De Bezige Bij, Amsterdam 1946

NB Met ‘Hafil’ wordt Mohammad Hatta bedoeld’.

Sjahrir – Overpeinzingen, 9-10

[Bandung 4 – Cultuur] 

Dat hij zulke leiding nodig heeft is niets bijzonders: onze zogenaamde intellectuelen zijn op dit gebied over het algemeen nog analphabeten! Men leest niet, buiten zijn vakliteratuur en zijn krant en soms nog wat ontspanningslectuur. In de hele boekerij van Hafil bijvoorbeeld is maar één roman aanwezig, waarover hij zich nota bene verontschuldigde met de opmerking, dat hij die cadeau gekregen had. En Hafil behoort zonder twijfel tot de spits van onze Europees-gevormde intellectuelen.
Hiermee is feitelijk ook al alles gezegd over de stand van onze eigen literatuur. Er zijn zelfs nog geen intellectuelen in dit land, die schrijven. Er is geen literatuur, noch in het Maleis, noch in een van de vele andere talen die er zijn. Er wordt natuurlijk wel geschreven, en niet weinig zelfs. Er is een Instituut voor Volkslectuur, het geeft boekjes uit voor de massa, meestal vertalingen, ook wel oorspronkelijke geschriften, maar literatuur is dat nog niet. Wij zijn pas zo ver, dat men verhalen schrijft. Men is hier – de weinige uitzonderingen natuurlijk niet te na gesproken – totaal onbekend met het bestaan van een Europese, van een wereldliteratuur en men bestudeert ze dus ook niet.
Vandaar dat bijvoorbeeld de pogingen van een paar jonge nationalisten om de schone letteren te bedrijven, al worden zij als renaissance aangekondigd, op het ogenblik nog niet de aandacht waard blijken.
Het peil is er nog te laag voor; er is zelfs geen gedachte, geen vorm, geen klank, en wat het ergste is: niet genoeg ernst en eerlijkheid. Er is alleen nog onsmakelijk maakwerk, dat met veel reclame wordt aangekondigd.
En zonder romanliteratuur ook geen bekentenissen van levensvraagstukken en daardoor ook weer gebrek aan levenskennis bij ons. Een H.B.S.-abituriënt, een jongen van misschien 17, 18 jaar in Europa, weet soms meer van het leven dan onze intellectuelen, studenten of afgestudeerden.

Sjahrir – Overpeinzingen, 25-27

[Jakarta 6 – Roomschen] 

Een algemene, filosofische oplossing zou zijn de intensivering van het leven, de bestrijding van de exclusieve en scheidende tendenzen in de gemeenschappelijke ontwikkeling door bewustmaking, verdieping, door universele zelfopvoeding. Dit voor de hand liggend, maar de practische kanten van het vraagstuk zijn daarmee evenmin tot een oplossing gebracht. De kreet van eenzaamheid van het individu, van zijn geïsoleerdheid, zijn stuurloosheid te midden van het brandende gewoel van het massaleven, is algemeen. Het individu weet met zijn individualiteit geen raad, zoekt steun en heeft daaraan zelfs zo’n grote behoefte, dat het vaak zijn individualiteit graag voor de vermeende oplossing prijsgeeft. Het gevolg: groei en bloei van het Katholicisme, het nationaal-socialisme, de algemene roep om eenheid en gemeenschap. Het is curieus de oude macht “geloofseenheid” en de moderne van “staatseenheid” hier zo naast elkaar te vinden. Het suggereert een hele gedachtegang. Was het niet juist de eenheid, de gemeenschap in de kerk, die het Katholicisme onverdraagzaam maakte en tot kettervervolgingen dreef en die de leer van het vrije individuele geweten, het Protestantisme, deed geboren worden? En is dit Katholicisme weer niet natuurlijk en historisch gegroeid uit de Christelijke secten – die vrij waren en waarvan de leden individueel zich verantwoordelijk en vrij gevoelden in hun arbeid –, door groei en organisatie in de kerk? En is niet juist die groei en omvang, die steeds voortgaande organisatie oorzaak van de steeds groter nadruk op de machtszijde – de macht, die de organisatie in stand heeft te houden en die voor uitbreiding heeft te zorgen? Dit alles is natuurlijk in het Katholicisme gegroeid: de machtsidee, de discipline, de Jezuïeten-orde, de inquisitie, de dogma’s, het officiële geloof – alles voor de eenheid, de gemeenschap in het geloof. Het universalisme, corresponderend met het corporatieve in de toenmalige maatschappij, werd ook vaak “biologisch” beredeneerd.

Sjahrir – Overpeinzingen, 26-27

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

Vreemd, dat al die Protestanten, die zoveel bloed hebben vergoten in de strijd tegen het autoritaire geloof en vóór het vrije geweten, nu, zij het met nieuwe “moderne” woorden, bewust of onbewust eenzelfde, eens zo gehate en bestreden redenering volgen. Het is immers ondenkbaar, dat wanneer eenmaal een staatsabsolutisme is aanvaard, er nog ruimte zou overblijven voor individuele vrijheid in het geloof. Wanneer het arbeidsveld van het geweten is beknot over het gehele gebied van het maatschappelijk leven, dan is ook geen gewetensvrijheid voor God meer mogelijk, daar men zich tegenover God toch juist over zijn bestaan, zijn maatschappelijk leven heeft te verantwoorden.
Dat is het kernpunt: wij zijn tenslotte kinderen van onze tijd en wij hebben een geweten. Noem het zelfrespect, noem het besef van de menselijke waarden, noem het zoals men wil – het is het zichzelf toetsen aan zijn innerlijk houvast, zijn waarden, zijn beginselen, zijn vooroordelen, zijn gevoelens, zijn instincten. Wij allen hebben iets van Kants categorische imperatief in ons, van het protestantse individuele geweten, de verantwoordelijkheid tegenover zijn God of tegenover zichzelf, zonder tussenpersonen.
Wat is de waarde hiervan in de organisatie? Wat gaat vóór: de stem van het geweten of het collectief belang, de onderworpenheid aan de gemeenschap, de organisatie? Men heeft de Komintern wel eens met de katholieke kerk vergeleken, met haar onverdraagzaamheid, haar tot dogma’s verheven theorie, haar “Jezuïtisme” (Machiavellisme), haar inquisitie. En kan men dat eigenlijk niet met evenveel recht doen met de sociaaldemocraten en met elke machtsorganisatie? Vandaar de waarde van de gedachten van een Ortega y Gasset, vandaar dat zovele socialisten-Marxisten tot het anarchisme zijn overgegaan. Maar vinden die tenslotte bevrediging in hun afzondering, in hun onmacht? Is op die wijze hun geweten, hun zelfrespect of hoe men het noemen wil, gaaf en gezond te houden, – of leidt dit niet juist tot de eenzaamheid, die sociale ziekte? Dat is het oude vraagstuk sinds het individuele geweten, het individu ontdekt werd.
De enige conclusie, die wij trekken kunnen en die wij hier weer eens bevestigd zien, is dat de mens onbewust zijn geschiedenis maakt. Want wat blijft er over van de Lutherse en Calvinistische denkbeelden, wat van het absolute individualisme van de Franse revolutie? De katholieke kerk groeit en naast en met haar het fascisme, ten koste van het Protestantisme en liberalisme; de “katholieke” manier van denken overheerst weer, in de idee van machtsabsolutisme zelfs het oude universalisme overtreffend.
Men heeft er nieuwe namen voor bedacht, en dus herkent men het niet. Met al onze wetenschap, onze techniek zijn wij ten slotte nog zó bekrompen in onze zienswijze, dat wij ons eigen lot, nog daargelaten onze toekomst, niet kunnen overzien en blijven wij onderworpen aan de blinde machten, die in ons zijn, maar die wij niet kennen. Met evenveel recht kan men zeggen, dat de mensheid nog maar aan het begin van haar ontwikkeling staat als de Untergangs-suggestie van Spengler aannemen.
Deze overwegingen kunnen ons oordeel over ‘s mensen daden wat verzachten; de subjectieve verantwoordelijkheid voor hun daden wordt hierdoor als het ware voor een deel op de geschiedenis teruggeschoven. Vandaar waarschijnlijk, dat de mens steeds weer naar de geschiedenis teruggrijpt om op zijn problemen een antwoord te vinden en om zichzelf te leren kennen.

Sjahrir – Overpeinzingen, 60-62

[Borobudur 0 – Heuvel] 
[Jakarta 2 – Wajangpoppen] 

20 Juni 1935 – Ben ik misschien van mijn volk vervreemd? Waarom erger ik mij dan aan dingen, die hun leven vullen, waaraan zij gehecht zijn; waarom vind ik meestal zinloos en lelijk wat voor hen schoonheid inhoudt of zachtere gevoelens teweegbrengt?
De geestelijke afstand tussen mijn volk en mij is zeker niet groter dan die tussen een intellectueel in Nederland en bijvoorbeeld het Drentse boertje of zelfs maar tussen dien intellectueel en het onontwikkelde volk in Nederland in het algemeen. Het verschil is echter, geloof ik, vooral, dat de intellectueel in Nederland die afstand niet zo voelt, omdat er een gedeelte – zelfs een tamelijk groot gedeelte – van zijn volk is, dat ongeveer op zijn geestelijk peil staat en dat deel is het ook juist, dat het peil van het geestelijk leven in Nederland vormt: de intellectuelen, de wetenschapsmensen, de kunstenaars, de schrijvers.
Dat missen wij hier. Niet alleen is het aantal intellectuelen in dit land kleiner, in verhouding met ons bevolkingsaantal zelfs héél véél kleiner, maar bovendien vormen degenen die er zijn geen eenheid in geestelijk opzicht, niet één geestelijk leven, één cultuur. Zij zijn in cultureel opzicht nog onbewust, zoekend naar vorm en eenheid. En het is voor hen zoveel moeilijker dan voor de intellectuelen in Holland. Die bouwen gewoon voort, onbewust, of zij willen of niet, op het bestaande. Zij staan en drijven op hun verleden, op hun traditie en ook wanneer zij daar tegen in gaan, doen zij toch niet anders dan die als aangrijpingspunt, uitgangspunt nemen.
Dat hebben wij in dit land niet. Hier is sedert eeuwen geen geestelijk leven, geen cultureel leven, geen vooruitgang meer. Er zijn de veelgeroemde oosterse kunstuitingen, – maar wat zijn die anders dan rudimenten van een feodale cultuur, waarin wij mensen van de twintigste eeuw onmogelijk een steunpunt kunnen vinden? Wat kan de wajang, al die eenvoudige symboliek en mystiek – parallel aan allegorie en middeleeuwse wijsheid in Europa – ons intellectueel of algemeen cultureel nog bieden? Practisch niets. Onze geestelijke behoeften zijn twintigste-eeuwse behoeften, onze problemen, onze kijk zijn twintigste-eeuws. Onze zin staat niet meer mystiek, maar naar realiteit, helderheid, zakelijkheid.
In wezen kunnen wij nooit het essentiële verschil tussen Oost en West aanvaarden, niet voor ons leven, omdat wij voor onze geestelijke behoeften afhankelijk zijn van het Westen, niet alleen wetenschappelijk maar ook algemeen cultureel.
Cultureel staan wij dichter bij Europa of Amerika dan bij Boroboedoer of Mahabharata of bij de primitieve Islam-cultuur op Java en Sumatra. Wat is onze basis, het Westen of die rudimenten van feodale cultuur die nog in onze samenleving te vinden zijn?
Zo lijkt de zaak principieel gesteld, zo wòrdt hij echter zelden door ons gesteld; de meesten van ons zoeken onbewust naar een synthese, die hen innerlijk met rust laat. Zij willen westerse wetenschap en oosterse filosofie, oosterse geest en cultuur. Wat is die oosterse geest? Dat is, zeggen zij, de zin voor het hogere, voor het spiritualisme, voor het geestelijke, het religieuze, tegenover het materialisme van het Westen. Ik heb dit al ontelbare malen gehoord, maar overtuigd heeft het mij nooit. Verkondigt niet Hitler ook, dat de “arische Geist” de zin is van het hogere, het geestelijke, het morele, het religieuze? En is dit spiritualisme nu werkelijk zo’n bij uitstek oosterse eigenschap en oosters ideaal? Het lijkt mij allemaal onzuiver. Het is mogelijk dat klimatologische en rassenbiologische momenten invloed hebben op de bestaande verschillen in ontwikkeling van Oost en West, maar èn door de economische èn door de sociologische momenten, die zich ten slotte het meest direct uiten, is nooit meer precies na te gaan, in welke richting die invloed gaat en hoe groot hij is.
Beschouwt men de wereldgeschiedenis als één geheel en gaat men haar trapsgewijze ontwikkeling begrijpen, dan verdwijnen ook die eeuwige “wezenlijk” genoemde verschillen van spiritualisme van het Oosten en materialisme van het Westen en valt de nadruk op de feodale cultuur enerzijds met haar universalisme, haar spiritualisme, en anderzijds de burgerlijk-kapitalistische cultuur met haar burgerlijke ideologie, haar materialisme en moderne zakelijkheid.

Sjahrir – Overpeinzingen, 66-67

[Koch - Verantwoording, 135, 137-139] 

10 Sept. 1935 – Voordat wij hier kwamen – dat wil zeggen eerst de Partindisten*) en de Menangkabauers van de religieuze partijen, daarna wij – waren hier alleen maar zogenaamde communisten verbannen. Het is bekend genoeg – dat Van Blankenstein en anderen hebben het al duidelijk gezegd – dat het eigenlijk in het geheel geen communisten waren en ik vertel dan ook niets nieuws wanneer ik zeg, dat ik het dusver in geheel Tanah Merah nog geen enkele communist heb aangetroffen, naar de juiste betekenis van dat woord. De benaming revolutionairen of extremisten is dan ook juister, hoewel zelfs die er nog maar sporadisch onder te vinden zijn!
Wat de eerste bannelingen betreft, die in 1927 na de bekende opstand hierheen werden gezonden, het grootste deel van deze mensen, die zich in Indonesia destijds onder commando van de P.K.I. hebben geroerd, heeft dat met dezelfde mentaliteit gedaan als wanneer zij een of ander vorst of een zich voor wali (profeet) uitgevende kwakzalver of krankzinnige zouden hebben gevolgd. Het gros is de onontwikkelde desabewoner, het percentage analphabeten onder hen is niet onaanzienlijk.
Aannemelijk lijkt het mij daarentegen wel, dat een groot deel van deze mensen, al waren zij dan geen communisten, een opstand gewild hebben. Maar ik geloof, dat zij zelf niet precies wisten, wat ze zich daarvan voorstelden; voor velen waren het misschien niet meer dan vage, grof-religieuze voorstellingen, voor anderen misschien directe economische voordelen.
Het viel mij bij mijn aankomst hier al direct op, dat de gemiddelde man, waar ik in de beweging vóór mijn inhechtenisneming mee te maken had, moderner, een beetje méér ontwikkeld was dan deze bannelingen. Het licht natuurlijk ook hieraan, dat zij al acht jaren – sinds zij verbannen zijn – van geestelijke stilstand hebben gehad, maar het is toch ook een bewijs, dat het geestelijke peil van de nationalistische beweging in Indonesia de laatste jaren gegroeid is.
*) Leden van de P.I., dat is Partai Indonesia, ook genoemd Partindo.

IV. BANDA-NEIRA

Sjahrir – Overpeinzingen, 73-74

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

21 Febr. 1936 – Wij zijn hier niet de eerste bannelingen: behalve Dr Soeribno, die hier al vanaf 1929 verbannen is en hier met zijn hele gezin woont, is er ook nog Mr Soebana, ook met vrouw en kinderen.
Van den nestor van onze nationalistische beweging, Dr Soeribno, heb ik nog maar vluchtige indrukken. Een strijdbare natuur, een pittige kerel, maar of ik van hem geestelijke verrijking mag verwachten? Er is sprake van, dat hij van hier overgeplaatst zal worden naar een andere, grotere plaats. Naar de weinige uitlatingen, die ik tot nu toe van hem heb vernomen, kunnen ze hem eigenlijk net zo goed weer naar Java terug laten gaan. Ik ben toch werkelijk benieuwd, of de koloniale regering nu langzamerhand niet een andere koers in zal slaan. Ik heb het idee, dat ze nu toch zeker een deel van de nationalistische beweging in haar grote (buitenlandse) politiek zou kunnen gebruiken.
Van één ding ben ik zeker: dat deze koloniale regering, en meer nog de koloniserende Nederlanders, er eens spijt van zullen hebben, dat ze nooit een politiek van grote lijnen, van verre perspectieven hebben gevoerd, aangepast aan de moderne, veranderende wereldstructuur, dat ze nooit en nooit, zelfs maar één moment, aan bewuste, culturele politiek voor de bevolking van Indonesia hebben gedacht! *] Ik voor mij ben er van overtuigd, dat deze kortzichtigheid, deze befaamde Hollandse “degelijkheid” en het gemis aan verbeelding en durf zich van nu af aan zullen gaan wreken.
Dit komt naar aanleiding van mijn kennismaking met Dr Soeribno in mij op. Dien zouden ze volgens mij nu uitstekend kunnen gebruiken; hij is immers westers-synthetisch. Waarschijnlijk echter durven ze zelfs nu dat “risico” niet aan! Ten slotte zullen ze natuurlijk die richting toch op moeten, maar dan zal het ook wel te laat zijn. Als banneling kan ik alleen maar zeggen: we zullen zien.
*] [6 Mei 1936] Een poos geleden schreef ik eens, dat de Nederlanders er nog eens spijt van zullen hebben, dat ze in deze landen nooit een culturele politiek – dat is een verzoeningspolitiek in de ruimste en diepste zin – hebben weten te voeren. [Sjahrir – Overpeinzingen, 84] 

Sjahrir – Overpeinzingen, 75-76

[Jakarta 5 – Bestuur] 

9 Maart 1936 – Mijn betrekkelijke impopulariteit in kringen van nationalisten en intellectuelen in Indonesia heb ik grotendeels te danken aan wat zij noemen “westerse neigingen” en sommigen zelfs “hollandophiel”-zijn. Ik heb altijd geweten, dat deze sentimenten onvermijdelijk zijn in elke nationale beweging, die zich uit als onafhankelijkheidsbeweging, geopponeerd tegenover een overheersende natie. Masaryk was merkbaar anti-Duits, de Egyptenaren anti-Engels en zo heb je bij ons een steeds groeiende anti-Hollandse en zelfs antiwesterse gezindheid, zelfs ideologisch. Deze stemming is juist het sterkst onder de intellectuelen en onder de kleine burgers, dus onder die mensen, die (nog) niet actief aan de politieke beweging meedoen.
In die kringen zijn ze juist het meest onredelijk in hun gezindheid ten opzichte van Westerlingen, speciaal Hollanders. Omdat ze bang zijn hun brood te verliezen – het zijn veelal ambtenaren –, of omdat ze liever niets met politiek en alles wat er mee samenhangt te maken willen hebben, morren ze alleen maar onder elkaar. Hoewel ik het begrijp, sta ik er alles behalve sympathiek tegenover en concessies op dit gebied heb ik ook nooit willen doen.

Sjahrir – Overpeinzingen, 84

[Sjahrir – Overpeinzingen, 73-74] 

6 Mei 1936 – Er is weer heel wat spanning in de wereld op het ogenblik. “De vrede is ondeelbaar”, zegt Litwinof of anders gezegd, de oorlog is niet te localiseren. Waar hij ook uitbreekt, in Europa of hier, het wordt één grote wereldbrand. Het arme Ethiopië wordt er nu aan opgeofferd.
Er kan natuurlijk wel spoedig ontspanning komen, maar zonder verschuivingen zal dat toch niet gaan. En één ding is wel zeker, een oorlog gaat ditmaal ook ten koste van Nederland.
Een poos geleden schreef ik eens, dat de Nederlanders er nog eens spijt van zullen hebben, dat ze in deze landen nooit een culturele politiek – dat is een verzoeningspolitiek in de ruimste en diepste zin – hebben weten te voeren.
Zoals het nu is, hebben ze niets, niets aan de bevolking van Indonesia. Die hele gezagsgedachte van Colijn heeft, gezien van het internationale politieke aspect, voor geen halve cent waarde. Nu is Nederland, wat dit betreft, ook absoluut afhankelijk vsan buitenlandse verhoudingen: zowel de acht millioen Nederlanders als de zeventig millioen Indonesiërs zijn militair gelijk nul te stellen! Erger nog: Nederlanders en Indonesiërs hebben elkaar alleen leren wantrouwen. Maar de Hollandse kleinburger kan immers niet anders dan bekrompen en kortzichtig zijn.

Sjahrir – Overpeinzingen, 91-92

[Jakarta 1 – Redactiebureau] 

19 Mei 1936 – Met dat “communisme” hier is het toch grappig. Alles wat maar enigszins van “linkse” sympathieën verdacht wordt, wordt uitgekreten voor “communist”. Zo kan zich het vermakelijke geval voordoen, dat een van onze zéér gematigde, burgerlijke nationalisten, die feitelijk nog helemaal zit vastgeroest in zijn bekrompen-burgerlijke vooroordelen, door sommige hooggeplaatste ambtenaren – die zich met het opstellen van een rapport over zijn leven bezig moeten houden – voor een “verkapte communist” wordt gehouden. Zij konden hun eigen geestverwant niet herkennen, alleen omdat hij toevallig in het nationalistische kamp staat!
Vaak worden natuurlijk mensen met de naam communist bestempeld om gemakkelijker een hetze tegen hen te kunnen ontketenen. Colijn zou zeggen, dat de naam er niet toe doet; het gaat er immers alleen maar om, of je de koloniale regering bevalt of niet, of je in aanmerking komt om te worden weggewerkt of niet.
Maar het mag dan voor de koloniale Colijnisten geen “zonde” zijn om een ieder, die ze politiek gezien niet m ogen of haten of vrezen, communist te noemen – een bewijs van ontwikkeling, laat staan intellectueel peil is zulk een verwarring van namen en geestesstromingen toch evenmin. En dat is ook eigenlijk weer in orde, want er is hier in de koloniale samenleving nog geen intellectueel leven, zelfs niet onder de Europese bovenlaag. Voor ons overheersten een kwelling temeer. Neem bijvoorbeeld de Hollandse kranten hier: een “eersterangs”-blad als De Indische Courant ... wat daar niet voor stompzinnigheden in staan. De eerste de beste provinciale krant in Holland slaat hierbij vergeleken een mooi figuur.

Sjahrir – Overpeinzingen, 93, 94-95

[Bandung 4 – Boulevard] 
[Jakarta 9 – Hatta] 

29 Mei 1936 – Ik heb het boek Van Tsarisme tot Stalinisme van J. de Kadt gelezen. Ronduit bekent de schrijver, dat het niet wat je noemt een “objectief”-wetenschappelijk, historisch werk is, maar een “critisch” werk, waarbij de schrijver onder “critisch” schijnt te verstaan het waarderen en beoordelen van de behandelde feiten en personen volgens bepaalde, bij den schrijver bestaande maar niet aan den lezer bekendgemaakte maatstaven: in dit geval een “socialistische” politiek en levensbeschouwing, zoals de schrijver die opgevat wil hebben. [...]
Voorzover ik den schrijver ken, is hij er ook de man niet voor: hij is veel te fanatiek, in wezen absoluut vóór of tegen. Nú is hij tegen alle bestaande arbeidersbewegingen en hij doet dat weer zó fanatiek, dat zijn hele kijk op de wereld er door beheerst wordt: dat is dan de bril van zijn “nieuwe socialisme”. Alleen al het feit, dat hij land en volk die hij beschrijft, niet uit eigen aanschouwing kent, werpt al een eigenaardig licht op de sterk positieve, soms didactische toon van dit werk, die nu onvermijdelijk de indruk moet wekken van gewilde oppervlakkigheid ter wille van de conclusies, ter wille van ’s schrijvers criteria.
Kortom, De Kadt is blijkens dit werk nog steeds de teleurgestelde communist, zoals Souvarine er een is, zoals in Engeland op sympathieker wijze zelfs Middleton Murry, zoals Trosky er een is. Dezelfde psychologie, dezelfde mentaliteit, hetzelfde vijandiger en onverzoenlijker tegenover hun vroegere geloofsgenoten staan dan wié ook ter wereld. Die toon van verwaanden schoolmeester is soms bepaald irriterend en m.i. is die alleen psychologisch te verklaren. Voor een politiek propaganda geschrift kan zulk een toon er misschien mee door, maar voor mijn gevoel kan ook zulk een geschrift wel in een sympathieker, dat is verdraagzamer, minder fanatiek eenzijdige toon gesteld worden. Ook in dit boek, zoals in het werk van Huizinga, overheerst de Hollandse geest, de echt-Hollandse bekrompenheid, die tussen klein en groot niet juist weet te onderscheiden, die het kleine groot genoeg vindt voor aandachtige beschouwing; die voor het grote niet het juiste gevoel heeft en het gewoon behandelt als het kleine, alles kris-kras door elkaar heen – en ten slotte de crisisstemming van Holland, de verhevigde kankergeest, kankerlust!
Je zou een aardige parallel kunnen trekken tussen De Kadt en Hafil [Hatta]; ze lijken werkelijk op elkaar. Beide hebben ze veel zin voor het abstracte, voor de redenering. Beide hebben ze zóveel vertrouwen in de redenering, dat ze die voldoende achten voor het kennen van de werkelijkheid. Ook Hafil zou in staat zijn over iets te schrijven, waarvan hij alleen in andere boeken en geschriften gelezen had, – hoewel hij alle gelegenheid had om zelf te observeren, de mensen, het leven van nabij te leren kennen.
Daartoe missen zij echter de aanleg. Ook bij Hafil altijd die didactische, te positieve toon, die velen schoolmeesterachtig aandoet, haast bekrompen eenzijdig. De Kadt heeft vóór, dat hij algemener ontwikkeld is, maar in wezen heb ik tegen hem dezelfde bezwaren, namelijk tegen zijn natuur, zijn hele wezen. Ik ben er van overtuigd, dat hoeveel hij ook over revolutionaire bewegingen schrijft, hij niet iemand zou zijn aan wien je de leiding van een revolutie zou kunnen toevertrouwen: misschien alleen in de rol van Robespierre! Hij is er te weinig “mens”, te veel abstractie en redenering voor.

Sjahrir – Overpeinzingen, 99-100

[Semarang 1 – Locomotief] 

17 Juni 1936 – Ik ben hier nu wel veel beter van lectuur voorzien dan op Boven-Digoel, maar nog steeds heb ik het meest aan de Nieuwe R’damsche Courant. Het betekent heel wat om zo’n goede krant te ontvangen. Ik lees liever de N.R.C. van een maand geleden dan welke krant uit Java ook. Behalve de voornaamste Indonesische bladen ontvang ik hier ook nog De Indische Courant en De Locomotief, maar wanneer ik al die kranten niet meer zou ontvangen, zou ik niet zoveel missen als wanneer ik de N.R.C. niet meer kreeg – zelfs voor de gewone berichten.
Zo arm zijn we hier in Indonesia nog op dit gebied. Hoewel ik mijzelf niet heel veel tijd gun voor kranten, lees ik de N.R.C. toch altijd heel nauwkeurig; je waardeert het blad pas goed als je al die andere prutsbladen, waaraan ik mij soms hevig kan ergeren, er naast legt. Ook ben ik heel blij met de Franse weekbladen, die ik nu regelmatig ontvang. Alles, wat ik heb doorgenomen en niet meer kan gebruiken, stuur ik door naar Boven-Digoel. Uit ervaring weet ik, dat je daar deze dingen nog veel meer nodig hebt dan hier.
Er schijnt in Digoel enige verandering te zullen komen. Wahab schreef mij, dat de resident bij zijn jongste bezoek aan Digoel enige bannelingen te woord heeft gestaan. Daarbij kwam ter sprake, dat de regering wellicht tegemoetkoming zal verlenen voor het doen overkomen van vrouwen en meisjes voor de vrijgezellen. Dit luidt misschien een iets betere tijd voor de mensen daar in. Ik hoop het van harte. Wanneer ze daarbij nog eens een afdoend middel vonden tegen malaria, dan zou Digoel nog eens dragelijk kunnen worden. Dat zal echter wel onmogelijk zijn. Tot op zekere hoogte kunnen ze deze ziekte natuurlijk bestrijden of liever voorkomen door den mensen betere voeding te geven, maar wie weet komt dat ook nog wel eens.
Het invoeren van vrouwen in Digoel is voor de kolonie daar in elk geval een stap vooruit. Zodra de mensen zich aan het idee kunnen wennen van zich daar voor goed, of voor een heel lange tijd, te vestigen, zal het leven daar voor hen ook veranderen. Wanneer de regering dat eerder gedaan had, zou Digoel nu misschien al meer op een model-kolonie lijken, zeker veel beter zijn dan al de andere kolonies, die door de regering bekostigd worden; zelfs nu al is Digoel als kolonie niet slechter dan bijvoorbeeld de Indokolonies, die er zijn.

Sjahrir – Overpeinzingen, 100-101

[Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 347-349] 

28 Juni 1936 – Dat onze nationalisten zoveel met Japan ophebben is geen wonder, vooral waar de laatste tijd de grieven tegen de blanke overheersing steeds toenemen en de druk sterker dan ooit wordt gevoeld, – terwijl Japan zo aanminnig-voorkomend doet en zelfs Korea autonomie schenkt! Dat er bedoeling en lijn ligt in dit sympathie-winnen van de oosterse volkeren ligt nogal voor de hand.
Ik moet mij al heel sterk vergissen, of zij hebben bij onze kleinburgers, middenstanders en ambtenaren bereikt dat die zich de laatste jaren meer en meer naar Japan wenden voor de studie van hun zoons en dochters, evenals voor hun culturele ontwikkeling. Het is de laatsten jaren ook mode geworden om met vacantie naar Japan te gaan.
Natuurlijk zien de blanke machthebbers dit alles ook wel, maar die hebben zulk een groot vertrouwen in hun bajonetten, gevangenissen en Digoel dat ze het niet de moeite waard schijnen te vinden er hiervoor een bepaalde “politiek” op na te houden. “Driehonderd jaren hebben wij hier al met klewang en knuppel geregeerd”, zegt Zijn Excellentie De Jonge, “en over driehonderd jaar zullen we het nog wel doen”, verzekert hij ons middels den correspondent van de Deli Courant. Hij vertrouwt alleen op zijn hoofdparket, zijn soldaten en ... Digoel!

Sjahrir – Overpeinzingen, 107

[Bandung 5 – Kina] 

24 Aug. 1936. – Al deze dagen was ik niet in orde en ten slotte is het losgebroken: malaria. Ik heb het hier niet opgelopen – deze ziekte kennen ze op Banda niet eens – maar het is wat ik nog uit Digoel heb meegebracht en nu door verzwakt weerstandsvermogen weer is opgekomen. Ik onderwerp mij nu weer aan een kininekuur en ben gelukkig weer door het ergste heen. Gisteren had ik een hevige koortsaanval, maar vandaag is de koorts weer weg, alleen mijn hoofd voelt zwaar en ik ben verzwakt. Waarschijnlijk krijg ik morgen nog een aanval, maar dan zal het de laatste zijn: met kinine ben je op z’n laatst in vier dagen koortsvrij. Ik zal nu minstens twee weken lang dit kinine-gif in mijn lichaam op blijven nemen.

Sjahrir – Overpeinzingen, 111-113

[Jakarta 9 – Soetomo] 

Nu hebben bruiloften op Java en Sumatra veel weg van Europese bruiloften: een van de duizenden verschijnselen die aan te wijzen zijn, van het buitengewone adoptievermogen van dit Indonesische volk. Geen wonder ook: er is geen land ter wereld, dat gedurende de gehele geschiedenis zo aldoor opgenomen is geweest in het wereldverkeer als dit land van ons.
Soetomo heeft tijdens zijn reizen door Azië tot zijn verwondering moeten constateren dat het Indonesische volk het minst conservatieve van geheel Azië blijkt te zijn, en daarom nu ook het meest verwestert, nog méér dan de Japanners! Men zou dat zo niet denken, en toch is het waar. Bij ons is de westerse invloed doordrongen in volksgebruiken, in de massa, in de denkbeelden van de massa, terwijl het bij de Japanners, uitgezonderd bij de westers-opgeleiden en in de steden, nog steeds voor honderd procent Japans toegaat. Zelfs de westers-opgeleiden leven daar soms nog geheel op Japanse wijze, voelen zich daarbij het meest op hun gemak.
Hun verwestering is meestal uiterlijk en heeft op hun leven niet zo’n vervormende invloed gehad als op ons volk. Je kunt van ons zeggen, dat er bij de hogere standen – behalve misschien in de kratons – geen nationaal leven meer bestaat. In de huishoudingen van regenten, doktoren, wedana’s, kommiezen en rijke kooplui bij ons gaat het precies zo toe als in de Europese huishoudingen, niet alleen wat huisinrichting betreft, maar ook in de gebruiken en zelfs in de soorten van maaltijden.
Alleen in uithoeken als hier op Banda is er nog iets karakteristieks over, dat niet Europees is, maar Indonesisch is het natuurlijk ook weer niet, want zowel de huwelijkssluiting als de rituelen daarbij zijn Arabisch. Die hebben wij overgehouden uit onze tijd van druk contact met de Arabische cultuur, en zo hebben wij een Hindoese en zelfs een Chinese tijd gehad. Nu zijn wij aan onze Europese periode toe, – dit is een heel belangrijke waarheid.
Relatief zijn wij Indonesiërs nationaal het meest karakterloos en daarom is er bij ons ook nooit zó’n fanatiek nationalisme mogelijk als bij de andere volkeren van Azië. In werkelijkheid zijn wij onze blanke overheersers geestelijk heel sterk genaderd. Er is bij ons niet die afkeer voor het doen en ;laten der blanken als bij de andere Aziatische volkeren. Er is bij ons – ook een verschijnsel van ditzelfde – geen fanatisme in de godsdienst, zodat zelfs het Christen-zijn van den overheerser nog niet de ondraaglijkheid van zijn aanwezigheid hier veroorzaakt. Vandaar dat ons nationalisme altijd ook politiek zal blijven en meer economisch gekleurd: al het andere zal maar franje blijken en er kan geen werkelijke kracht uit voortkomen. Dat wil natuurlijk niet zeggen, dat ons volk de blanken liefheeft. Het is zeker mogelijk om op het gevoel van vreemdheid en zelfs van haat tegen de blanken te speculeren, maar die haat is niet wat de Chinezen hebben tegen de blanken of de Arabieren of de Indiërs, of ook maar de Japanners. Die haat is zoverre alleen maar oppervlakkig, omdat de haters zich wezenlijk assimileren, en wel geestelijk door levens- en denkgewoonten van de blanken aan te nemen. Die haat is geheel terug te brengen tot een uiting van minderwaardigheidsgevoel en van concurrentienijd en machteloosheid.

Sjahrir – Overpeinzingen, 113-114

[Jakarta 9 – Hatta] 

Op die bruiloft gisteravond waren ook Christenen aanwezig. En toch zijn de Mohammedanen hier nog orthodox, – maar typerend voor hun mentaliteit is, dat ze, ofschoon zij een heel orthodoxe Islam belijden, verdraagzaam zijn tegenover ketters van de Islam!
Zo bijvoorbeeld komen Soebana, Hafil [Hatta] en ik altijd en overal in pantalon bij de mensen en blootshoofds of met een hoed op, terwijl sarong en koepia (muts) voor de meesten hier een soort van voorwaarde zijn voor het Islamitisch-zijn. Men beschouwt ons als geloofsgenoten, ondanks het feit dat wij steeds als “kafir” (ongelovige) gekleed gaan, zelfs waar er gebeden wordt. Er is hier op het ogenblik een moderne Arabier van Java, die net doet als wij en ook hem dulden zij. Wij hebben nog nooit onaangenaamheden ondervonden. Wanneer wij dit op Atjeh of ook maar in Bantam zouden doen, zouden wij misschien in levensgevaar geraken!
En zo zijn wij dus ook onbewust en onopzettelijk de orthodoxie aan het ondermijnen. Navolgen durft men ons nog niet, maar men raakt langzamerhand toch wel vertrouwd met een Islam, die uiterlijk op deze manier beleden wordt. Natuurlijk speelt ook het feit, dat men erg tegen ons opziet om ons “intellectueel”-zijn – en misschien ook wel vanwege ons “banneling”-zijn – daarbij een rol. Die eenvoudige mensen zijn wat blij, dat ze zulke hoge geloofsgenoten in hun midden hebben. Maar hoe dan ook, het is een symptoom van grote verdraagzaamheid, want, zoals ik al zei, in andere delen van Indonesia zoals Atjeh en Bantam zou zoiets niet mogelijk zijn en ook in de Minangkabau bijvoorbeeld werden vijftien jaar geleden de mensen voor zulke vergrijpen nog door de ijverige Islambelijders toegetakeld of op zijn gunstigst geboycot.

Sjahrir – Overpeinzingen, 120

[Jakarta 1 – Redactiebureau] 

16 Nov. 1936 – Ik verbeeld mij me een tamelijk duidelijk beeld te kunnen vormen van de wereld buiten Banda op dit ogenblik, – en dat ondanks onze pers. De kranten hier en vooral de Europese geven heel andere inlichtingen over Duitsland dan die in Europa; de Europese pers is hier openlijk fascistisch. De gemiddelde krantenlezer hier in Indonesia heeft een bijna pathologische haat gekregen tegen alles wat “rood” is en beschouwt de fascisten als de redders van de wereld.
Ook hier op Banda zijn er velen, die openlijk met het fascisme dwepen. Daar heb je bijvoorbeeld de vrouw van onzen nieuwen dokter; zijgroet haar kennissen met de fascistische groet “Heil Hitler”. Zij vindt dat heel modern en leuk; méér snapt ze er niet van.
Japan is bij ons heel populair. Al durven de meesten er niet zo rond voor uit te komen, Japan heeft de sympathie van ons volk en de Japanners zijn de populairste vreemdelingen in ons land; ons volk heeft hen ook alleen nog maar van hun beste kant leren kennen! Ook ik wist pas toen ik in Europa zelf was, dat niet Duitsland maar Frankrijk het beste voorbeeld van Europese cultuur is. Er is cultuur nodig, voordat men dit kan leren begrijpen, voordat men onderscheid kan maken tussen cultuurwaarden.

Sjahrir – Overpeinzingen, 123-124

[Gouverneurs-generaal, Tjarda] 

[24 Dec. 1936.] Intussen worden steeds nog maar nieuwe bannelingen naar Digoel gestuurd; soms mensen, die eerst tien tot twaalf jaar in de gevangenis hebben gezeten voor het zelfde politieke delict, waarvoor ze nu nog weer verbannen worden. Er is daarentegen dit jaar nog niemand teruggezonden. Van fascistische zijde wordt er op het ogenblik trouwens druk propaganda gemaakt voor Digoel. Ik denk wel niet, dat dit instituut verdwijnen zal, vóórdat Indonesia vrij is. Het lijkt het gouvernement immers zo’n gemakkelijke manier van regeren: alle lastige klantjes maar naar Digoel en de bevolking daardoor intimideren.
Maar als ze een beetje meer verstand hadden, zouden ze begrijpen, dat dat tè eenvoudig en gemakkelijk is om juist en goed te zijn. Hoe langer hoe meer zal blijken, dat het juist de regering is, die hier een revolutionaire situatie schept met haar politiek-agressieve wijze van werken, waardoor ze diepere lagen van de bevolking van politiek doordrenkt en dat op een wijze, die heel wat gevaarlijker voor haar zal blijken te zijn dan het bestaan van honderden Soekarno’s en Hatta’s en P.N.I.’s en Partindo’s. Dat men dit zal inzien, kun je natuurlijk niet verwachten: men zal er net zo lang mee doorgaan, tot men op een dag met schrik de consequenties van de eigen daden moet ontwaren. Ik had gehoopt dat de nieuwe gouverneur-generaal iets minder “eenvoud” zou betrachten in zijn regering, maar tot nu toe merk je daar niets van. Raison d’état telt niet met mensenlevens. Raison d’état? Wij zullen maar weer afwachten of raison hier ook redelijkheid, verstandigheid kan betekenen. Enfin, het is eigenlijk niet mijn zaak om te bepiekeren, wat goed en niet goed is voor de bestendiging van de koloniale overheersing in deze landen.

Sjahrir – Overpeinzingen, 136

[Jakarta 7 – K.P.M.] 

2 Febr. 1937 – De kinderen komen vanmiddag niet, omdat zij een familie naar de boot gaan brengen die van hier vertrekt; die gaat nu eerst helemaal oostwaarts met de Japanse boot, en daarna terug naar Makassar: dat is de helft goedkoper dan de rechtstreekse reis met de K.P.M.-boot. Die Japanse dienst hier is een merkwaardige zaak. De K.P.M. heeft monopolie in Indonesia, dus moet deze Japanse lijn wel een concessie zijn van de K.P.M.
Overigens is de Japanse belangstelling voor dit uiterst oostelijke deel van onze archipel in de laatste tijd zeer groot. Er varen in deze wateren honderden kleine Japanse vissersboten en naar men fluistert ook grotere schepen als schoeners, enzovoorts. Geheel en al rustig schijnt het trouwens ook niet te zijn, want anders zouden wij hier niet voortdurend bezoek krijgen van oorlogsschepen. Ambon is nu tot hulpbasis van de vloot verheven. Op het ogenblik ligt in onze prachtige baai een Engelse kruiser, die hier vier dagen blijft liggen, na ongeveer een maand in deze wateren te hebben gekruist. Hij maakt deel uit van een vlooteskader, dat al geruime tijd deze omgeving moet of mag doorkruisen. Alles geschiedt in stilte en in de pers in Holland wordt er, meen ik, ook geen melding van gemaakt, maar wij, in dit afgelegen oord, voelen wat er aan dit uiteinde van de wereld gaande is.