maar dat deze valsheid de strekking had om ten koste van de eer en ’t welzyn myns voorgangers, de bewyzen te vernietigen die de politiek van de generaal in de weg stonden.
– En hoe ging het met uw voorganger? Vroeg Verbrugge.
– Gelukkig voor hem was hy reeds naar Java vertrokken voor de generaal te Padang terugkeerde. Hy schynt zich by de Regering te Batavia te hebben kunnen verantwoorden, althans hy is in dienst gebleven. De resident van Air Bangis die op ’t vonnis fiat exekutie verleend had, werd …
– Gesuspendeerd?
– Natuurlyk! Ge ziet dat ik niet zo heel onrecht had, in myn puntdicht te zeggen dat de Gouverneur ons schorsend regeerde.
– En wat is er geworden van al die gesuspendeerde ambtenaren?
– O, er waren er nog veel meer! Allen, de een voor, de ander na, zyn in hun betrekking hersteld. Enkelen van hen hebben later zeer aanzienlyke ambten bekleed.
– En Soetan Salim?
– De generaal voerde hem gevankelyk mede naar Padang, en vandaar werd hy als balling naar Java gezonden. Hy is thans nog te Tjiandjoer in de Preanger regentschappen. Toen ik in 1846 daar was, heb ik hem een bezoek gebracht. Weet je nog wat ik te Tjiandjoer kwam doen, Tine?
– Neen, Max, dat is me glad ontgaan.
– Wie kan ook alles onthouden? Ik ben daar getrouwd, heren!

Multatuli – Max Havelaar, 233-235

[Jakarta 5 – Paleis] 

Zeer weinig Europese lezers kunnen zich een juist denkbeeld vormen van de hoogte waarop een Gouverneur-Generaal staan moet als mens, om niet beneden de hoogte zyner bediening te blyven, en ’t gelde dan ook niet als een te streng oordeel wanneer ik de mening aankleef dat zeer weinigen, genen misschien, aan zó zware eis hebben kunnen beantwoorden. Om nu niet al de hoedanigheden van hoofd en hart te noemen die daartoe nodig zyn, vestige men slechts ’t oog op de duizelingwekkende hoogte waarop zo eensklaps de man wordt geplaatst, die – gisteren nog eenvoudig burger – heden macht heeft over millioenen onderdanen. Hy die voor weinig tyds nog verscholen was onder zyn omgeving, zonder daarboven uit te steken in rang of gezag, voelt zich op eenmaal, onverwachts meestal, opgeheven boven de menigte, oneindig groter dan de kleine kring die hem vroeger toch geheel voor ’t oog verborg, en ik geloof dat ik niet ten onrechte de hoogte duizelingwekkend noemde, die inderdaad herinnert aan de duizeling van iemand die onverwachte een afgrond voor zich ziet, of aan blindheid die ons treft wanneer we met snelheid worden overgebracht van diepe duisternis in scherp licht. Tegen zulke overgangen zyn de zenuwen van gezicht of hersenen niet bestand, ook al waren zy overigens van buitengewone sterkte.
Indien alzo reeds in zichzelf de benoeming tot Gouverneur-Generaal veelal de oorzaken van bederf meedraagt, ook van dezulke die uitstekend was in verstand en gemoed, wat is er dan te verwachten van personen, die reeds vóór die benoeming leden aan veel gebreken? En al stellen we voor een ogenblik dat de Koning altyd goed is voorgelicht, als hy zyn hoge naam tekent onder de akte waarin hy zegt overtuigd te wezen van de ‘goede trouw, de yver en de bekwaamheden’ des benoemden Stedehouders, al nemen wy aan dat de nieuwe Onderkoning yverig, trouw en bekwaam is, dan nog blyft het de vraag of die yver, en vooral of die bekwaamheid, by hem bestaat in een maat, hoog genoeg verheven boven middelmatigheid, om aan de eisen van zyn roeping te voldoen.
Want de vraag kan niet zyn of de man, die te ’s-Gravenhage voor ’t eerst als Gouverneur-Generaal het kabinet des Konings verlaat, op dàt ogenblik de bekwaamheid bezit die nodig zal wezen voor zyn nieuwe ambt ... dit is onmogelyk! Met de betuiging van zyn vertrouwen op zyn bekwaamheid kan slechts de mening bedoeld zyn dat hy in een geheel nieuwe werkkring, op een gegeven ogenblik, by ingeving als ’t ware, weten zal wat hy te ’s-Gravenhage niet kan geleerd hebben. Met andere woorden: dat hy een genie is, een genie dat op eenmaal kennen moet en kunnen, wat het kende noch kon. Zulke genieën zyn zeldzaam, zelfs onder personen die in gunste staan by koningen.
Daar ik van genieën spreek, gevoelt men dat ik wil overslaan wat er zou te zeggen vallen van zo menige Landvoogd. Ook zou ’t me stuiten in myn boek bladzyden in te voegen die ’t ernstig doel van dit werk zouden blootstellen aan de verdenking van jacht op schandaal. Ik ga dus nu de byzonderheden die bepaalde personen zouden raken voorby, maar als algemene ziektegeschiedenis van de Gouverneurs-Generaal, meen ik te mogen opgeven: Eerste stadium. Duizeling. Wierook-dronkenschap. Eigenwaan. Onmatig zelfvertrouwen. Minachting van anderen, vooral van ‘oudgasten’. Tweede stadium. Afmatting, Vrees. Moedeloosheid. Neiging tot slaap en rust. Bovenmatig vertrouwen op de Raad van Indië. Afhankelykheid van de Algemene Sekretarie. Heimwee naar Hollandse buitenplaats.
Tussen deze beide stadiën in, en als overgang – misschien zelfs als oorzaak van die overgang – liggen dysenterische buikaandoeningen.
Ik vertrouw dat vele in Indië me dankbaar zullen wezen voor deze diagnose. Ze is nuttig toe te passen, want men kan voor zeker houden dat de zieke, die door overspanning in de eerste periode stikken zou aan een mug*], later – na de buikziekte! – zonder bezwaar kemels zal verdragen. Of, om duidelyker te spreken, dat een beambte die ‘geschenken aanneemt, niet met het doel zich te verryken’- byvoorbeeld een bos pisang ter waarde van enige duiten – met smaad en schande zal worden weggejaagd in de eerste periode der ziekte, maar dat iemand die ’t geduld heeft het laatste tydperk af te wachten, zeer gerust en zonder enige vrees voor straf, zich zal kunnen meester maken van de tuin waar de pisang groeide, met de tuinen die daarnaast liggen er by ... van de huizen die in de omtrek staan ... van wat er in die huizen is ...en van nog een-en-ander meer, ad libitum.
Ieder doe met deze pathologisch-wysgerige opmerking zyn voordeel, en houde myn raad geheim, ter voorkoming van te grote mededinging ...
*] Matth. 23: 23. Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, huichelaars! Gij betaalt wel tienden van munt, anijs en komijn, maar het gewichtigste van de Wet: rechtvaardigheid, barmhartigheid en trouw verwaarloost ge. Het ene moet men doen en het andere niet nalaten. 24 Blinde leiders, die de mug uitzift en de kameel doorslikt!

Multatuli – Max Havelaar, 317-318

[Jakarta 5 – Paleis] 

Daarop vertrok Havelaar met vrouw en kind van Rangkas-Betoeng. Hij weigerde alle geleide. Duclari en Verbrugge waren diep geroerd by ’t afscheid. Ook Max was aangedaan, vooral toen hy op de eerste wisselplaats een talryke menigte vond, die weggelopen was uit Rangkas-Betoeng, om hem daar te begroeten voor het laatst.
Te Serang stapte de familie by de heer Slymering af, die haar met de gewone Indische gastvryheid ontving.
’s Avonds kwam er veel bezoek by de resident. Men zeide zo betekenisvol mogelyk, gekomen te zyn om Havelaar te begroeten, en Max ontving menige welsprekende handdruk ...
Maar hy moest naar Batavia om de Gouverneur-Generaal te spreken ...
Dáár aangekomen, liet hy om gehoor verzoeken. Dit werd hem geweigerd omdat er een fytzweer was aan de voet van zyn Excellentie.
Havelaar wachtte tot de fytzweer genezen was. Toen liet hy andermaal verzoeken gehoord te worden.
Zyn Excellentie ‘had het zo druk dat zy zelfs aan de Direkteur-generaal van financiën een audiëntie had moeten weigeren’ en kon dus ook Havelaar niet ontvangen.
Havelaar wachtte tot zyn Excellkentie zou heengeworsteld zyn door die drukte. Intussen voelde hy iets als nayver op de personen die aan zyne Excellentie waren toegevoegd in de arbeid. Want hy werkte gaarne snel en veel, en gewoonlyk smolten zulke “drukten” weg onder zyn hand. Hiervan echter was nu natuurlyk geen sprake. Havelaars arbeid was zwaarder dan arbeid: hy wachtte!
Hy wachtte. Eindelyk liet hy opnieuw verzoeken om gehoord te worden. Men gaf hem ten antwoord ‘dat zyn Excellentie hem niet kon ontvangen, wyl ze hierin verhinderd werd door de drukte van haar aanstaand vertrek’.
Max beval zich aan in de gunst van zyn Excellentie om één half uur gehoor, zodra er een kleine ruimte wezen zou tussen twee “drukten”.
Eindelyk vernam hy dat zyn Excellentie de volgende dag vertrekken zou! Dit was hem een donderslag. Nog altyd hield hy zich krampachtig vast aan ’t geloof, dat de aftredende Landvoogd eerlyk man, en ... bedrogen was º). Een vierendeel uurs ware voldoende geweest om de rechtvaardigheid zyner zaak te bewyzen, en dit vierendeel uurs scheen men hem niet te willen geven.
º) Dit zeg ik Van Twist zelf in de “Brief aan de Gouverneur-generaal in ruste”. Dat men hem bedrogen had, blijft waar. Maar niet gegrond bleek m’n goede mening dat-i [een] eerlyk man wezen zou. Een eerlyk man tracht te herstellen wat door zyn schuld bedorven werd, en nooit gaf V.T. het geringste blyk dat-i hieraan wilde meewerken. Integendeel! Juist van hèm ging de helse wenk uit, dat men onder voorwendsel myner mooischryvery – bah! – m’n aanklacht smoren kon.
[Multatuli – Max Havelaar, 375]

Multatuli – Max Havelaar, 338-340, 355

[Bandung – Milestone]

Aantekeningen en ophelderingen van Multatuli [...]
*) 11Grote weg over Java. Deze weg loopt van Anjer, aan straat Soenda gelegen en dus een der westelykste punten, tot aan Banjoewangi dat aan 't Zuidoostelyk uiteinde des lands, tegenover Bali ligt, en is 270 uur gaans lang. Het aanleggen daarvan was een reuzenwerk, en kon dan ook slechts ten einde worden gebracht door 'n man als Daendels, die aan grote wilskracht, verregaande minachting voor byzondere belangen paarde. De blyken die van z'n ruwheid worden verteld, lopen in 't ongelooflyke. Toch zyn er in zekere gevallen mensen van die soort nodig. Ik beweer dat er ook thans behoefte is aan personen die moed en kracht hebben om op eigen verantwoordelykheid te breken met de sleur. Waarlyk, er zyn heden-ten-dage in ons Indië dingen te verrichten, waarby die postweg kinderspel is! Of de DaendeIs die daartoe verwacht en gewenst wordt, zou kunnen volstaan met de eigenschappen die 'n zeventig jaar geleden aan de eisen beantwoordden, blykt te betwyfelen. Ik spreek in de tekst van 'bezwaren die z'n tegenstanders in 't Moederland hem in de weg legden'. Wat is in onze tyd het lot van iemand die in Indië iets verbeteren wil? Hoe zwaar DaendeIs ' taak ook moge geweest zyn, hy had niet te worstelen met 'n wysneuzige Tweede Kamer en de ministerschappen die uit zo 'n Kamerregering voortvloeien.
Wat overigens onze 'Maarschalk' aangaat – Maréchal de Hollande namelyk, want na de inlyving werd-i teruggezet tot generaal – ook te zynen opzichte is het te betreuren dat wy Hollanders zo schraal voorzien zyn van Mémoire-literatuur, een fout die onze Geschiedenis dor maakt, en slechts begrypelyk voor de zodanigen die, geen oordeel genoeg hebbende tot niet-begrypen, volkomen tevreden zyn met ongerymdheid. De levensloop van DaendeIs was 'n drama. Dit is op te maken uit het weinige dat officieel van hem bekend is, en uit de vele vertellingen die in de Chinese kerk (98) omtrent hem in omloop zyn. Een goedgeschreven levensgeschiedenis van die man zou licht werpen op 'n belangryk tydvak onzer historie van de patriottentyd af tot de restauratie toe. Op z'n armzalig knoeien by gelegenheid der inlyving van ons landje, wees ik reeds in m'n Idee 515.**) Wie by 't lezen van die bydrage in 't oog houdt dat onze 'Maarschalk van Holland' een gewezen patriot was – en een van de vurigste! – zou verbaasd staan over 's mans verregaande karakterloosheid, indien niet zyn verbazing uitgeput ware door 't letten op de algemeenheid van die kwaal. Ook in 't zeer belangryk werk van de heer Van Lennep (Het leven van Mr. C. v. L. en Mr. D. Y. v. L.) vindt men kostbare maar bedroevende bydragen tot deze waarheid. Wie de Geschiedenis grondiger bestudeert dan uit officieel-goedgekeurde schoolboekjes mogelyk is, zal erkennen dat men zeer zelden in de rei der personen die zy ons te aanschouwen geeft, een karakter aantreft.
Toch blyft het de vraag of men DaendeIs goed zou beoordelen, indien men alleen achtsloeg op z'n lamlendig gedrag in de maand Februari 1811. Het wantrouwen waarmee enige jaren later Willem I hem onderscheidde, schynt aan te tonen dat men hem tot iets buitengewoons in staat achtte. Z'n benoeming tot gouverneur der Bezittingen op de Goudkust – de hele bezitting stond in belangrykheid beneden menige controleursafdeling op Java! – die benoeming was een soort van gevangenschap. Ik weet van goeder hand dat hyzelf de zaak dan ook als zodanig beschouwde. By gelegenheid zal ik enige staaltjes meedelen van z'n inborst. Al verdient hy geen plaats onder beroemde mannen, een vreemde verschyning was-i zeker. Dit is al iets in onze tyd van jammerlyk ordinarisme!
[...]
98Chinese kerk: het 'tout Paris' der hoofdplaatsen in Indië. De oorsprong dezer zegswyze schynt te liggen in de commérages die oudtyds gehouden werden by 't uitgaan der protestantse kerk in of by de Chinese kamp te Batavia.
*) zie Multatuli – Ideen V, 224-225
**) Multatuli – Ideen II, 211-215 

Multatuli – Max Havelaar, 340

[Pangeran] 

12 - Radèn Adipati Karta Nata Nagara. De drie laatste woorden zyn de naam, de twee eerste drukken de titel uit. Het spreekt vanzelf dat de juiste vertaling van zodanige titel moeilyk is. Toch heeft het de oude VaIentyn in z'n werken over Oost-lndië beproefd. Hy spreekt van ‘hertogen’ en ‘graven’. Hierin ligt voor iemand die de inlandse Hoofden kent, iets zonderlings. Na de velerlei titels van meer of min schynbaar-onafhankelyke Vorsten is die van Pangéran de hoogste. Zo 'n Pangéran zou men met enige kans op juistheid, Prins kunnen noemen, omdat deze rang ontleend is aan verwantschap met een der regerende huizen van Solo (Soerakarta) en Djokja (Djokjakarta) schoon hierop, naar ik meen, uitzonderingen bestaan, waarmee we nu niet te maken hebben. De naastvolgende titel is die van Adipati, of voluit, Radèn Adipati. Radèn alleen duidt ’n rang van lager orde aan, doch die nog vry hoog boven 't gemeen staat. Iets lager dan Adipati staan de Toemengoens.
De adel speelt in de Javase huishouding een grote rol. Het Gouvernement heeft zich 't recht aangematigd adellyke titels toe te kennen, iets dat eigenlyk met het grondbegrip van onderscheiding door geboorte in stryd is. Ook in Europa evenwel zien wy 't zelfde verschynsel. Stipt genomen kan een regering iemand toestaan zekere titel te voeren, de voorrechten te genieten die aan zekere stand verbonden zyn, maar geen macht ter wereld kan bewerken dat iemand wiens voorouders onbekend waren, op eenmaal de afstammeling wordt van een geslacht dat reeds eeuwen geleden in aanzien was. Wat Java aangaat, de gebeneficeerden berusten vry geduldig in 't hun toegeworpen voordeel. Men beweert echter dat er onder de minder gunstig bedeelden – en misschien ook onder de Bevolking, die voor echte stamregisters religieuze eerbied heeft – plan bestaat om de diplomen welke de oude O. I. Kompagnie uitreikte, en die welke door de Buitenzorgse Sekretarie verleend werden, by de eerste gelegenheid te herzien. Er zyn weinig of geen adellyke geslachten op Java – de regerende vorsten van Solo en Djokja niet uitgezonderd – welker titels en officiële positie geen stof leveren zouden tot kontroverse en verzet. Dit wacht maar op 't breken van een der mazen van ’t net waaronder de gehele Javaanse huishouding gevangen ligt.

Multatuli – Max Havelaar, 342-343

[Kraton] 

20 - Aloen-aloen. Kraton. Kota Radja. De aloen-aloen is 'n uitgestrekt voorplein voor de groep gebouwen, die de woning van 'n Regent uitmaken. Gewoonlyk staan er op zo 'n plein twee statige waringin-bomen, uit welker ouderdom blykt dat zy niet op de aloen-aloen geplant zyn, maar dat de Regentswoning in hun nabyheid, en waarschynlyk juist dáár om die nabyheid is opgericht.
Daar ik verzuimd heb op deze zelfde bladzyde een noot te plaatsen by 't woord Kraton – Kratoon, Kratoen, Keratoe-an, om ’t even – wil ik die fout hier herstellen te meer omdat ze my aanleiding geeft tot het bespreken van zeker bedrog dat onlangs nog van officiële zyde weder jegens 't Nederlandse Volk gepleegd is, en nog altyd by sommigen z’n werking doet. Men heeft, om de Atjinese krygsbedryven in 'n chauvinistisch licht te stellen, de Kraton des Sultans van Atjin doen voorkomen als ’n vesting welker verovering zeker schitterend succes betekende. Ik gis dat er te Atjin nooit 'n Kraton geweest is, en zelfs dat de Atjinezen dit woord nooit gehoord hadden, daar de zaak zeer speciaal 'n Javanismus is. Doch ook wanner ik me hierin mocht bedriegen, een vesting, een ‘militair punt’ is zo'n Kraton gewis niet. Het veroveren van een Kraton is 'n wapenfeit, nagenoeg gelykstaande met het innemen ener omheinde of desnoods ommuurde hollandse buitenplaats. Als gewoonlyk hebben de Bestuursmannen in deze zaak 't Volk weer gepaaid met 'n klank!
Ik bespeur dan ook dat men van lieverlede 't woord Kraton is gaan overzetten in Kota Radja, 'n woord dat met wat goede wil als de Maleise vertaling van 't javaans begrip: Keratoean kan worden opgevat, mits men niet met de woordenboeken 't woord Kota overzette in stad – Insulindische ‘steden’ zyn er niet – maar opvatte als: woningsgroep of iets dergelyks, al of niet op zekere wyze, maar niet uit 'n oogpunt van versterkingskunst afgesloten. Dat dit afsluiten soms in oorlogstyd geschiedt, is waar, doch dit maakt Kota's en Kraton evenmin tot vestingen als de buitenplaats waarvan ik zo-even sprak. Dat wy, Europeanen, soms aan 'n versterking in Indië de naam van Kota geven, is by gebrek aan beter, doch verandert niets aan de waarheid dat het woord Kota geen vesting betekent.
Er is dus geen vyandelyke sterkte genomen by 't ‘betreden’ – ik kies dit woord met opzet – by 't betreden van des Sultan's Kraton of, zoals 't nu heet, z'n Kota Radja, d.i. z'n vorstenverblyf. Vandaar dan ook de zonderlinge manier waarop die ‘verovering’ plaats greep. Onze bevelvoerende generaal bevond zich binnen de ‘versterking’ zonder het te weten. Dat de heer Van Swieten dit in een zyner rapporten met de grootste eenvoud getuigt, bewyst dat hy niet medeplichtig was aan 't opzet – en dat hy niet deelde in de ministeriële behoefte! – om de Natie zand in de ogen te strooien. Maar uit het gelukken van dat opzet blykt alweer voor de duizendste maal dat die Natie niet lezen kan: Want Van Swieten's oprecht en zedig rapport werd gepubliceerd, en toch... tóch moest het heten dat er 'n vesting veroverd was!