tweede druk, N.V. Masa Baru, Bandung

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 1-2, 5-6

[Jakarta 7 – Museum] 

De fiets heeft door de uitgebreidheid en duurte van het Robinsongezin en het benepen leven des vaderlijken beurs pas zeer laat zijn intrede gedaan in onze dierbare familie. Tenminste als privé eigendom van de avant-garde.
De enige die een fiets had was Pa, maar die was zwaar nodig voor kantoor. Hoewel Pa vaak opsneed over de onverwoestbare eigenschappen van zijn Iron Horse, mochten wij er nauwelijks naar wijzen, laat staan er op rijden. Want zoals bij Atilla geen gras meer groeide, waar hij zijn voet gezet had, bleef bij ons niets heel waar wij onze slanke Indische vingertjes aan gezet hadden. Ma noemde het tangan panas. Ja, gooi maar in het pulletje!
Zou het Noodlot ons dus voorbestemd hebben om pas te fietsen als er reeds baarden en knevels ontsproten aan onze gladde ovale kindergezichtjes? Ach, hoe kèn. Wij konden toch ook zwemmen, al waren er geen zwembaden? We konden toch vis vangen zonder hengels, en poejoe (veldhoentjes) jagen zonder geweer? Wie geen permissie heeft moet slim zijn. En het Lot dat ons enerzijds met strenge ouders begiftigd had, had de natuur gezegend met een dagelijkse hittegolf, die alle vaderen en moederen in de Gordel van Smaragd tussen één en vier uur ’s middags bewusteloos terneer sloeg, zodoende creërend het Instituut voor Zelfonderricht voor de Indische jeugd.
Als Pa en Ma na de zware rijsttafel groggy de slaapkamer opzochten terwijl Tjalie en Sander zoet over hun huiswerk gebogen zaten, daalde de rust neer op Robinsonhorst, zwaar als een loden deksel over smoorhete Ang Sioe Hie. Maar tien minuten later slopen de heren Tjalie en broeder voornoemd al het hek uit met Paatjes fiets aan de hand. Om twee straten verder de nobele fietskunst in te studeren. De fiets was weliswaar zo hoog, dat je zelfs zittend op de bagagedrager niet bij de pedalen kon, maar in dit land is de “kolong”-methode de geijkte manier van stalen mustangs temmen: één beentje door het frame, het lichaampje in een zijdelingse S-bocht en half hangend aan het stuur. Tjalie en Sander sloegen dus braaf aan het kolongen, trofee na trofee toevoegend aan hun dunne, zwarte, veel gedecoreerde beentjes, Sander en passant een tand kwijt rakend, maar met een grote moed en doorzettingsvermogen geen beter denkbare zaak waardig.
Welbeschouwd is fietsen een hele kunst als je het nog niet kent. Je moet je evenwicht houden, je moet tegelijkertijd draaien met je benen en sturen met je handen. Bovendien moet je kijken naar voren en horen naar achter en als vriendjes of meisjes passeren moet je stoer kijken. Tenslotte moet je er altijd om denken dat de fiets van Pa is en heel terug moet komen, anders verlies je je eigen heelheid.[…]
Langzamerhand raakte deze gouden kwartjes leggende kip echter uitgeput en bovendien werden de fietsen goedkoper en algemener. Ook in de kampong konden we de fiets niet meer verhuren en trouwens op een goede dag hadden we opeens allebei een fiets. Het moet een krankzinnig koopje geweest zijn of Pa stond toevallig voor het Museum toen ze twee verouderde pronkstukken naar buiten smeten, want de merken waren volkomen onbekend, een Wanderer en een Bismarck. Ze hadden een romantische geur van ridderharnassen of Damascener klingen of het Monsterkanon van Staalstad of zo, want het waren logge, loodzware klojangs, zonder een spoortje nikkel. Ze waren helemaal zwart gelakt en geteerd en konden zelfs niet roesten, zoals Pa trots beweerde. Als je thuis kwam en ze tegen de muur kwakte, zeiden ze niet “brèng” maar “glonggong” net als een oude zware gong; poetsen was niet nodig, goejoer met water was voldoende.

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 6

[Jakarta 5 – Sneep] 

Maar we waren er zeer blij mee, want de fietslust was inmiddels zeer toegenomen in dat goede ouwe Mèstèr. De fietsenhandel Sneep organiseerde regelmatig wielerwedstrijden naar Bogor en terug, waaraan velen deelnamen van allerlei ras, leeftijd en verstand. Eénmaal won nota bene één van onze kornuiten de eerste prijs, de kleine witblonde Kakèh de Bruin, een joch van maar een turf hoog tussen al die formidabele rijders waaronder echte Hollandse amateurwielrenners van de Jannen-compie uit de tangsi. Er werd veel reclame gemaakt voor La Française Diamant, een racekarretje als een droom met een prijs als een nachtmerrie, en we droomden allemaal ook van een racefiets. Intussen waren de jongelui uit dat roemruchte tijdperk van een veel practischer en radicaler hout gesneden en wie een racefiets wou hebben en maar een gewone fiets had, bouwde hem zelf om.
Eerst gingen handremmen en spatborden eraf, alsmede alle andere overbodige rompslomp van bagagedragers, standaard en zo voort. Dan werd met behulp van een ijzeren stang het stuur bijgebogen net zo lang tot er een lekkere race-knik in zat. Dat stuur werd dan met binnenband netjes omwonden.
Dan gingen de veren van het mooie zadel af, dat verder smal en puntig omgebogen werd, eventueel met een prop opgestopt om nog een beetje zit te hebben. En tenslotte werd het normale rondsel verwijderd en vervangen door een zo klein mogelijk rondsel, nummer twaalf bij voorbeeld. Als het kon ook nog een zo groot mogelijke gear, om een geweldige versnelling te hebben. Remmen deed je wel door je hiel op het achterwiel te drukken en als het regende werd je natuurlijk van voor en achter bruin gechocolaad, maar dat stond ook wel djèm.

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 9-10

[Jakarta 4 – Sawah Besar] 

De grootste opeenhopingen van opelettes, groter nog dan op het Glodokplein of Senen, zijn te vinden op Sawahbesar. Ah, het is een machtig gezicht Djakarta’s gemechaniseerde cavalerie te zien paraderen op Sawahbesar zo omstreeks de spitsuren – acht uur, één uur en vier uur – als Hajam Wuruk en Gadjah Mada bijkans onzichtbaar zijn door de eindeloze files auto’s, trucks en trams, zodat er voor de reizigers van de grotere zijwegen haast geen doorkomen aan is. Dan zie je de van Djatinegara, Senen en Pasar Baru afkomstige opelettes een machtige queue vormen op Sawahbesar, de neus voor Hajam Wuruk, de staart bij Petjenongan, soms drie rijen dik.
Het lijkt op een parade op het Rode Plein vanwege het gesnor, het gepruttel, het gedaver en geknal. De race-autobusjes staan daar te briesen en te stampen met schuim op de bek en trillend van spanning tot ergens aan de horizon een politieman gelaten op een fluitje blaast en een kwart slag omdraait. Dan heb je La Rebellion de las Masas, ontketend door drie hand- en voetgrepen: hantam klos (een klap tegen de clutch), sepak gas, urut debrajir (een trap op het gaspedaal en massage van de debraieur), rookwolken stijgen op, Beethoven’s Hammerklaviersonate weerklinkt in vertienvoudigd tempo, de eerst nog sloom tussen de auto’s over zigzaggende wandelaars springen opeens als geëlectriceerde marionetten, het koper schalt van honderden dot-dot-pèts en de karavaan gaat verder. De honden blaffen. De autoreparateurs kijken handenwrijvend toe.
Dit is het spitsuur van de gekraakte spatborden, de gefolterde motoren, de zwartgeblakerde bougies, de verstopte leidingen en duizend-en-één kortsluitingen: schroeven en moeren storten dolgeworden ter aarde, quickstarters worden slow-starters of sterven op slag. Wie niet verder gedorongd kan worden zegt tegen zijn passagiers beleefd ”maäf” en de dames en heren stijgen gepiqueerd uit, de maalstroom van opelettes overspringend als Eliza op de ijsschotsen, het ronddartelend oog zoekend naar vacante plaatsjes in passerende autootjes, en dan komen de snelle sprongen en startjes, de venijnige kopstoterijen tegen kapranden en de vingerknellerijen tussen klapdeurtjes die wegens de volgasschokken epileptisch open en dicht gaan. Niemand stopt, want alles dringt en bovendien: wie stopt loopt de kans zijn vehikel niet meer op gang te krijgen. Wie uit wil stappen, werpt zijn pa’toen (Nggah adé patoenan njé = goed Indonesisch = ik heb geen halve guldens) naar de chauffeur, die het briefje met de linkerhand wegflipt als een vlieg, terwijl de rechterhand de massage-oefeningen van de dollettdot voortzet en het stuur vroom zijns weegs gaat.

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 13-14

[Jakarta 4 – Sawah Besar] 

Ondertussen kan ook de divisie wandelaars aan de overkant bij djalan Ketapang, die al uren en uren lang heeft zitten wachten tot de weg vrij is, oversteken. Het lijkt een filmopname van Cecil B. de Mille uit de doortocht door de Rode Zee van de film “De Tien Geboden”. Voetknechten en lansknechten (verkopers met draagstokken) stormen voorwaarts, daartussendoor betja-kerels als helden op strijdwagens, op de voet gevolgd door auto’s. Belgeratel, auto geclaxonneer, wilde kreten. Op de brug volgt de clash met de stroom van de andere kant: de kurassiers van Canrobert. Maar op de een of andere manier vallen er geen doden (alleen éénmaal heb ik een ontzielde bromfiets zien wegslepen) maar kronkelt alles als olie en water langs mekaar heen, terwijl twee verkeersagenten vaderlijk glimlachend op de chaos neerblikken. In deze mêlee vaart hoog en verheven de tram, waaruit verwilde passagiers kijken als spookdiertjes.
En in de bruine plas, traag stromend als De Gladde Bruine Tijd, wassen onverstoord de vrouwen hun was of hun beras, zwemmen en duiken kindertjes als jonge eendjes, poetst de pauzerende betjaman zijn tanden een collega aan een andere levensnoodzaak. Een dode kat vaart indrukwekkend voorbij als een raderboot op de Mississippi naast een ontzaglijk groot djatiblad van heel ver uit de goenoeng. Wat is het opeens stil en landelijk! Haal je de koekoek: het dwarsverkeer is alweer over en de rustig verkeersstroom in Noordelijke en Zuidelijke richting heeft zijn weg hervat. Voor Djalang Ketapang beginnen de eerste overstekers zich weer te verzamelen en aan de overkant, op Sawahbesar, door ontstaan weer de grootste opeenhopingen van ope …. Maar dat heb ik geloof ik al eerder geconstateerd.
(Intussen is door een nieuwe verkeersregeling op dit kruispunt het dwarsverkeer omgelegd en is het er heel wat zoeter geworden.)

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 17

[Jakarta 6 – Njonja Meneer] 
[Semarang 3 – Nyonya Meneer] 

Als deze drie vriendinnen ’s middags op bezoek komen, dan wordt er gepraat over “De Tijd”, d.w.z. er wordt verhaald van de vele ziektegevallen in familie en kennissenkring en de steevaste verklaring die op de opsommingen volgt is: “Ja, het is nu een maal de tijd!” En met de tijd wordt de kentering bedoeld. Deze kentering brengt allerlei temporaire ziekten als entjok en masoek-angin, lemes en vele soorten hoofd, nek, rug, lende- en allespijn. Hiervoor zijn gelukkig in Indonesië vele kruiden en knollen gewassen. Ze worden opgegeten, vermalen en aangelengd met water opgedronken, getrokken, gezet, gepapt. Je kan ermee ingewreven worden, gewoon ingesmeerd en gekneed! Kortom er zit een heel bijzondere en uitgebreide therapie aan vast, die geloof ik nergens in medische boekwerken vastgelegd is, maar die op de een of andere wijze toch wel zeer doeltreffend moet zijn, want Tante Koos en haar vriendinnen, alsmede alle Indische en Indonesische dames die ik ken en die er verkapt of openlijk aan doen, zijn gezond of in elk geval nooit langer dan twee dagen gammel.

Robinson – Piekerans van een straatslijper II, 35-36

[Jakarta 7 – Hercules] 

Ondertussen geniet men toch niet alleen van het voetbal zelf, maar ook van het wijde, zonnige uitzicht over het Merdekaplein en van die goede ouwe ajam katéks van Hercules, die net als de baas meer dan vijftig jaar oud schijnen te zijn. Die moedig ronddribbelen over het veld op jacht naar sprinkhaantjes en tjapoengs en bij het voorwaarts stormen van de rechtsbuiten met het bruine monster hoogstens even opzij stappen als een toreador. Of rondscharrelen tussen de benen van de toeschouwers, zoekend naar katjang garing of kwatji.
Men heeft de Decapark-tribune wel eens de Augiasstal van Hercules genoemd, maar dat is je reinste kwaadsprekerij. Deze tribune is immers Hercules zelf: beschikkend over een Herculische kracht en moedig voortlevend onder het Nessus-kleed van de verwaarlozing. De Hercules-tribune is ook de populairste tribune van Djakarta.
In dit triomfwerk van massale vermolming – waar boeboek en houtbij zich met gusto hele boulevards vreten door stutten en palen – zit een typisch Djakartaanse voetbalsfeer van gemoedelijkheid en bravour, die Hercules altijd getypeerd heeft van Galstaun af over Tjoh Davies en Lud Jahn naar de kleine Pesch van nu toe. Er zit iets in van een typisch Djakartase karaktertrek: “Biar boebrak, djangan takut! Beuk!!” Een leven van roekeloos doortasten, van veel eervol vallen en veel moedig weer opstaan. Van hardnekkige verdedigingen van een handjevol zwakkel