Uitgeverij Van Wijnen, 
Franeker 1988

Bouwer – Het vermoorde land, 8

[Bandung 4 – J.B. Bouwer] 

Een half jaar later begonnen de interneringen. Mijn vrouw en ik besloten, dat het voor ons beiden nog vroeg genoeg zou zijn in de kampen te verdwijnen, als de Japanners ons zouden komen halen. M'n dagboek-aantekeningen heb ik voortgezet, óók toen dat voor een z.g. totok – een volbloed-Hollander – en voor diegenen die hem verstopten levensgevaarlijk was geworden. Naarmate de maanden en jaren van de gruwelijke bezetting verstreken, bestond voor mij ook niet meer de mogelijkheid om mezelf vrijwillig aan te melden. De Japanners zouden me als spion eerst hebben gefolterd om te weten te komen, waar ik al die tijd was ondergedoken en wat ik wel had uitgespookt en me daarna hebben doodgeslagen. Ik ben geen held en ik zou onder folteringen waarschijnlijk zijn gaan ‘zingen'. Daardoor zouden ook nog andere mensen die in het onderduik-huis aan de Dagoweg 42b in Bandoeng woonden in levensgevaar zijn gekomen. De dagboek-aantekeningen waren in de grond opgeborgen in twee hoge zinken bussen met een stevig deksel. Ook ingeval van mijn arrestatie en dood zouden de gegevens vermoedelijk – incompleet – bewaard zijn gebleven.

Bouwer – Het vermoorde land, 13, 14-15

[Bandung – Homann]

Bandoeng, zondag 8 maart 1942
Gisteravond moest ik mijn dagelijks avondpraatje houden voor de Columbia Broadcasting System in New York. Ik had een tekst geschreven, waarin ik een getrouw beeld wilde geven van de hopeloze toestand aan de vooravond van de overgave, hoewel het officiële legercommuniqué van gistermiddag nog zei, dat 'de situatie kritisch, maar geenszins hopeloos' was. Toen ik op het punt stond het Savoy-Homann Hotel te verlaten om naar de studio in het hoofdkantoor van de P.T.T. te gaan, werd ik in de lobby van het hotel aangehouden door een ambtenaar van de Regerings Publiciteits Dienst. Hij kwam me vertellen, dat alle apparaten voor de Internationale telefonie al waren vernield. [...]
Toen ik gisteravond in de lobby van het hotel kwam, was het doorbreken van de Nederlandse linies door het 16e Japanse Leger al algemeen bekend. De lobby leek wel een kerkhof. Service was er allang niet meer. De gasten moesten zelf hun eten en drinken in keuken en bar halen, als er tenminste iets te eten en te drinken was. Iedereen was uiteraard erg somber. Het gerucht van de onvoorwaardelijke overgave had zich al door het hotel verspreid. Voor de meeste gasten scheen het een opluchting te zijn, dat de strijd spoedig zou worden gestaakt. Iedereen besefte wel, dat zelfs indien de Nederlands-Indische troepen bij Lembang het nog even zouden kunnen uithouden, zij tenslotte toch zouden moeten wijken voor de toenemende Japanse druk uit het noorden en westen.
Men beweerde, dat de verhouding tussen aanvallers en verdedigers in het Lembangse al 10 op 1 was, nog afgezien van de volkomen Japanse overmacht ter zee en in de lucht. Het was dus voor iedereen duidelijk, dat deze strijd niet tot in het oneindige zou kunnen voortduren, dat er geen Indisch Bataan* zou zijn, zoals de luitenant-gouverneur-generaal, dr. Van Mook, donderdag j.l. in zijn laatste rede tot de al naar Bandoeng geëvacueerde Volksraad nog in zo welluidende woorden had voorspeld ...
Dodelijk vermoeide Nederlands-Indische soldaten zwermden het hotel binnen. Zij hadden vier dagen of langer gegeten noch geslapen. Zij vroegen om voedsel en een slaapplaats.
*) Bataan is een schiereiland op het Philippijnse eiland Luzon, waar de Amerikaanse troepen pas op 9 april 1942 voor de Japanners capituleerden. Hun bevelhebber, gen. Douglas Mc. Arthur week met zijn staf uit naar Australia.

Bouwer – Het vermoorde land, 15

[Bandung – Moskee]

Bandoeng, zondag 8 maart 1942
Japanse vliegtuigen hingen gisteren de hele dag boven de stad, opererend van de dichtbij gelegen bases Kalidjati en Tjikampak. Zij hadden de burgerij van Bandoeng tientallen malen de schuilkelders in gelaagd. Het zwaarste bombardement kwam gistermiddag om ongeveer drie uur. Een deel van het centrum van de stad werd vernield, inclusief de moskee en de dienstwoning van de regent. Tegenstand ontmoetten de Japanse toestellen niet meer, behalve enig plaatselijk en slecht gericht afweervuur. De vuurleidingstoestellen ontbraken aan vele Nederlandse kanonnen. Het is dan ook niet te overzien, wat er zou zijn gebeurd, als de Japanners – zoals zij hadden gedreigd – een bombardement op grote schaal à la Rotterdam op de stad zouden hebben uitgevoerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 16

[Bandung – Homann]

Bandoeng, zondag 8 maart 1942
De meeste gasten hadden zich al in hun kamers teruggetrokken. Ivy en ik gingen nog een poosje op het balkon van onze kamer zitten, uitkijkend over de verduisterde Grote Postweg, waar nog grote militaire activiteit was, waarschijnlijk van terugtrekkende troepen. Op mij maakte het de indruk van de stuiptrekkingen van een stervende. Op enige afstand zagen wij een grote brand. Het station, getroffen door een Japanse brandbom? Of 'verschroeide aarde'? Af en toe in de verte het doffe gedreun van het geschut op de Prahoe, nu definitief aan deze kant van de bergketen. Soms vuurflitsen. De slag woedde blijkbaar dus nog voort. In de straten van Bandoeng: soldaten, drentelend langs cafés en eethuizen, op zoek naar voedsel, sommige lallend in dronkenschap. Merkwaardig was onze eigen rust, zoals wij daar zaten, geen woord spraken, beiden ervan overtuigd, dat wat wij drie maanden lang van nabij hadden meegemaakt, de volgende morgen allemaal voorbij zou zijn.

Bouwer – Het vermoorde land, 18-19

[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 

Bandoeng, zondag 8 maart 1942
Toch was op het tijdstip, dat deze proklamatie werd voorgelezen, de overgave nog geenszins een feit. In Villa 'Isola', het buitenverblijf van de onder zo geheimzinnige omstandigheden gestorven Indische nieuwsmagnaat Beretty (sedert zijn dood dependance van het Savoy-Homann Hotel) waar nu het tijdelijke Nederlandse hoofdkwartier te velde was gevestigd, ontving de territoriale commandant, generaal-majoor Pesman de Japanse afgevaardigden. Zij verklaarden met de tekst van de proklamatie niet akkoord te kunnen gaan. Zij eisten, dat de gouverneur-generaal, jhr.mr. A.W.L. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, die zich eveneens in Bandoeng bevond, persoonlijk de Nederlands-Indische capitulatie met het Japanse opperbevel zou komen regelen op het door de Japanners al op de eerste dag na de landing op Java bezette vliegveld Kalidjati, 90 km ten noorden van Bandoeng. Om tien uur vanmorgen moest de gouverneur-generaal daarin hebben toegestemd onder bedreiging, dat anders de stad Bandoeng door Japanse vliegtuigen in de as zou worden gelegd. Inderdaad verschenen precies om tien uur Japanse bommenwerpers boven de stad, maar zij lieten hun projektielen niet vallen. Om kwart vóór tien had nl. de gouverneur-generaal er in toegestemd de Japanse opperbevelhebber op de aangeduide plaats te ontmoeten en was per auto met zijn gevolg – waartoe o.a. behoorden de algemeen sekretaris Kiveron, de directeur van het kabinet van de gouverneur-generaal, Idenburg, en de opperbevelhebber, luitenant-generaal Ter Poorten – naar Kalidjati vertrokken. Hij kwam daar na een zeer moeilijke reis over vernielde wegen en bruggen laat in de middag aan. De gouverneur-generaal moest nog geruime tijd wachten op de Japanse opperbevelhebber, die uit het bezette Batavia moest komen. De besprekingen begonnen pas om ongeveer half zeven 's avonds. De Japanse opperbevelhebber eiste opnieuw de onvoorwaardelijke overgave van alle Nederlands-Indische strijdkrachten. Dit zou – naar men beweert – aanvankelijk door de G.G. van de hand zijn gewezen, waarna zich een gesprek zou hebben ontsponnen over de volmachten van de gouverneur-generaal. Luitenant-generaal Imamura zou er echter op hebben gewezen dat de overgave van de stad Bandoeng alléén nutteloos was voor het Japanse Leger en hebben gedreigd met onmiddellijke heropening van het offensief om Bandoeng dan gewapenderhand in te nemen. Men zegt, dat de gouverneur-generaal, nadat de Japanse chef-staf luitenant-generaal Okazaki de wapenstilstandsvoorwaarden nogmaals had voorgelezen, principieel de eis tot onvoorwaardelijke overgave inwilligde, doch zich ruggespraak met de Nederlandse autoriteiten in Bandoeng voorbehield. Om ongeveer acht uur vanavond vertrok de Nederlandse delegatie per auto naar Bandoeng, waar zij om circa tien uur aankwam.

Bouwer – Het vermoorde land, 20-21

[Bandung – Hotel Preanger]
[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 

Maandag, 9 maart 1942
Terwijl vanmiddag om ongeveer half drie de geallieerde opperbevelhebber op Java, luitenant-generaal Ter Poorten, de Japanners liet weten, dat alle Nederlands-Indische strijdkrachten de wapens zouden neerleggen waartoe aan de verschillende troepen-onderdelen de bevelen reeds zijn gegeven – beweren vele mensen, dat zij al Japanse militairen in de stad hebben gezien. Van goed ingelichte Nederlandse zijde is mij echter de stellige verzekering gegeven, dat het capitulatie-document om ongeveer vijf uur vanmiddag is ondertekend en dat de Japanse troepen pas morgenavond om zes uur de stad zullen binnenrukken. De enige Japanse militair in Bandoeng is de officier Anu, die de Nederlandse delegatie van het vliegveld Kalidjati naar de stad vergezelde voor een bespreking met de gemeentelijke autoriteiten (resident Tacoma, regent R. A. A. Wiranatakoesoema en burgemeester Beets) over de onderbrenging van de bezettingstroepen. Een tweede conferentie ter regeling van andere details is voor morgenochtend tien uur in het Preanger-Hotel vastgesteld. De.Japanse opperbevelhebber, gen. lmamura zal woensdag zijn intocht houden

Bouwer – Het vermoorde land, 22a

[Bandung – Handelsbank]

Dinsdag, 10 maart 1942
Weer veel Indonesiërs op straat, meer nog dan gisteren. Ik passeerde de Nederlands-Indische Handelsbank. Een tafel met een groen kleed er op stond voor de ingang. Drie Japanners zaten er achter in rieten stoeltjes. Een schildwacht stond wijdbeens er voor. Op de tafel een fles whisky en een paar pakjes sigaretten. 'Dibeslah sama Balatentara Dai Nippon' (In beslag genomen door het Keizerlijke Japanse Leger) zei in slecht Indonesisch een stuk papier op de hoofdingang.

Bouwer – Het vermoorde land, 22b

[Bandung – Hotel Preanger]

Dinsdag, 10 maart 1942
Vanmorgen hebben trouwens de Japanners mijn auto al ingepikt. Ik was even in de stad om een paar zaken te regelen, toen ik voor het Preanger-Hotel door een Japanse soldaat werd aangehouden. Terwijl hij een stuk papier met Japanse karakters op de voorruit plakte, opende een andere Japanner de linker-deur en gebaarde mij uit te stappen en de sleutels te overhandigen. Er zat niet veel anders op dan te gehoorzamen. Het viel mij op, dat een van de Japanners goed Indonesisch sprak en toen ik hem goed aankeek, herkende ik de bediende van de foto-studio in Batavia, waar ik altijd mijn rolfilms het ontwikkelen en afdrukken. Hij herkende mij ook en grijnsde. Toen ik hem in het Indonesisch verzocht een paar persoonlijke eigendommen uit de auto te mogen halen, hervond hij zijn overwinnaars-houding. Hij stoof verschrikkelijk op en brulde 'Pergi!!', hetgeen onder de gegeven omstandigheden wel niet anders kon worden uitgelegd dan 'Donder op!'. En zo verloor ik dan ook een portable schrijfmachine, een goede wegenkaart van Java en een koffer met jurken van Ivy er in. En ook een exemplaar van het door de Nederlands-Indische regering uitgegeven witboek: 'Tien jaren Japans gewroet in Nederlands-Indië'. Ik stelde mij in verbinding met een Nederlandse officier, die op het bordes van het Preanger-Hotel stond. Zijn antwoord: 'Dat is het lot van de onderdrukte'. Ik begon toen te begrijpen, wat het zou betekenen om in de toekomst 'de bevelen van het Japanse leger op te volgen'. Vier Japanse soldaten sprongen onmiddellijk in m'n auto en reden luid schreeuwend weg, terwijl ik te voet verder ging. Toen ik het Savoy-Homann Hotel passeerde, zag ik m'n auto voor de laatste keer: Japanse soldaten waren bezig haar vol te proppen met uitrustingsstukken. Anderen prutsten aan de motor. Er was kennelijk iets defekt en met een niet gering leedvermaak constateerde ik, dat m'n auto me tenminste trouw was gebleven.

Bouwer – Het vermoorde land, 22-23

[Bandung – Gebouw Nillmij]

Dinsdag, 10 maart 1942
De Nederlandse Handelsmaatschappij is ook gesloten en 'dibeslah'. Ook het hoofdpostkantoor en het Nillmy-gebouw. Hier heeft de 'Barisan Propaganda', de propaganda-afdeling van het Japanse leger, zich gevestigd. Overal affiches met afbeeldingen van het Japanse bezettings-geld, dat van morgen af in grote hoeveelheden in omloop zal worden gebracht. Bankbiljetten van 10, 5 en 1 gulden en van 50, 10, 5 en 1 cent. 'De Japanse regering betaalt aan toonder'. Op het 'bankbiljet' van 1 cent staat alleen maar: 'De Japanse regering één cent'. Het nieuwe betaalmiddel. Het plaatselijke 'Algemeen Indisch Dagblad De Preangerbode' verscheen ook nog, maar bevatte alleen maar de verschillende proklamaties, die de laatste dagen zijn afgekondigd.

Bouwer – Het vermoorde land, 23-24

[Bandung – Homann]

Woensdag, 11 maart 1942
De Japanse opperbevelhebber, gen. Imamura is in de afgelopen nacht in Bandoeng aangekomen en heeft zijn intrek genomen in het Savoy-Homann Hotel. Hij vond het blijkbaar toch maar veiliger om niet overdag de stad binnen te komen en heeft tenminste de goede smaak getoond om geen overwinnings-parade te houden. Maar misschien komt die nog wel. De hoofdmacht van de Japanse divisie, die de capitulatie van Bandoeng afdwong, is vandaag eveneens de stad binnengerukt. Van Nederlandse artsen hoorde ik, dat in de verschillende hospitalen 8 vrouwen na verkrachting door Japanse soldaten zijn opgenomen, onder hen 3 Europese meisjes. De stad is vol Japanse soldaten, die het stadsbeeld snel veranderen. Toch heb ik de indruk, dat de bezettingstroepen niet bijzonder sterk zijn. Zij zijn ondergebracht in grote gebouwen – vooral scholen – en particuliere huizen, die door het Japanse leger werden gevorderd
De bewoners zijn er zonder meer uitgegooid. In de buitenwijken hebben de Japanse troepen – merendeels stoottroepen, die vele jaren aan de fronten in China hebben gevochten – zich liederlijk gedragen. De plaatselijke bevelhebber, gen. Harada, liet vanmiddag over de radio een bekendmaking voorlezen, die min of meer een verontschuldiging was voor dit wangedrag van zijn soldaten. Hij liet meedelen, dat de inkwartiering, zoals die gisteravond in de noordelijke buitenwijken heeft plaatsgehad, niet had kunnen worden vermeden en dat zij – indien mogelijk – in het geheel niet (meer) zou plaatshebben. Wat dan niet wegneemt, dat vele Bandoengers op het ogenblik dakloos zijn. Later werd de bekendmaking aangevuld met de mededeling, dat de bezettingstroepen zoveel mogelijk buiten de stad zullen worden gelegerd, ofschoon het natuurlijk onvermijdelijk is, dat een groot contingent permanent in de stad blijft.

Bouwer – Het vermoorde land, 26

[Bandung 2 – Departement van Oorlog] 

Donderdag, 12 maart 1942
Het Japanse bestuur gaf de burgerij vandaag gelegenheid eventuele klachten voor te brengen. Japanse officieren waren aanwezig in het voormalige departement van Oorlog, dat door de bezetters al is gedegradeerd tot officiersmess. Tegelijkertijd was er een bevel uitgevaardigd, dat Europeanen vandaag thuis moesten blijven. Die mogen blijkbaar niet komen klagen. Vanmiddag heb ik mij op de fiets toch op straat gewaagd om eens bij het D.v.O. te gaan kijken, of er veel mensen waren komen klagen. Ik had eigenlijk een groot aantal klagers verwacht. Voor de poort stond echter alleen maar een schildwacht, die nijdig werd toen ik afstapte. Ongearticuleerde klanken, die hij uitstiet, betekenden blijkbaar, dat ik moest doorrijden. Vanavond hoorde ik, dat het spreekuur had geduurd van twaalf tot twee uur. Alleen Indonesiërs werden toegelaten. Ongeveer 5 klagers zijn binnen geweest.

Bouwer – Het vermoorde land, 27

[Woordenlijst – Djojobojo] 

Men bespreekt nu al de vraag hoe lang deze Japanse overheersing zal duren. Optimisten klampen zich vast aan de oude en beroemde Djojobojo-legende, die ‘overheersing door een geel ras’ heeft voorspeld, die zal duren zolang de mais nodig heeft om rijp te worden. Dat zijn ongeveer honderd dagen of drie maanden. Djojobojo was in de 12e eeuw vorst van een groot hindoe-rijk in O-Java.

Bouwer – Het vermoorde land, 28

[Bandung – Kerata Api]

Zaterdag, 14 maart 1942
Men mag niet meer per trein reizen zonder een speciale pas, die op het stadhuis door Nederlandse ambtenaren namens de bezetter worden verstrekt. Met het treinverkeer schijnt het overigens op het ogenblik niet zo slecht te zijn gesteld. De lijn naar Batavia, waarin vele vernielingen hebben plaatsgehad, zowel door oorlogsgeweld als door toepassing van de 'verschroeide aarde'-taktiek, is natuurlijk nog niet hersteld. Het zal ongetwijfeld nog een tijdje duren vóór de vele vernielde bruggen in dit bergtrajekt weer in orde zullen zijn. De grootste moeilijkheid is de brug bij Tjibadak, circa 100 km ten westen van Bandoeng, die door de terugtrekkende geallieerde troepen werd opgeblazen. Ook de drie grote verkeerswegen tussen Bandoeng en de hoofdstad zijn op verschillende punten ernstig vernield en deskundigen ramen, dat het minstens nog wel een maand zal duren vóór men van Bandoeng naar de hoofdstad zal kunnen gaan. Als dan de verbindingen zijn hersteld, begint er een uittocht uit Bandoeng. Duizenden mensen zijn gedurende de dagen van de strijd op Java naar Bandoeng geëvacueerd of gevlucht. Men schat het bevolkingsoverschot als gevolg hiervan op minstens 40.000 Europeanen – burgers – alleen.

Bouwer – Het vermoorde land, 29

[Bandung 4 – Muloschool] 

Zondag, 15 maart 1942
lk ben vanmorgen bij de gevreesde Kenpeitai geweest, de Japanse Gestapo en eufemistisch bekend onder de naam Militaire Politie, om mij te beklagen over het inpikken van m'n auto. Nadat me was gevraagd, of ik een 'orang belanda' (Hollander) was, werd ik in een volle, rokerige wachtkamer gebracht, vroeger de aula van de Rooms-Katholieke H.B.S. aan de Heetjansweg. Officieren van de Kenpeitai hielden daar zitting en zo kon ik meehoren, hoe een Bandoengse arts zich er over beklaagde, dat gisteravond een Japanse officier zijn huis was binnengedrongen met oneerbare bedoelingen jegens zijn echtgenote. Gelukkig slaagden de dokter en zijn vrouw er in om de Japanner – die dronken was – het huis uit te zetten. De dokter gaf een signalement van de officier en de Japanners achter de tafel beloofden hem, dat het geval zou worden onderzocht. Na ongeveer een uur – het kan ook langer zijn geweest, want ik had mijn polshorloge veiligheidshalve maar thuis gelaten – kwam ik aan de beurt. Ik werd voor een klein Japannertje geleid. Hij werd bijgestaan door een Japanse onderofficier, die goed Indonesisch sprak. Ik zal het verhoor, waaraan ik werd onderworpen – het leek waarachtig wel, of ik de auto had gestolen – maar niet herhalen. Het had van het begin of aan geen zin. Ook mij beloofden zij, dat de zaak zou worden onderzocht en dat ze me het wel zouden later weten, als de auto mocht worden gevonden. Beiden vergaten echter om mij een beschrijving van de wagen en mijn adres te vragen.

Bouwer – Het vermoorde land, 30a

[Bandung 3 – Verkeer en Waterstaat] 

Maandag, 16 maart 1942
Het autoverkeer zal sterk worden beperkt. Ik heb mij laten vertellen, dat de benzine-voorraden, die de Japanners hadden gedacht op Java te zullen aantreffen, bijzonder teleurstellend zijn geweest en dat o.m. dáárom op het benzine-verbruik moet worden bezuinigd. Alle eigenaars van partikuliere auto's moeten die vandaag en morgen voorrijden bij het departement van Verkeer en Waterstaat. Daar zal dan de onmisbaarheid van het voertuig voor bedrijf of anderszins worden vastgesteld. Ingeval een rijvergunning wordt verleend, moeten daarvoor f 100, (Ned. Indische valuta) als ‘kosten van onderzoek' worden betaald. Of dat het recht op benzine-verbruik inkludeert, hebben de Japanners er niet bij gezegd.

Bouwer – Het vermoorde land, 30c

[Bandung 1A – Staatsspoorwegen]

Maandag, 16 maart 1942
Bij dekreet zijn de Nederlands-Indische Staatsspoorwegen vandaag overgenomen door het Japanse leger. Alle ambtenaren, die in hun funktie voorlopig zijn gehandhaafd, staan nu onder de Japanse krijgswet.

Bouwer – Het vermoorde land, 30-31

[Bandung 1A – Bandong] 

Maandag, 16 maart 1942
De Japanse propaganda is er mee begonnen de Indonesische bevolking te 'bewerken'. Op de Aloon-aloon, het stadsplein in het centrum, is vanmorgen met groot ceremonieel een luchtballon, omgeven door verschillende kleinere rode- en witte ballonnetjes (de Indonesische nationalistische kleuren) opgelaten. Er onder de woorden: 'HIDOEP ASIA RAYA' (Leve Groot-Azië).

Bouwer – Het vermoorde land, 31

[Bandung – Van Dorp]

Maandag, 16 maart 1942
Terwijl de bezetters proberen prijsstijgingen te verhinderen, worden de prijzen ten behoeve van de Japanse militairen sterk gedrukt. Toen ik vanmorgen in de boekhandel van Van Dorp was, zag ik daar een bordje met de mededeling, dat aan Japanse klanten een korting van 20% moet worden verleend. De Japanse officieren blijken, volgens de verkoopsters, voornamelijk te zijn geïnteresseerd in Engelse boeken en vooral in pornografische lektuur waarvan bij het deftige Van Dorp de keuze nou niet zo groot is. Andere veel-gevraagde artikelen: leren tassen (leer is in Japan al sinds jaren niet meer te krijgen), vulpenhouders en fototoestellen. Ook anti-Japanse boeken zijn zeer in trek. In hun eigen land mogen de Japanners die niet lezen en zijn ze niet te koop. Derhalve nemen zij hier hun kans waar.

Bouwer – Het vermoorde land, 32

[Bandung 1A – Sociëteit 'Concordia'] 
[Bandung 1B – ter Poorten]
 

Dinsdag 17 maart [1942]
De generale staf van het K.N.I.L. is nu ondergebracht in de Sociëteit Concordia aan de Grote Postweg, waar onder leiding van gen. Ter Poorten de liquidatie van de Nederlands-Indische strijdkrachten wordt voltooid.

Bouwer – Het vermoorde land, 33

[Surabaya 4 – Marine Etablissement] 

Woensdag, 18 maart [1942]
Nederlandse marineofficieren vertelden mij, dat de vernieling van de vlootbasis Soerabaia grondig is geweest. Volgens hen is er geen sprake van, dat de vijand de etablissementen voorlopig zal kunnen gebruiken. Alle dokken, waaronder drie drijvende, zijn tot zinken gebracht, een met een torpedojager die in reparatie was, er nog in. Niet minder dan 123 kleine en grotere vaartuigen, die niet tijdig konden wegkomen, zijn in de havenbekkens tot zinken gebracht. Alle werkplaatsen en opslagplaatsen zijn opgeblazen. De Japanners is een grote puinhoop in handen gevallen.

[Bogor – Buitenzorg] 

Donderdag, 19 maart [1942]
In Buitenzorg is gedurende de verwarring na de capitulatie enorm gerampokt. De stad en omliggende distrikten zijn berucht als rampok-centra, zelfs in normale tijden. De Japanners hebben het zich in het buitenverblijf van de gouverneur-generaal al gemakkelijk gemaakt. De Nederlandse bestuursambtenaren zijn kort na de bezetting van de stad gearresteerd. De Indonesische burgemeester mr. R. Ngabei Soebroto is aangebleven en eigenlijk heerser over de stad. De Japanse soldaten hebben onder de Europese vrouwen en meisjes als beesten huisgehouden.

Bouwer – Het vermoorde land, 33a

[Jakarta 3 – Strafgevangenis] 

Woensdag, 18 maart [1942]
Ik heb ook eerste berichten van na de capitulatie uit Batavia. De toestand is er niet bijster aangenaam. De Japanners treden er zeer streng op. Vele hoge ambtenaren zijn al in arrest gesteld. De resident van Batavia, mr. Abbenhuys en burgemeester ir. Voorneman zijn geboeid door de straten naar de Glodok-gevangenis gevoerd. De Japanners zijn ook bij mij thuis geweest om me te halen.

Bouwer – Het vermoorde land, 34

[Jakarta 4 – Molenvliet] 

Vrijdag, 20 maart [1942]
Er zijn in Batavia na de capitulatie van de stad op 5 maart hevige gevechten geleverd tussen de Stadswacht en Japanse soldaten ener- en rampokkers anderzijds. Grote benden rampokkers uit het gebied van Bantam trokken naar de hoofdstad om daar hun slag te slaan. Hun gejoel weerklonk dreigend door de straten, slechts overstemd door het geknetter uit de Nederlandse en Japanse geweren en machinegeweren. De hevigste gevechten werden geleverd langs de Molenvliet en in de buurt van de winkelstraat Pasar Baroe. Vele rampokkers werden gedood. De Japanners hakten handen en vingers of van dieven, die werden gegrepen. Nog dagen lang schijnen de lijken van rampokkers in de Molenvliet te hebben gedreven. Vele eigendommen zijn ongetwijfeld gespaard gebleven door dit krachtige optreden van de Japanners.

Bouwer – Het vermoorde land, 35

[Jakarta 4 – Tangerangse Weg] 

Vrijdag, 20 maart [1942]
De snelle val van Batavia is ook voor de Japanners een verrassing geweest. De Nederlands-Indische troepen trokken zich zó snel terug, dat de Japanse eenheden eenvoudig alle contact met hen verloren en de grootste moeite hadden om de terugtrekkende geallieerden bij te benen. Resident Abbenhuys stond met een witte vlag aan de Tangerangse Weg de Japanse troepen op te wachten. Op de avond van de 5e maart capituleerde de stad officieel – praktisch zonder slag of stoot – en op de 6e maart 's morgens rukten de Japanse eenheden de stad binnen. Ze kwamen op Nederlandse fietsen, die ze gedurende hun militaire campagne in beslag hadden genomen (lees: gestolen). Dagen tevoren had de hoofdstad op haar grondvesten gedreund, toen vernielingen in de buurt werden uitgevoerd, voornamelijk in de haven van Tandjong Priok. Vier dagen lang hing een grijze rook boven de stad, die old-timers deed herinneren aan de beruchte uitbarsting van de Krakatau in 1883.

Bouwer – Het vermoorde land, 35a

[Bandung 4 – G.G.] 

Vrijdag, 20 maart [1942]
Ook de gouverneur-generaal is nog in de stad. Hij is in de villa 'Mei Ling', eigendom van een Chinees, geïnterneerd en schijnt voortdurend te worden verhoord. Het is zeker, dat hij naar buiten Java zal worden gebracht.

Bouwer – Het vermoorde land, 36

[Bandung 1A – Staatsspoorwegen]

Vrijdag, 20 maart [1942]
Het personeel van de spoorwegen wordt gedwongen Japans te leren.

Bouwer – Het vermoorde land, 36b

[Bandung – Gebouw Nillmij]

Zaterdag, 21 maart [1942]
Ik heb vanmorgen de hulp van de 'Barisan Propaganda' van het Japanse leger ingeroepen voor een reispas naar Batavia, waar ik wil trachten in contact te komen met m'n collega's van het 'Algemeen Nieuws- en Telegraaf Agentschap Aneta', die op Japans bevel uit Bandoeng weer naar Batavia zijn teruggebracht om daar voor de Japanners te gaan werken. In het Nillmy-Gebouw werd ik toegelaten tot mevrouw Van der Elst, de Japanse echtgenote van de oud-resident van Bantam, die – ofschoon zeer pro-Hollands – als liaison-persoon een grote rol op het kantoor der Japanse propaganda speelt. (Een andere belangrijke figuur daar is het ex-Volksraadslid Alatas). Zij schijnt mijn verzoek wel onmiddellijk aan de Japanse autoriteiten te hebben voorgelegd. Toen ik een paar uur later thuiskwam – alles gaat op de fiets, Bandoeng is vol hellingen en de afstanden zijn enorm – was er al een Menadonese employé van de Japanse propaganda geweest met een introductie in het Japans. Daarmee moet ik mij morgen vervoegen bij de Nederlands-Indische liaisonstaf van de afdeling Civiele Zaken op het Japanse hoofdkwartier in de Societeit Concordia. Bij wijze van voorzorg ben ik daar vanmiddag al heen geweest en heb het briefje laten vertalen door een Nederlandse tolk. Er stond inderdaad niets anders in dan: 'Brenger dezes wenst voor zijn werk naar Batavia te gaan'.

Bouwer – Het vermoorde land, 37

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

Zondag, 22 maart [1942]
De Batavia-zender van de N. I. R. O. M. is weer in de lucht en brengt om tien uur 's avonds nieuwsberichten in het Nederlands. Een bericht is de moeite van het aanhalen waard: uit Tokyo is gemeld, dat met de verbreiding van de Japanse kultuur in de bezette gebieden spoedig een begin zal worden gemaakt. Eerst zal de Japanse taal worden ingevoerd. Een grote lading leerboeken is al verscheept.

Bouwer – Het vermoorde land, 39

[Bandung 4 – de Driekleur] 

Dinsdag, 24 maart [1942]
Vandaag tweemaal verhuisd. Uit Batavia weet ik nu zeker, dat de Kenpeitai mij zoekt. De 'Barisan Propaganda' hier kent mijn adres. Ik moet ‘in beweging' blijven. Onder een andere naam hadden wij juist een kamer betrokken in het pension 'de Driekleur' aan de Dagoweg, hoek Heetjansweg, vlak bij het hoofdbureau van de Kenpeitai, toen de pensionhoudster telefonisch aanzegging kreeg, dat zij haar huis morgenochtend om half acht moest hebben ontruimd. Aangezien het woningprobleem in de stad al even akuut is als alle andere vraagstukken, mochten wij ons gelukkig prijzen direkt een kamer te vinden in pension 'Vrij Nederland' aan de Houtmanstraat in de buitenwijken van de stad.

Bouwer – Het vermoorde land, 40

[Bandung 2 –15de Bataljon] 

Donderdag 26 maart 1942
In Bandoeng zoeken de Japanners naar officieren en manschappen van het K.N.I.L., die zich na de capitulatie niet voor ontwapening en internering hebben gemeld. Voor deze stad alleen wordt het aantal 'deserteurs' op 5000 geschat. Jonge mannen in burger worden op straat aangehouden en moeten bewijzen niet gemobiliseerd te zijn geweest. In de kazerne van het 10e Bataljon *] worden daarvoor thans officiële bewijzen uitgegeven.
[* Het 10e Bataljon lag in Batavia, waarschijnlijk wordt hier bedoeld het 15e Bataljon.]

Bouwer – Het vermoorde land, 41

[Bandung – Homann]

Donderdag, 26 maart [1942]
Het Savoy-Homann Hotel is een soort bordeel geworden. Een van de nog in dienst zijnde Europese gerants vertelde me vandaag, dat hij van Japanners opdracht heeft gekregen om 50 Indonesische prostituees te zoeken.

Bouwer – Het vermoorde land, 42

[Bandung – Kerata Api]

Zaterdag, 28 maart [1942]
In Bandoeng is de pasjes-regeling voor Europeanen, Indo-Europeanen en Chinezen daarentegen nog altijd van
kracht. Velen slippen met allerlei trucs toch door het Japanse cordon heen, vooral Europese dames, die zich als Indonesische vermommen en daarvoor zelfs hun haren zwart laten verven. Een Europese vrouw is gisteren op het station van Bandoeng door een Japanner betrapt. Hij veegde met zijn handen de kosmetiek van haar gezicht en smeerde deze aan haar sarong. Daarna beval hij haar zich te ontkleden in tegenwoordigheid van alle reizigers. In de wachtkamer moest zij een kwartier vrijwel naakt rondlopen.

Bouwer – Het vermoorde land, 44a

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

Zondag, 29 maart [1942]
In Batavia is het nu rustig. In de Rechtshoogeschool op het Koningsplein West is het hoofdkantoor van de Kenpeitai. De handel is dood.

Bouwer – Het vermoorde land, 44b

[Bandung – Braga]

Zondag, 29 maart [1942]
De Japanse autoriteiten keuren de wijze af, waarop Europese vrouwen zich kleden in shorts en slacks. Op de Bragaweg, de voornaamste winkelstraat van Bandoeng, was ik er vanmorgen getuige van, hoe een Nederlands meisje, dat een pantalon droeg, van drie Japanners bevel kreeg om deze en andere kledingstukken uit te trekken, tot zij nog slechts zeer summier gekleed was. Met de uitgetrokken kleren over haar arm moest zij een paar honderd meter midden op de Bragaweg lopen. Daarna mocht zij zich in een winkel weer gaan aankleden.

Bouwer – Het vermoorde land, 45

[Jakarta 5 – Capitol] 

Dinsdag, 31 maart [1942]
Batavia is weer zodanig rustig, dat de avondklok is verzet tot half twaalf Japanse tijd. Bioscopen zullen spoedig worden heropend met Amerikaanse, Engelse en Duitse films. Er zijn nog voldoende films in het land om de Japanners voorlopig zoet te houden. De eerste film bij de heropening van het 'Capitol'-theater zal zijn 'The Great Dictator' met Charlie Chaplin. Alleen toegang voor Japanse officieren.

Bouwer – Het vermoorde land, 45a

[Bandung 2 – Departement van Oorlog] 

Dinsdag, 31 maart [1942]
Mijn vrouw en ik zijn vandaag voor het eerst samen de stad in gegaan. Tot dusverre achtte ik het beter om haar thuis te laten, wanneer ik de stad in moest. Wat je tegenwoordig in de stad opvalt, is het verschrikkelijke getoeter van auto's, waarin Japanners rijden, of er nu druk verkeer op de weg is of niet. Ook als er geen sterveling op de weg is, toeteren de Japanners nog álsof zij op het spitsuur door de Amsterdamse Kalverstraat rijden. Ze vinden het kennelijk vreselijk leuk om in een auto te zitten. 's Avonds laten zij in hun wagen altijd licht branden. Op het plein voor het voormalige departement van Oorlog werden Japanse soldaten geoefend in de parade-pas. Nederlands-Indische krijgsgevangenen marcheerden voorbij, luid het aloude Nederlandse ‘volks'-lied: 'Van je hela, hola, leve je weet wel wie!' zingend.
[De originele tekst is ‘Leve de Wilhelmien’.]

Bouwer – Het vermoorde land, 46a

[Bandung 3 – Pensioenfondsen] 

Woensdag, 1 april [1942]
Het is moeilijk te geloven, dat het géén april-mop is, maar de plaatselijke autoriteiten hebben een dekreet uitgevaardigd, waarbij zoenen, liefkozingen en andere intimiteiten tussen personen van mannelijk en vrouwelijk geslacht in het openbaar zijn verboden. Deze stroken niet met de Japanse zedelijkheids-begrippen. De ‘openbare weg' begint al bij openstaande ramen. Als je je vrouw toevallig een zoen geeft en een voorbijgaande Japanner ziet dat, loop je de kans te worden ingerekend. Wat blijft er van de liefde nog over... ?
Met een ander dekreet zijn de pensioenen nu inderdaad afgeschaft. Een harde slag niet alleen voor gepensionneerde Europese ambtenaren, maar vooral voor de tienduizenden Indo-Europese en Indonesische oud-landsdienaren, die zijn gepensionneerd na vele jaren vorstin en vaderland te hebben gediend. Het is ook een nieuwe vorm van roof op grote schaal. De gepensionneerden worden van nu of aan iedere komende maand door de Japanners beroofd voor het bedrag van hun rechtmatige pensioen. Dit zal de pauperisering snel in de hand werken.

Bouwer – Het vermoorde land, 46c

[Bandung – Homann]

Woensdag, 1 april [1942]
Ik heb een vreemd verhaal gehoord, dat ik alleen maar weergeef, omdat het volkomen authentiek en betrouwbaar is en niet om er enigerlei konklusie aan te verbinden wat betreft toekomstige ontwikkelingen. Twee Nederlandse marine-officieren stonden voor het Savoy-Homann Hotel met elkaar over de oorlog te praten. Zonder dat ze het merkten, kwam een Japanse officier achter hen staan, die enige ogenblikken het in Nederlands gevoerde gesprek volgde. Plotseling mengde hij zich er in en zei eveneens in het Nederlands: 'Maakt U zich niet ongerust, mijne heren. Nederland zal herrijzen. En Indië ook'.

Bouwer – Het vermoorde land, 48

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

Donderdag 2 april [1942]
De Japanners sluiten voor deze chaos zoveel mogelijk hun ogen en doen net alsof alles heel normaal en voor-oorlogs is. Ze gaan nu ook de Bandoengse bioscopen heropenen. De Sociëteit Concordia zal aanvankelijk een restaurant, later een Japanse club met damesbediening worden. Intussen wordt de toestand in de krijgsgevangenenkampen met de dag slechter. De stemming onder de gevangenen is slecht, als gevolg van de onzekerheid over het lot van vrouwen en kinderen. Het voedsel wordt steeds slechter in kwaliteit en is kwantitatief nu al onvoldoende.

Bouwer – Het vermoorde land, 52

[Bandung 3 – Pensioen] 

Woensdag, 8 april [1942]
De Japanse gouverneur van West-Java, kol. Matsui, heeft zich in Bandoeng gevestigd. Het Gouverneurskantoor is in het gebouw van de Pensioenfondsen. Het vroegere residentiekantoor *] is een Japanse kazerne.
*] Bragaweg 135 [Wandeling Bandung 1 A].

Bouwer – Het vermoorde land, 53

[Bandung 3 – Hospitalen] 

Woensdag, 8 april [1942]
Ook uit de hospitalen ontsnappen Nederlands-Indische militairen. Ofschoon om begrijpelijke redenen het aantal ontsnappingen veel kleiner is dan uit de krijgsgevangenenkampen, wordt het aantal toch geschat op 10 tot 15 per week. Verpleegsters en verplegers hebben van de Japanners bevel gekregen in de ziekenzalen het gerucht te verspreiden, dat machinegeweren rondom de ziekenhuizen zijn opgesteld. Dit verhinderde niet, dat in de afgelopen nacht weer 4 patiënten uit het 'Ursulinen Klooster' aan de Houtmanstraat drosten. Een is er gearresteerd en vanmorgen geëxecuteerd. Bezoeken aan de hospitalen zijn daarom ook verboden en alle verpleegsters worden ontslagen. De reden die hiervoor wordt opgegeven is, dat het tegen de Japanse zeden is, dat Nederlandse zusters Japanse mannen verplegen.

Bouwer – Het vermoorde land, 53-54

[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

Woensdag, 8 april [1942]
Radio Bandoeng las vanavond de volgende bekendmaking voor:
‘Toen Java door de Japanse strijdkrachten was bezet, pleegden een paar Hollanders een walgelijke sabotagedaad. De N.I.R.O.M. zond *] allerlei vaderlandse liederen uit, waaronder het "Wilhelmus". Deze daad is een bewijs van laag moreel en in strijd met alle internationale wetten. Een grondig onderzoek heeft aan het licht gebracht, dal deze daad opzettelijk werd gepleegd door drie Hollanders, die zwaar zijn gestraft. Iedereen, die zulke daden pleegt, zal even zwaar worden bestraft'.
Ik heb van deze sabotage vroeger al melding gemaakt. De Hollanders, die gisteren zijn geëxecuteerd, zijn de programmaleider van de N.I.R.O.M. Kusters, de operator Victor Kudding en de technicus Van der Hoogte. Zij werden door de Kenpeitai alhier ter dood veroordeeld. Nadal de 'sabotage' aan het licht was gekomen, werd het hele personeel van de N.I.R.O.M. gearresteerd – ook de vrouwelijke employées – en lange tijd in arrest gehouden. Het werd en-bloc ter dood veroordeeld. Dit vonnis is echter in Batavia herzien en alleen aan Kusters, Kudding en Van der Hoogte voltrokken. De rest van het personeel werd in vrijheid gesteld en zelfs op kosten van de Japanse regering naar Batavia gebracht.
[* vanuit de studio op Tjimboeloeit, Bandoeng]

Bouwer – Het vermoorde land, 55

[Bandung 2 –15de Bataljon] 

Zaterdag, 11 april [1942]
De Japanners nemen verdere maatregelen tegen de nog voortdurende ontsnappingen uit de krijgsgevangenenkampen. Brede prikkeldraadomrasteringen zijn klaar. De straten in de buurt van de kampen zijn ontruimd en verbarricadeerd. Machinegeweren zijn in stelling gebracht. Bezoeken zijn nog steeds niet toegestaan. Van goed ingelichte zijde hoorde ik, dat verreweg het grootste deel van de Nederlands-Indische en geallieerde krijgsgevangen na verloop van tijd naar kampen buiten Java zullen worden gebracht, o.m. naar Sumatra, Thailand, Singapore en Birma. Ook zullen krijgsgevangenen worden gebruikt voor werkzaamheden ten behoeve van de Japanse oorlogsinspanning. Een klein contingent wordt naar Japan gebracht. De hoofdofficieren zullen vermoedelijk op transport worden gesteld naar Formosa.

Bouwer – Het vermoorde land, 56

[Bandung 2 – Floresweg] 

Zaterdag, 11 april [1942]
Wij hoorden vanavond, dat op 2 april j.l. de Japanners alles wat zich in ons huis Floresweg 19 in Batavia bevond, hebben geconfiskeerd. Uit woede, dat zij mij nog steeds niet hebben gevonden en dat ik niet uit mijzelf ben teruggekeerd, verschenen Kenpeitai-agenten die morgen met drie vrachtauto's, braken het huis open, smeten alles in de tuin en laadden het vervolgens op de trucks. Onze djongos (huisjongen) kreeg nogmaals een aframmeling, plus de mededeling, dat ik alles op het hoofdkantoor van de Kenpeitai kon terughalen. Ik word als 'oorlogshitser' nog steeds door de Japanse geheime politie gezocht. Dat hebben zij mij destijds al via Radio Saigon beloofd, vanwege mijn radio-commentaren voor de Amerikaanse C.B.S. en de berichtgeving naar Londen en New York. Het was de voornaamste reden, waarom Ivy en ik van plan waren te proberen van Java weg te komen.

Bouwer – Het vermoorde land, 58

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Maandag, 13 april [1942]
Ook Batavia is 'gesloten'. De klandestiene pendeldiensten kunnen steeds moeilijker funktioneren. De hoofdstad is dood. Geen amusement, weinig verkeer, weinig mensen. Er is een groot surplus aan alleen-wonende vrouwen. Europese vrouwen, daartoe gedwongen door geldgebrek, hebben zich tot prostitutie geleend. Klandizie voornamelijk van Japanse officieren, de enigen in dit land, die nog geld hebben. Geheimzinnige branden o.m. in een Japans autopark. De echtgenote van de gouverneur-generaal is uit haar woning gezet. (Het Paleis was al direkt na de capitulatie betrokken door de Japanse opperbevelhebber, gen. Imamura). Overigens schijnt mevr. Tjarda door de bezetters vrij fatsoenlijk te worden behandeld. Vele woningen zijn door de Japanners ingepikt. In het huis van mr. Spit, vice-president van de Raad van Indië, is een joejitsoe-school geopend. Men hoort in Nederlandse kringen in de hoofdstad ernstige kritiek op het beleid van onze regering, die men verwijt nooit ten volle te hebben beseft, wat een Japanse bezetting voor Indië zou betekenen. Zij heeft – zo wordt gezegd – de mentaliteit en brutaliteit van de Japanners onderschat. Het beste bewijs hiervan was de executie van de drie leden van de staf van de N.I.R.O.M., die de sabotage pleegden in de stellige overtuiging, dat 'die krompoten' het toch wel nooit zouden merken. Een Japanner is een Aziaat en kan zich slechts met grote moeite – indien ooit – tot het niveau van de westerling opvijzelen. Tot de ernstige fouten, die men de regering voorhoudt, is haar advies aan de bevolking om deposito's op de banken te laten. Het gevolg daarvan is een nu reeds nijpende armoede ener- en enorme kapitalen in Japanse handen anderzijds. Een andere fout, die de regering zwaar wordt aangerekend, is haar evacuatie-politiek, die duizenden vrouwen onbeschermd achterliet in de grote steden, toen de mannen naar Bandoeng moesten om in de 'laatste vesting' te gaan vechten, wat maar een paar dagen duurde. En we staan nog maar aan het begin van de Japanse overheersing ...

Bouwer – Het vermoorde land, 59

[Bandung – Kantor] 

Dinsdag, 14 april [1942]
Morgen worden 4 Bandoengse bioscopen heropend. 'Blood and Sand' in twee, Indonesische films in de twee andere theaters. Twee voorstellingen per dag. Hogere rangen alleen voor Japanners, midden-rangen voor Indonesiërs, laagste rangen voor Europeanen, de pariahs en 'outcasts' van Indië ...

Bouwer – Het vermoorde land, 60

[Bandung 4 – Kenpeitai] 

Donderdag, 16 april [1942]
Verscheidene hoge ambtenaren van het voormalige departement van Binnenlands Bestuur zijn gearresteerd, onder wie de directeur mr. Drossaers. In de cellen van de Kenpeitai hier in Bandoeng wachten circa 600 gevangenen op verhoor en berechting. In de afgelopen nacht hebben de eerste massa-arrestaties hier plaatsgehad. Het voornaamste operatie-terrein van de Kenpeitai was het hotel 'Ollcottpark', waar vele hoge regeringsfunktionarissen bij de evakuatie naar Bandoeng hun intrek hadden genomen. Ook de burgemeester van Bandoeng, Beets, plus de Europese leden van de gemeenteraad zijn gevangen genomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 61a

[Bandung – Station] 
[Bandung – ter Poorten] 
[Bandung 2 – Legercommandant] 

Zaterdag, 18 april [1942]
De stad is gisteren getuige geweest van een tragisch schouwspel. In rijen van vier werden de hoogsten in het land naar het station gemarcheerd onder strenge Japanse bewaking. Voorop reed in een vrachtauto – bij wijze van speciale gunst – de gouverneur-generaal. In het gelid liepen verscheidene generaals, o.a. Ter Poorten, Uhl en Pesman. Voor dit transport kozen de Japanners een tijdstip, waarop zij redelijkerwijze mochten verwachten, dat er veel mensen – vooral Indonesiërs – op straat zouden zijn, die zwijgend de troep voorbij zagen marcheren. Velen wendden het hoofd af, ook Indonesiërs. Overal waar de gevangenen passeerden werd het doodstil. Op het station werden zij openlijk gefouilleerd. Dit was extra-vernederend. Dit had n.l. best binnen de muren van de gevangenis kunnen geschieden. De gevangenen zijn op transport naar Batavia gesteld. Waar zij verder heengaan is hier niet bekend. Het is zeker, dat zij van Java zullen worden weggevoerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 61b

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

Zaterdag, 18 april [1942]
Een tweede tragedie speelde zich gisteren af, toen twee krijgsgevangen Nederlands-Indische officieren tijdens het transport naar een ander kamp uit het gelid trachtten te ontsnappen en door de Japanse bewaking werden doodgeschoten. Tjimahi, de garnizoensstad even buiten Bandoeng, wordt een groot kamp, waar langzamerhand de krijgsgevangenen worden geconcentreerd. De kampen in de stad worden dan leeg, wat niet veel goeds voorspelt voor de burgerbevolking.

Bouwer – Het vermoorde land, 71

[Jakarta 5 – Pieter Erberveld] 

Zaterdag, 2 mei [1942]
In Batavia hebben de Japanners de kop van Pieter Elberfelt stukgeslagen. Elberfelt was een verrader in 1721. Hij smeedde een komplot tegen het Nederlandse gezag (en misschien ook wel niet . . . ), werd ontdekt en met 18 medeplichtigen onthoofd. Zijn huis werd gesloopt en een zerk geplaatst, met zijn hoofd erop en de inskriptie: 'Uyt een verfoeylyke gedagtenisse teegen den gestraften Land Verraader Pieter Elberfelt sal niemand vermoogen te deeser plaatse te bouwen, timmeren, metselen of planten, nu ofte ten eenigen dage. Batavia, den 14en April 1722'. Sedertdien heeft deze doodskop op de zerk gestaan. Nu hebben de Japanners hem stukgeslagen. Elberfelt was toch eigenlijk hun bondgenoot en verdiende deze schande niet.. .

Bouwer – Het vermoorde land, 74

[Bandung 2 – Ol]  

Donderdag, 7 mei [1942]
De Nederlandse cabaretier Wim Kan, die in een krijgsgevangenenkamp zit, heeft daar onlangs een een-man-show opgevoerd. Hij verscheen met een grote braadpan en zei: 'Ja, pan, je zult het nog warm krijgen'. Grote hilariteit onder de toeschouwers. De Japanse bewakers, die er natuurlijk niets van begrepen, lachten voor hun goede fatsoen maar mee. Wim Kans echtgenote, Corrie Vonk, woont hier in Bandoeng.

Bouwer – Het vermoorde land, 76

[Bandung – St. Petrus]

Zondag, 10 mei [1942]
In de rooms-katholieke kerk alhier is gisteren het huwelijk tussen een Indisch meisje en een Japanse officier voltrokken.

Bouwer – Het vermoorde land, 78

[Bandung 3 – Opvoedings Gesticht] 

Zaterdag, 16 mei [1942]
Van goed ingelichte Indonesische zijde heb ik gehoord, dat de massa-internering van mannelijke Europeanen niet eerder behoeft te worden verwacht dan midden juli a.s. Indo-Europeanen komen pas begin September aan de beurt. Twee kampen worden voorlopig ingericht: het Landsopvoedingsgesticht (L.O.G.) voor volbloed- en het Klooster 'Maria Sterre der Zee' voor Indo-Europeanen. Dit sluit natuurlijk niet uit, dat er vóór die tijd arrestaties worden verricht.

Bouwer – Het vermoorde land, 84

[Bandung – Majestic]

Vrijdag, 29 mei [1942]
Het wegblijven van de Japanse gouverneur-generaal geeft de plaatselijke autoriteiten nog even gelegenheid de laatste hand te leggen aan de normalisering – d.w.z. Japanisering – van de stad. De namen van de 'Elita'- en 'Majestic'-theaters zijn nog snel veranderd, respektievelijk in 'Fuyi' en 'Ginza'. Een damesmodezaak wordt 'toko pakean njonja', een restaurant wordt 'toko makanan' enz.
Typhus-gevallen zijn in Bandoeng geconstateerd en de bevolking is aangeraden het drinkwater te koken.

Bouwer – Het vermoorde land, 86a

[Bandung – St-Petrus]

Woensdag, 3 juni [1942]
Tijdens het fourageren door Australische krijgsgevangenen heeft zich in de stad een incident voorgedaan. Een Nederlands meisje probeerde de Australiërs een pakje sigaretten te geven. Een Japanse bewaker zag het en wilde het meisje arresteren, dat echter door de Aussies werd gewaarschuwd en in de rooms-katholieke kerk vluchtte, waar een ochtendmis werd gelezen. De Japanner volgde het meisje de kerk in, waar een groot tumult ontstond. Het meisje ontkwam door de pastorie.

Bouwer – Het vermoorde land, 86b

[Bandung – Vorkink]

Woensdag, 3 juni [1942]
Het 'Soerabaiasch Handelsblad' van de 28e mei is niet meer uitsluitend Nederlandstalig. Alle berichten zijn ook in het Indonesisch afgedrukt. De plaatselijke pers in Bandoeng zal ook een verandering ondergaan. Met ingang van de 8e a.s. worden de 4 Indonesische bladen – 'Kaoem Moeda', 'Nicork Express', 'Sipatahoenan' en 'Sinar Pasoendan' – opgeheven. Er zal in iedere stad slechts één krant verschijnen. In Bandoeng is het de 'Tjahaja' (Het Licht), die zal worden gedrukt op de persen van het 'A.I.D. de Preangerbode'. Tot hoofdredacteur is benoemd R. Oto Iskandar di Nata.

Bouwer – Het vermoorde land, 93

[Jakarta 6 – Concordia] 

Dinsdag, 16 juni [1942]
Radio Djakarta deed een beroep op 40 Indo-Europese meisjes om zich aan te melden als bar-girls voor de Japanse officiers-mess in de voormalige sociëteit ‘Concordia’ aan het Waterlooplein. Overal willen de Japanners worden bediend door vrouwen en meisjes, het liefst door volbloed Europesen.

Bouwer – Het vermoorde land, 103-104

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Dinsdag, 14 juli [1942]
Met het oog op alle eventualiteiten had ik vrijdag j.l. mijn aantekeningen maar begraven. Dit blijkt een goede voorzorgsmaatregel te zijn geweest. Emotionele dagen liggen achter ons. We hebben een paar hoogst ongewenste bezoeken gehad, te beginners met een Indonesische gemeente-ambtenaar, die zaterdagmorgen kwam opschrijven, wie er in huis wonen en de registratie-kaarten ter inzage vroeg. Toen mijn schoonvader – zelf een oud-bestuursambtenaar – terloops vroeg, waarvoor hij alle gegevens nodig had, zei de man: ‘Voor het samenstellen van een nieuw bevolkingsregister'. Hij vertelde, dat het oude was verbrand. Ik ben niet als inwonend opgegeven.
Het tweede bezoek kwam zondagmorgen, in de persoon van een Indonesische politieman in burger, wéér voor her-registratie van volbloed-Hollanders en Indo-Europeanen. Wéér werden de namen van alle bewoners – minus de mijne – van het huis en hun nationaliteit opgeschreven.
Gisterochtend kwamen dan twee Kenpeitai-officieren. Hun voornaamste taak bleek te zijn de door de Indonesische gemeente- en politie-ambtenaar verzamelde gegevens nog eens te controleren. Iedereen in huis – behalve ik, die diep in m'n partikuliere jungle zat – moest opdraven. De Japanners zaten breeduit in de rieten stoelen op de voorgalerij en verhoorden allen in huis afzonderlijk, vroegen of zij waren geregistreerd, waarmee wij in ons levensonderhoud voorzagen, hoelang wij nog konden leven van het geld dat wij bezitten, hoeveel de huur van het huis bedraagt en natuurlijk of wij volbloed-Hollanders dan wel Indo-Europeanen zijn.
Intussen hoorde ik, dat een aantal niet-geregistreerde volbloed Hollanders van de bezetters een oproep heeft gekregen om zich komende vrijdag met een koffertje te melden bij het Landsopvoedingsgesticht, ‘teneinde' – aldus de tekst van de oproep – ‘nadere inlichtingen te verschaffen, waarom zij zich niet hebben laten registreren'. Behalve het koffertje dienen zij mee te brengen: een slaapmat, een deken, een laken, toiletbenodigdheden, medicijnen en f 10, – aan contanten. *]
De burger-interneringen te Bandoeng gaan dus beginnen. Zij die komen zullen voor de duur van de oorlog uit de circulatie worden genomen. Velen laten zich nog haastig registreren en voldoen de kosten contant. Het gaat voorlopig alleen om de volbloed-Hollanders – de z.g. totoks – en mijn Indo-Europese schoonvader loopt dus nog geen gevaar. Officieel besta ik van nu of aan niet meer. Het gevaarlijke spel van kat en muis met de Kenpeitai gaat voor mij beginnen. Ik moet nu voorgoed thuisblijven en onderduiken om de Japanners te ontlopen.
*] zie [Bandung 3 – Opvoedings Gesticht] 

Bouwer – Het vermoorde land, 105

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Vrijdag, 17juli [1942]
De eerste totoks (volbloed Hollanders) hebben zich vandaag bij het Landsopvoedingsgesticht – L.O.G. – voor internering gemeld, gelijk hun door de bezetters was bevolen. Ik heb velen zien gaan met hun koffertje, slaapmat etc. Sommigen werden weggebracht door vrouwen en kinderen. Slechts een betrekkelijk klein contingent schijnt aan de oproep geen gevolg te hebben gegeven en is ondergedoken. Een paar Hollanders, die om de een of andere reden niet op de lijst van adspirant-burgergeïnterneerden stonden, die de Japanners in het L.O.G. klaar hadden liggen en die desondanks toch een oproep hadden gekregen, zijn weer vrijgelaten. Zolang het duurt.

Bouwer – Het vermoorde land, 109

[Semarang 3 – Kamp] 

Vrijdag, 31 juli [1942]
Pa Van der Steur, een van de bekendste Indische figuren, die zich het lot van misdeelde kinderen heeft aangetrokken, schijnt in Magelang (Midden-Java) te zijn aangehouden. Hij zou hebben geweigerd de naam van zijn instituut –‘Oranje-Nassau Stichting' – te veranderen. Pa van der Steur is al in de 70.

Bouwer – Het vermoorde land, 114

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Maandag, 17 augustus [1942]
Wederom moeten zich op 19 augustus a.s. en volgende dagen in totaal 3300 volbloed-Hollanders voor internering in het L.O.G. aanmelden. Het lijstje van de ‘uitrusting' bevat nu ook een matras en een klamboe (muskietennet). In het L.O.G. is maar voor circa 800 mannen plaats, maar dat deert de Japanners niet. Op leeftijd en zo is ook niet meer gelet. Tot degenen, die een oproep ontvingen behoort een 82-jarige meneer met twee zoons van over de 50. Anderzijds zijn er jongelui van 17 en 18 jaar bij. Uitsluitend totoks.

Bouwer – Het vermoorde land, 115

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Donderdag, 20 augustus [1942]
Het optreden van de Japanners tegen de ruim 3000 Hollanders, die zich gisteren in het L.O.G. voor internering aanmeldden, verschilde aanzienlijk van dat een maand geleden. De geïnterneerden moesten redevoeringen aanhoren, waarin Japanners van zichzelf beweerden, dat zij toch eigenlijk de beroerdsten niet zijn. De geïnterneerden moesten urenlang in de brandende zon staan, tot een Japanner vroeg, of hun hersens nu lekker warm waren. Ja? Goed zo, zei de Japanner, dat hebben jullie met onze mannen, vrouwen en kinderen ook gedaan. Hiermede raakte hij eigenlijk de kern van de kwestie aan: Europeanen worden geïnterneerd uit wraak voor de internering van Japanse onderdanen bij het uitbreken van de Pacific-oorlog en vooral voor het wegbrengen van een aantal van hen naar Australië. Dat blijkt vooral uit een aantal andere feiten. Een Nederlandse vrouw kwam bij de Kenpeitai informeren, of zij de geïnterneerden een bezoek mocht brengen. Het antwoord van een Japanse luitenant: ’Ik kan mijn familie in Australië ook niet bezoeken'. Verschillende adspirant-geïnterneerden waren op het idee gekomen zich ziek te melden en hun vrouwen in hun plaats te sturen. De vrouwen werden inderdaad vrijgelaten en naar de mannen werd niet meer gevraagd. Zij blijven buiten tot de volgende oproep, vastgesteld op de 27e a.s. Het totaal aantal totoks, dat voorlopig wordt geïnterneerd bedraagt 3518.

Bouwer – Het vermoorde land, 116a

[Jakarta 7 – Manifestaties] 

Maandag, 24 augustus [1942]
Een vermakelijke geschiedenis heeft zich woensdag j.l. – toen hier in de stad al het gerucht liep, dat de hoofdstad was gebombardeerd – in Batavia afgespeeld. Bij wijze van oefening zouden 23 Japanse vliegtuigen omstreeks het middaguur een ‘aanval' op de stad doen. Het doel voor de grondtroepen was een overval van Amerikaanse parachutisten af te slaan. Daarvoor was het hele Koningsplein, waar de parachutisten zouden landen, afgezet door Japanse militairen, die begonnen met losse flodders op de vliegtuigen te schieten, toen die boven het plein verschenen. Het was allemaal net echt. Iemand schijnt aan een Indonesische politieagent te hebben gevraagd, wat er eigenlijk aan de hand was. Helemaal in zijn rol antwoordde die: 'Ada parasoetis'. (D’r zijn parachutisten). Dit verspreidde zich als een lopend vuurtje door de stad en binnen een minimum van tijd wist iedereen, dat er Amerikaanse vliegtuigen boven de stad waren geweest, die Tandjong Priok zwaar hadden gebombardeerd. De omroeper van Radio Djarkarta – en het is moeilijk te geloven, dat dit werkelijk authentiek is – was zo in zijn rol, dat-ie omriep, dat behalve Djakarta ook Palembang en Singapore waren gebombardeerd. Hij werd donderdag j.l. gearresteerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 116b

[Bandung 1B – Resident]

Maandag, 24 augustus [1942]
De gouverneur van West-Java, kol. Matsui is gedegradeerd tot resident. Dit is geen strafmaatregel, maar een gevolg van de opheffing van het ambt van gouverneur. Java is nu in twee militaire distrikten verdeeld, waarmee een civiele onderverdeling niet meer parallel loopt. Resident R.A.A. Wiranatakoesoema is nu weer gewoon regent geworden. De hoogste chef van het burgerlijke bestuur op Java is de chef-staf, gen. Okazaki. Tegelijkertijd zijn alle Indonesische residenten weer teruggezet in bun vroegere funkies van regent en vervangen door Japanners, merendeels hoofdofficieren. Ook de assistent-residenten zijn Japanners. Voor de Preanger-Regentschappen is het Ikeda, vroeger plantage-employé in Garoet. Merk overigens op, hoe de bezetters precies de Nederlandse bestuursvorm hebben overgenomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 116-117

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

Maandag, 24 augustus [1942]
Van de heer De Vries, die tot zijn verdriet nog altijd tolk is op het hoofdkwartier van de Kenpeitai in Batavia en op het ogenblik bij ons logeert, vernam ik, dat mevr. Van Mook, mevr. Van der Plas, mevr. Van Hoogstraten, mevr. Idenburg en nog zes echtgenoten van hoge Nederlandse ambtenaren, die al geruime tijd geleden werden gearresteerd wegens het ontvangen en verspreiden van buitenlands nieuws, nog steeds in de cellen van de Kenpeitai zitten en slecht worden behandeld. Zij moeten de hele dag rechtop zitten, krijgen 's avonds 10 minuten om te baden op een plek waar zij door iedereen kunnen worden gadegeslagen. Een verhoor heeft nog steeds niet plaatsgehad.

Bouwer – Het vermoorde land, 121

[Bandung 4 – Kenpeitai] 

Vrijdag, 11 september [1942]
Het onderzoek naar de anti-Japanse akties wordt door de Japanners krachtdadig voortgezet. In het plaatselijke hoofdkantoor van de Kenpeitai gebeuren de vreselijkste dingen. Wat precies zullen slechts zij, die er worden gemarteld en mishandeld, kunnen navertellen. Als zij het tenminste overleven. De Kenpeitai heeft al toegegeven, dat in de afgelopen week 23 Europeanen en Indo-Europeanen zijn geëxecuteerd. De tolken zijn met de zwaarste straffen bedreigd, wanneer zij ook maar iets loslaten. Het oud-lid van de Raad van Indië, Kuneman, die op grond van een kortstondig verblijf in Japan als tolk van de Kenpeitai in Bandoeng werd aangesteld, heeft een zenuwinzinking gekregen en er de brui aan gegeven, omdat hij de ellende van zijn landgenoten niet langer kon aanzien.

Bouwer – Het vermoorde land, 121b

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Vrijdag, 11 september [1942]
De geïnterneerden in het L.O.G. moeten de Indonesische bewakers aanspreken met 'Toean agen' (Meneer de agent). De direkteur van het interneringskamp is een vroegere employé van het 'Tjioda'-warenhuis *]. Hij heeft openlijk toegegeven, dat hij de belandas haat als de pest. Het voedsel: 's ochtends ketela (wortel van een zetmeel-plant), 's middags rijst met vetloze soep zonder vlees, 's avonds idem. De direkteur vindt dit al een luxe-internering. Een wc. op de 300 man. Sommigen slapen in de gangen. Als corvee stenen sjouwen.
*] Bandung wandeling 1 A.

Bouwer – Het vermoorde land, 125a

[Bandung 3 – Villa] 

Dinsdag, 22 september [1942]
Er is Japans P.T.T.-personeel van Borneo en Celebes in Bandoeng aangekomen. Voorlopig is het in het Savoy-Homann-Hotel ondergebracht, maar een aantal huizen aan de luxueuze Wilhelmina-, Irene- en Beatrix-boulevards wordt voor deze Japanners ontruimd. De bewoners krijgen twee uur tijd om op te krassen. De kans is daarbij groot, dat de Japanners intussen weer van gedachte veranderen en hun mensen ergens anders onderbrengen. De huizen blijven dan eenvoudig leeg staan.

Bouwer – Het vermoorde land, 125b

[Surabaya 4 – Marine Etablissement] 

Zondag, 25 september [1942]
De marine-etablissementen in Soerabaia zijn nu in zoverre door de Japanners hersteld, dat zij kunnen worden gebruikt voor de reparatie van vele Japanse oorlogsschepen, die gehavend uit de strijd in de wateren van de Salomons-eilanden komen. Het schijnt, dat Soerabaia een belangrijke rol speelt, als herstel-basis. De beschadigde schepen blijven eerst een paar dagen buitengaats, terwijl Japans marinepersoneel de ergste ravage aan boord wat opruimt. Daarna worden zij binnengesleept en indien mogelijk hersteld. Veel is echter onherstelbaar, althans ongeschikt voor verdere zeegevechten. Dat wordt dan ingezet bij de maritieme defensie van Indonesië.

Bouwer – Het vermoorde land, 129-130

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

Woensdag, 30 september [1942]
Het Landsarchief in Batavia, waar de genealogische bijzonderheden van vele Indische families worden bewaard, heeft het druk. Er schijnt een mogelijkheid te bestaan, dat Indo-Europese jongens en mannen, die kunnen aantonen dat zij van moeders- of vaderszijde Indonesisch bloed in de aderen hebben uit interneringskampen zullen worden ontslagen. Het naslaan van bijzonderheden en het opstellen van een stamboom kost f 5, – . Er wordt hier en daar nogal eens een Indonesische overgrootmoeder of -vader verzonnen, met medeweten van de (nog) Europese leiding van het Landsarchief. Met het oog op wat er nog kan gebeuren, is het in ieder geval handig zo'n al dan niet authentieke stamboom bij de hand te hebben. De Japanners laten het voorlopig maar op z'n beloop. Het brengt weer wat geld in het laatje.

Bouwer – Het vermoorde land, 131

[Bandung 3 – Klein-woningbouw] 

Vrijdag, 9 oktober [1942]
De Europese vrouwen in Bandoeng zullen in november in kampen worden ondergebracht. De wijken zijn al door de Japanse autoriteiten aangewezen en wel de Tjihapit-wijk en de Karees-buurt. Nog steeds vestigen Europese vrouwen, die er op de een of andere manier in slagen uit de hoofdstad weg te komen, zich in Bandoeng, in de hoop aan internering te ontsnappen. Zij lopen nu hier in de val.

Bouwer – Het vermoorde land, 133

[Jakarta 5 – Toko “Oen”] 

Dinsdag, 13 oktober [1942]
Een Hollandse vrouw stapte dezer dagen het bekende restaurant 'Toko Oen' op Noordwijk in Batavia binnen, waar zij een vriendin ontmoette, die haar vroeg: ‘Heb je het laatste nieuws van de B.B.C. al gehoord?' En meteen draaide zij al het nieuws af. In de buurt zat een Japanner, die het woord 'B.B.C.' verstond, begreep waar het over ging en zich in het Engels tot de vrouwen wendde met de vraag: 'U weer zeker wel, dat U niet naar de B.B.C. mag luisteren?' 'Ja', zei de vrouw, ‘maar ik kán niet anders. Ik moet wel. U mag gerust ook komen luisteren.' ’s Avonds verscheen inderdaad de Japanner, die een ongeregistreerd radiotoestel vermoedde. Om acht uur precies klonk het welbekende: 'This is London calling. You will now hear the news read by. . .' enz. Beiden, de dame en de Japanner, bleven rustig zitten luisteren tot de omroeper had gezegd: 'And this is the end of the news'. 'Ziet U', zei de dame, 'dat is mijn B.B.C.' en zij wees op het huis links naast het hare, dat werd bewoond door een Japanse officier. De gast zei niets, salueerde beleefd en ging naar het andere huis, van waar kort daarna ruziënde stemmen kwamen.

Bouwer – Het vermoorde land, 133-134

[Bandung 2 – Topografische Dienst] 

Dinsdag, 13 oktober [1942]
Ook zijn in de afgelopen dagen weer razzia's op jongens en mannen gehouden. Mijn inlichtingen wijzen er echter op, dat resident kol. Matsui na het bezoek van de chef-staf, gen. Okazaki, een uitbrander heeft gekregen voor het feit, dat er in Bandoeng nog veel te veel Europese- en Indo-Europese mannen vrijlopen. Opperbevelhebber Imamura is nu van plan over enige tijd zelf nog eens een kijkje te komen nemen. Kol. Matsui heeft daarom bevel gegeven de stad nog eens grondig uit te kammen. Om één uur vanmiddag kwam een Japanse officier bij ons vragen, of er nog mannen waren. Ik rende net op tijd de achtertuin-jungle in, waar ik ongeveer een uur in de tropische regen heb gezeten, tot alles weer veilig was. De meeste arrestanten zijn voorlopig opgesloten in het gebouw van de Katholiek-Sociale Bond. In de middag werd het merendeel overgebracht naar het Klooster ‘Maria Sterre der Zee’-interneringskamp. De razzia’s gingen tot laat in de avond door.

Bouwer – Het vermoorde land, 135a

[Bandung – Javasche Bank] 
[Jakarta 2 – Hoofdkantoor] 
[Semarang 2 – Javasche Bank] 
[Surabaya – De Javaasche Bank] 

Woensdag, 21 oktober [1942]
Bij besluit van de opperbevelhebber zijn de Javase Bank – waarvan de heropening al maanden geleden door de bezetters werd bekendgemaakt – en 8 andere Indische banken geliquideerd. Deposito's zullen alleen worden terugbetaald 'als er geld beschikbaar is' (hetgeen uiteraard niet het geval is). En dan nog uitsluitend aan Chinezen en Indonesiërs. Het bankpapier van de Javase Bank blijft gedeeltelijk in omloop. Van Indonesische zijde hoorde ik, dat het geleidelijk zal worden ingenomen, tot op een bedrag van ongeveer 500 miljoen gulden. Dat laten de Japanners in circulatie voornamelijk om het vertrouwen in het bezettingsgeld – waarvan de koers officieel gelijk is aan die van de Indische gulden – op peil te houden. De uitgifte van de Japanse vodjes loopt al in de 600 miljoen na bijna 8 maanden bezetting. De geldpolitiek is nóg in handen van het militaire bewind, maar zal spoedig worden overgenomen door de 'Zuid-Oost-Azië-maatschappij'.

Bouwer – Het vermoorde land, 135c

[Bandung 3 – Verkeer en Waterstaat] 

Maandag, 26 oktober [1942]
Grote gebeurtenissen zijn er niet te melden, zodat ik een paar losse nieuwtjes kan verwerken. [...] Het Japanse personeel van het departement van Verkeer en Waterstaat in Bandoeng, dat al op 1 mei j.l. in dienst had moeten zijn, is nu pas uit Japan gekomen. Het bestaat uit twee ingenieurs en drie klerken. Direkteur is een zekere Watanabe, een neef van de Japanse resident van Bantam. Hij verzocht zijn Indo-Europese sekretaresse dezer dagen een knoop aan zijn broek te naaien.

Bouwer – Het vermoorde land, 138-139

[Bandung 3 – Interneringen] 

Zaterdag, 14 november [1942]
Mijn geregistreerde radiotoestel is woensdag door de politie in beslag genomen. Er is geen huiszoeking gedaan. Nog 3000 toestellen zijn zoek.
Bewoners van huizen in de z.g. Karees-buurt, begrensd door de Grote Lengkongweg, Grote Postweg-Oost en Papandajalaan en van de Tjihapit-wijk begrensd door de Tjitaroemstraat-Riouwstraat en Grote Postweg-Oost hebben schriftelijk aanzegging gekregen om hun huizen vóór de 25e a.s. te ontruimen. Beide wijken worden vrouwenkampen. Dat blijkt o.m. daaruit, dat de in de wijken reeds wonende Europese vrouwen moeten blijven waar zij zijn. Zij krijgen alleen geïnterneerde vrouwen bij zich in huis. De beide wijken bestaan uit deels behoorlijke, deels eenvoudige en kleinere kampong-woningen. Er zal zeker een run ontstaan om tenminste in de fatsoenlijke huizen te worden ingekwartierd. De ontruiming betreft 600 gezinnen.

Bouwer – Het vermoorde land, 139

[Bandung 3 – Verkeer en Waterstaat] 

Zaterdag, 14 november [1942]
De direkteuren van de Dienst der P.T.T. en van het departement van Verkeer en Waterstaat, de ingenieurs Hillen en Van Haaften, die nog op hun kantoren werkten, zijn met al het andere hogere Europese personeel ontslagen. Laatstgenoemd departement is onder militair toezicht gekomen onder een generaal, die driemaal per dag verse bloemen in zijn direktie-kamer wil hebben. Het departement wordt nu vrijwel voor ieder doel gebruikt. Op vrijdagen is het een moskee waar de Mohammedaanse employés bidden voor de overwinning van Dai Nippon. Voorts is het een mini-interneringskamp, want de drie Hollandse beambten, die er nu nog werken, mogen het gebouw niet verlaten. Bovendien is het een soort fotoatelier. Een van de nieuwbakken Japanse ambtenaren fotografeert alles wat los en vast zit en laat zijn films in een speciaal ingericht atelier ontwikkelen. Werk is er op het departement niet.

Bouwer – Het vermoorde land, 139-140

[Bandung – Palace Hotel] 
[Bandung 3 – I.E.V.] 

Donderdag, 19 november [1942]
De laatste dagen hebben wij voortdurend in spanning geleefd, omdat razzia's werden verwacht, die tot vandaag nog niet plaatshadden. Elke morgen ben ik vroeg opgestaan, teneinde niet in m'n bed te worden verrast. Uren heb ik bij wijze van voorzorg in m'n jungle doorgebracht te midden van de njamoeks (muskieten). Aantekeningen bleven begraven. Nieuwe oproepen tot internering zijn verzonden, o.a. aan alle Bandoengse dominees. Voorlopige opvangkampen zijn ingericht in de Van der Cappellen-school aan de Rembrandtstraat, in de M.U.L.O.-school van het Indo-Europese Verbond aan de Tjitaroemstraat en in het Chinese Palace-Hotel aan de Grote Postweg [Kebondjatiweg]. De toestand in de reeds bestaande interneringskampen wordt met de dag slechter. Nog steeds zijn bezoeken of het afgeven van pakjes verboden. In het Klooster 'Maria Sterre der Zee' brak een huidziekte uit. De sanitaire voorzieningen zijn in alle kampen totaal onvoldoende. Het eten is nog dragelijk. Onder de nieuw-opgeroepenen bevinden zich ook vele mannen, die tot voor kort in dienst van de Japanners waren.
De ontruiming van de woningen, die zijn bestemd voor de vrouwenkampen, verloopt niet erg vlot. De Japanners slagen er niet in op zo'n korte termijn alternatieve akkomodatie te vinden voor de duizenden, die moeten verhuizen.

Bouwer – Het vermoorde land, 141

[Bandung 3 – Kamp] 

Dinsdag 24 november [1942]
De eerste volbloed-Hollandse vrouwen hebben bevel gekregen om morgen het vrouwenkamp in te gaan. Toegemeten ruimte: 3 x 1 meter per vrouw. Toegestane bagage: 1 koffer. Gemiddeld aantal vrouwen in een huis: 10 tot I5. Voorts mag ieder een bed en een stoel meenemen. Bandoeng is volkomen gesloten. Niemand kan er in of uit. Tegen het grote aantal vrouwen in ieder huis is bij de bezetters protest aangetekend, in de vorm van een verzoek aan de Japanners om burgemeester R. Atma di Nata van zijn funktie te ontheffen. Er schijnen n.l. aanwijzingen te zijn, dat de inrichting van deze vrouwen-getto's voornamelijk is geschied op instigatie van de Indonesiërs. Het spreekt wel vanzelf, dat de Japanners aan dit rekest niet de minste aandacht zullen besteden. Er zijn bovendien nog vele andere moeilijkheden. Talrijke families hebben geweigerd om hun in het kamp gelegen woningen te ontruimen, omdat zij nergens anders woongelegenheid kunnen vinden.

Bouwer – Het vermoorde land, 142a

[Bandung – gemeente]

Vrijdag, 27 november [1942]
Het verzet van de totok-vrouwen tegen hun internering is geweldig en de Japanners zitten met hun handen in de gekortwiekte haren. Het stadhuis staat van de vroege morgen tot de late avond vol vrouwen die het de ambtenaren verschrikkelijk lastig maken met de zonderlingste vragen en verzoeken. Voorbeeld van conversatie tussen zo'n vrouw en Indonesische ambtenaar achter het loket:
Ambtenaar: 'Wat wilt U, mevrouw?'
Vrouw: 'Meneer, ik moet het kamp in. Ik kom te wonen in de 2e goedangkamer links in het huis, die-en-die straat nummer zo-en-zoveel. Nu wilde ik U vragen: Mag mijn bed in de linkerhoek staan?'
Ambtenaar: 'Jawel, mevrouw'.
Vrouw: 'Mag ik dan het hobbelpaard van m'n dochtertje in de rechterhoek zetten?'
Ambtenaar: 'Dat mag, mevrouw'.
Vrouw: 'Kan ik niet de 1e goedang-kamer krijgen, meneer?'
Ambtenaar: 'Jawel, mevrouw'.
Vrouw: 'En, meneer, weet U heel zeker, dat ik een tapijtje mee mag nemen?'
Ambtenaar: 'Jawel, mevrouw'.
Vrouw: 'Nu nog iets, meneer. De teddybeer van mijn dochtertje mag toch ook mee, ja meneer?'
Ambtenaar: 'Jawel, mevrouw'.
En zo de hele dag door, de ene vrouw na de andere. Totdat op een gegeven ogenblik de ambtenaar het loket dichtsmeet en er een bordje – in het Nederlands nog wel! – voor hing: 'Gesloten'.

Bouwer – Het vermoorde land, 142b

[Bandung 3 – Klein-woningbouw] 

Vrijdag, 27 november [1942]
De eerste totok-vrouwen zijn het kamp in. Je kunt nog moeilijk van een 'kamp' spreken. Alles en iedereen woont er nog door elkaar. Toch zullen de Japanners dwangmaatregelen gaan toepassen op degenen, die hun huizen niet willen ontruimen. Als uitvloeisel van alle tegenwerking, die de Japanners ondervinden, hebben ze al een besluit uitgevaardigd, waarin het aan alle Europeanen en Indo-Europeanen in de stad is verboden te gaan verhuizen. In talrijke gevallen n.l. kwamen Indonesische gemeenteambtenaren oproepen rondbrengen en kregen dan te horen: ‘Oh, die mevrouw? Die woont al lang niet meer hier. Die is verhuisd en ik weet niet waarheen'. En niemand heeft aangifte gedaan. Zodat het hele bevolkingsregister in de war ligt. De huizennood is groot. Grote beloningen worden in advertenties in de 'Tjahaja' aangeboden voor aanwijzingen betreffende leegstaande huizen of beschikbare kamers. Garages zijn erg in trek, alsook bediendenkamers en bergruimten. Ook de administratie van de 'Tjahaja' ligt volkomen in de soep. De direktie verzoekt abonnees hun nieuwe adressen op te geven.

Bouwer – Het vermoorde land, 143

[Bandung 3 – Kamp] 

Maandag, 30 november [1942]
Een commissie van 7 Europese vrouwen en 3 mannen is door de Japanners benoemd om burgemeester R. Atma di Nata 'van advies te dienen' bij de regeling van de chaos in het vrouwenkamp. Dit is een gevolg van de talloze protesten bij de bezetters – o.m. door Indo-Europese en Indonesische artsen – met betrekking tot de internering van de vrouwen. Atma di Nata vindt dat natuurlijk niet zo prettig, maar hij moet het wel accepteren, want hij staat bij de Japanners toch al niet in het beste blaadje. Er is zelfs een gerucht in omloop, dat hij binnenkort door een Japanner als burgemeester zal worden vervangen. Voor het betrekken van aangewezen ruimten in het vrouwenkamp is officieel uitstel verleend. Niet echter voor de ontruiming van woningen.

Bouwer – Het vermoorde land, 144

[Bandung – gemeente]

Donderdag, 3 december [1942]
Verdere stagnatie in de internering van totok-vrouwen in Bandoeng. Een deel van de oproep-lijsten is op onnaspeurlijke wijze uit het stadhuis verdwenen. Herregistratie van alle totok-vrouwen is gelast. Er is nog iets: bij de ontruiming van zijn woning, moet men de huissleutels op het stadhuis inleveren, ook die van achterdeuren en bergruimten. Op de daarvoor bestemde afdeling van het stadhuis ligt een enorme berg sleutels, waar niemand meer wijs uit kan worden. Bij stilzwijgende overeenkomst hebben de mensen, die uit hun huizen zijn gezet, ook alle kasten, kamers, W.C.'s en keukens op slot gedraaid en de sleutels – netjes bij elkaar gebonden – maar zonder adreskaartje ingeleverd. Het gemeentepersoneel is werkelijk ten einde rand. De Indonesiërs zelf hebben ook nog tot de chaos bijgedragen, zij het uit zuiver egoïstische motieven: talrijke inbraken zijn in leegstaande en onbewaakte woningen gepleegd en het merendeel van de kranen en electrische fittingen is verdwenen. Zelfs gasmeters zijn meegenomen. Burgemeester R. Atma di Nata zit in een heel lastig parket. Ook alle Indo-Europese vrouwen, die met een volbloed-Hollander zijn getrouwd, moeten zich voor internering melden. Naar de letter van het dekreet zou Ivy zich dus ook moeten laten interneren. Maar zij gaat ook niet.

Bouwer – Het vermoorde land, 144-145

[Bandung – Telefoon]

Donderdag, 3 december [1942]
Het verbod om de Nederlandse- of Engelse taal in telefoongesprekken te gebruiken is de laatste dagen in de plaatselijke pers voortdurend herhaald.[...] Een Bandoengse arts heeft een aardig grapje uitgehaald. Hij belde de telefooncentrale op en sprak gewoon Nederlands, waarop de plichtsgetrouwe Indonesische telefoniste interrumpeerde: 'Toean haroes bitjara bahasa Indonesia. Dilarang memakai bahasa belanda'. (U moet Indonesisch spreken, meneer. U mag geen Hollands spreken). De dokter: 'Juffrouw (!), saja maoe tanja apa saja djoega boleh bitjara bahasa Thai'. (Juffrouw, mag ik ook Thailands spreken?). (Het Indonesische woord 'tahi', dat net zo wordt uitgesproken als 'Thai', betekent 'stront'). De telefoonjuffrouw begrijpt er niets meer van en vraagt: 'Apa toean?' (Was zegt U, meneer?). De dokter herhaalt zijn vraag, waarop de juffrouw plotseling in het Nederlands zegt: 'Wat bedoelt U toch, meneer?'. De dokter: 'Hé, juffrouw, djangan! Bahasa belanda tidak boleh. Mesti bitjara Indonesia. Begitoe, juffrouw, bahasa Thai jaitoe bahasa dari negeri Thailand, jang dahoeloe bernama Siam, tetapi sekarang toeroet As, lantas mendjadi tahi'. . . (Hé, juffrouw-, U mag geen Nederlands spreken. U moet Indonesisch praten. Het zit zo, juffrouw: de Thai-taal is de taal van Thailand, dat vroeger Siam heette, maar nu met de As meedoet en dus 'tahi' is geworden). De juffrouw begrijpt er niets meer van en verbreekt de verbinding.

Bouwer – Het vermoorde land, 147a

[Bandung 4 – Kenpeitai] 

Dinsdag, 8 december [1942]
Zeventig Nederlandse vrouwen zijn zondag j.l. door de Kenpeitai gearresteerd. Op Sinterklaasavond hadden zij ondanks de verduistering kleine pitjes laten branden en Sinterklaasliedjes gezongen, met af en toe een vaderlands lied er door heen. De Indonesische politie is vandaag met geweren bewapend.

Bouwer – Het vermoorde land, 147b

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Zondag, 13 december [1942]
De Japanners hebben laten bekendmaken, dat iedere volbloed-Hollander, die na de gelegenheid te hebben gehad om zich vrijwillig aan te melden nog als 'onderduiker' wordt gearresteerd, als spion zal worden behandeld. Dat maakt mijn positie niet gemakkelijker. Mezelf aangeven heeft nu geen zin meer. Het spelletje zal dus moeten worden voort- en naar ik hoop uitgespeeld. In verband met verdacht gerij van Japanse vrachtauto's in de nacht van donderdag op vrijdag j.l. heb ik de hele nacht in mijn jungle doorgebracht.

Bouwer – Het vermoorde land, 147-148

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Zondag, 13 december [1942]
De Indonesische volksbeweging, tot dusverre door de bezetters onderdrukt, gaat een nieuwe fase in. De Japanners zijn, onder druk van de verslechterde strategische toestand, gedwongen om tot concessies over te gaan. Vier ervaren volksleiders worden naar de voorgrond geschoven. Twee daarvan zijn anti-imperialisten – Soekarno en Hatta – een is een Islam-deskundige – Kiai Hadji Mas Mansoer – en één een vooraanstaande figuur in de nationalistische opvoeding – Ki Hadjar Dewantoro. Per 1 januari a.s. zullen zij overgaan tot oprichting van wat wordt genoemd de 'Organisasi Rakjat' (volksorganisatie). Zij worden bijgestaan door een viertal andere bekende nationalisten: Mas Soetardjo, R. Oto Iskandar di Nata, mr. Sjamsjoedin en Soekardjo Wirjapranoto. Welke taak deze organisatie krijgt, is nog niet bekend gemaakt. Het is echter duidelijk, dat zij in de plaats moet komen van de '3 A'-campagne, waarmee de Japanners geen succes hebben gehad in hun pogingen om het Indonesische volk voor het Japanse imperialistische karretje te spannen. Het eerste schot in de nieuwe aktie is al gelost in de vorm van de 'Kerdja!' (Werkt!)-campagne. Affiches en pamfletten zijn overal in de stad aangeplakt en in de bladen wordt in artikelen de bevolking aangespoord om zich tot het uiterste in te spannen, aangezien Indonesië nog volop aan de oorlog deelneemt om Japan bij het behalen van de eindoverwinning te helpen. Duidelijke taal spreekt wat dat betreft Soeleiman Effendi, een broer van het Nederlandse Communistische Tweede Kamerlid, Roestam Effendi, die bij het uitbreken van de Pacific-oorlog door de Nederlands-Indische autoriteiten geïnterneerd en door de Japanners op 9 maart in Garoet werd bevrijd. Hij dringt er bij de bevolking op aan hard te werken voor de Japanse oorlogsinspanning.

Bouwer – Het vermoorde land, 149

[Bandung – Station]

Vrijdag, 18 december [1942]
Vrouwen uit Semarang, Tegal en andere steden in West-Java, die allemaal voorlopig in de Bandoengse 'beschermingskampen' worden opgesloten, zijn na een reis van anderhalve dag hier aangekomen. Zonder eten, vrijwel zonder bagage. Twee miskramen hadden tijdens de reis plaats. Een inzameling van huisraad, linnengoed, kleren en geld wordt voor deze vrouwen in de stad gehouden. Meer dan 5000 vrouwen en kinderen zijn al hier. De vrouwen van Buitenzorg vertelden, dat terwijl zij nog hun schamele bagage inpakten, Indonesiërs al in de tuinen klaar stonden om direkt nadat zij waren vertrokken aan het rampokken te kunnen gaan. De vrouwen kwamen in goederenwagons naar Bandoeng.

Bouwer – Het vermoorde land, 149a

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Vrijdag, 18 december [1942]
Het brengen van pakjes aan burgergeïnterneerden voor het komende Kerstfeest is door de bezetters toegestaan. Zij mogen echter geen etenswaren bevatten, juist datgene waaraan de gevangenen het meest behoefte hebben. Ook mogen er geen matrassen worden afgegeven. Voor de verschillende kampen – het zijn er nu vijf in de stad – zijn bepaalde dagen vastgesteld. Het eten in de burgerkampen is zo slecht, dat de mannen in het L.O.G. – naar stellig wordt beweerd – dezer dagen als protest een driedaagse hongerstaking hielden.

Bouwer – Het vermoorde land, 149c

[Bandung 4 – Zeelandiastraat] 

Vrijdag, 18 december [1942]
Een aantal N.S.B.ers heeft dezer dagen eveneens een oproep gekregen om zich voor internering aan te melden. Zij zijn opgesloten in het vrij nieuwe kamp in een school aan de Zeelandiastraat. Zelfs Duitsers, Italianen en Zwitsers moesten opkomen, maar werden weer vrijgelaten, behalve zij die in de een of andere funktie voor de Nederlandse regering werkzaam waren.

Bouwer – Het vermoorde land, 151a

[Bandung – Protestantsche Kerk]

Maandag, 28 december [1942]
Het Kerstfeest is achter de rug. Een droevig feest ditmaal voor Indië, dat zucht onder een steeds zwaarder juk van een nietsontziende overheerser. Kerken waren overvol. In de protestantse kerk hield ds. Wortman een moedige preek.

Bouwer – Het vermoorde land, 151b

[Bandung 4 – Kenpeitai] 

Maandag, 28 december [1942]
Er is nog een aardig verhaal van een Indo-Europese vrouw, die tijdens de Kerstdagen bezoek kreeg van een sentimentele, maar lichtelijk aangeschoten Japanner. Toevallig had zij nog telefoon en belde de Kenpeitai op, waar de officier van dienst haar zei, dat zij de Japanner maar gewoon haar huis uit moest smijten. Uiteraard lukte dat niet. Toen kreeg de vrouw plotseling een brainwave. Zij belde opnieuw de Kenpeitai op en zei: 'Die Japanner zit nog steeds hier. Hij doet zo raar. Hij zegt allerlei rare dingen over de Salomons-eilanden'. Vijf minuten later was er een vrachtauto van de Kenpeitai om de dronken Japanner op te halen.

Bouwer – Het vermoorde land, 153-154

[Bandung 3 – Oranjeplein] 

Woensdag, 6 januari 1943
Ter gelegenheid van de jaarwisseling mocht de burgerij briefkaarten schrijven aan krijgsgevangenen. Japanse troepen verlaten Java op weg naar Burma, waar de Britse troepen van India uit een offensief hebben ingezet. De bevolking van Bandoeng is sinds de komst der Japanners met bijna 70.000 zielen gestegen. (Overigens is dit natuurlijk niet uitsluitend het werk van de Japanners). De 'Keiboodan' – luchtbeschermingsdienst – treedt in de stad steeds meer op de voorgrond. Veelal wordt de organisatie bij zijn Indonesische naam 'Pengawasan Bahaja Oedara', P.B.O., genoemd. De leden zijn meestal jongelui tussen de 14 en 20 jaar. Onder meer zijn zij ingeschakeld bij de bewaking van het z.g. ‘beschermingskamp' voor Europese vrouwen. Zij zijn – gelukkig! – uiterst korrupt en willen er graag wat bijverdienen met boodschappen doen voor de ‘staatsvijandinnen', die zij eigenlijk moeten bewaken. Voor grof geld zijn ze zelfs wel bereid om clandestiene briefjes te bezorgen en antwoord mee terug te nemen. Ook laten zij – voor geld – vrouwen stiekem voor een paar dagen 'ontsnappen'. Het 'beschermingskamp' is nog niet gesloten. De geïnterneerde vrouwen mogen er op bepaalde uren van de dag uit om te gaan winkelen. Er is maar één ingang, aan het ... Oranjeplein. In maart zal het kamp worden gesloten en het karakter van een getto voor vrouwen en kinderen krijgen. De omheining wordt al gebouwd.

Bouwer – Het vermoorde land, 154a

[Bandung 3 – Kamp] 

Dinsdag, 12 januari [1943]
Op verschillende punten van de stad zijn opnieuw razzia's gehouden. De Kenpeitai zocht naar ondergedoken Hollanders. De vrouwen in het 'beschermingskamp' hebben de bezetters verzocht om de in het kamp aanwezige mannelijke jeugd – die met moeders en zusters het kamp in zijn gegaan – apart te interneren, omdat zij vrouwen lastig vallen. Een paar vrouwen zijn in de stad gearresteerd in verband met clandestiene korrespondentie met de burgerkampen. De straf is, dat zij dan zelf in het 'beschermingskamp' worden opgesloten. Wat er eigenlijk het karakter van 'bescherming’ aan ontneemt. Ook een stuk of wat Indonesiërs zijn voor het smokkelen van briefjes gearresteerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 156

[Bandung 2 – Topografische Dienst] 

Donderdag, 21 januari [1943]
De 17-jarige jongens, die zijn geïnterneerd, zijn na aanvankelijk in het leegstaande gebouw van de Topografische Dienst te zijn opgesloten, over de vijf burgerkampen in de stad verdeeld. Moeders zoeken nu naar hun zonen.

Bouwer – Het vermoorde land, 157

[Bandung 3 – Beschermingskamp] 

Donderdag, 21 januari [1943]
De vrouwen in het ‘beschermingskamp', die er tot dusverre nog personeel op na mochten houden, moeten alle bedienden ontslaan. Indonesische handelaren mogen het kamp niet meer binnen. In de stad worden vrouwen gefouilleerd. De Japanners zijn er achter gekomen, dat op de achterkant van de witte pakjes 'Mascot'-sigaretten – nu 'Kooa' (Wederopstanding) geheten – nieuwsberichten worden geschreven en dat zich in de knotten wol, die de vrouwen zo dikwijls bij zich hebben ook buitenlands nieuws bevindt.

Bouwer – Het vermoorde land, 159

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Donderdagavond, 28 januari [1943]
In haast
De Japanners zijn sinds maandag weer bezig geweest met razzia's. Op de eerste dag al kregen wij 's morgens bezoek van niet minder dan 11 man politie, waarvan enige leden van de P.B.O. (luchtbeschermingsdienst), die ongeveer overal voor worden gebruikt. Vier bleven buiten op wacht staan, de rest doorzocht het huis, keek in alle kasten, achter alle deuren, onder alle bedden, in alle goedangs, in de garage, lieten een ladder brengen en klommen op het dak. 's Middags om twee uur kwam dan nog een onbeschofte Japanner met twee Indonesische agenten, die alleen maar om de registratiekaarten van de inwonenden vroegen en daarna nogmaals vluchtig het huis doorzochten. Ik heb uren in mijn jungle doorgebracht en er zelfs gegeten. Ik geloof niet, dat er ditmaal nog veel zijn ontkomen. Voortdurend reden Japanse vrachtauto’s vol gearresteerde mannen, merendeels Indo-Europeanen, voorbij. Je vraagt je af, waar die nog allemaal vandaan komen. Gistermorgen om half elf nogmaals bezoek gekregen van 4 Japanners en 2 Indonesiërs. Ben toen door het oog van de naald gekropen. Ik zat in de voorkamer te werken en wist niet, dat de voordeur niet op slot was. [Echtgenote] Ivy hoorde de Japanners langs het raam van de slaapkamer voorbijgaan en kon mij nog net op tijd waarschuwen. Toen de Japanners binnenstapten was ik nog geen anderhalve sekonde de kamer uit. Zij konden mij – bij wijze van spreken – nog horen wegrennen. Er heerst een zenuwachtige stemming in de stad. Pas vandaag is het weer een beetje rustig.

Bouwer – Het vermoorde land, 166

[Bandung 1A – Bandong] 
[Bandung 2 – Tennis] 

Zondag, 7 maart [1943]
Het schiet al op. Gisteren hebben Indonesiërs, die zich daartoe geroepen voelden, bloemen mogen leggen op de graven van de op Java gesneuvelde Japanse soldaten. De aktie is uitgegaan van burgemeester R. Atma di Nata. Een militair muziekcorps concerteerde op de Aloon-Aloon. Voor het Japanse residentiekantoor aan de Wilhelmina-Boulevard is vanmorgen een gedenksteen onthuld. Tennismatches voor de Japanners (de elite) en voetbalwedstrijden voor Indonesiërs (het plebs). Verschillende leiders van de 'Poetera' hebben redevoeringen gehouden.

Bouwer – Het vermoorde land, 166-167

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Dinsdag, 2 maart [1943]
Alle zelfgemaakte etenswaren zijn gisteren uit de pakjes gehaald, die aan het L.O.G. mochten worden afgegeven voor de burgergeïnterneerden. De Japanners vreesden, dat er briefjes en nieuwsberichten in de broden en koeken waren gebakken. Lucifers, messen, papier en potloden gingen er ook uit. Vandaag ontvangt het Klooster ‘Maria Sterre de Zee’ pakjes
Het ‘beschermingskamp’ voor Europese vrouwen – het getto – gaat over een paar dagen voorgoed dicht en blijft dat.

Bouwer – Het vermoorde land, 167

[Bandung 3 – Beschermingskamp] 

Zondag, 7 maart [1943]
Het 'beschermingskamp' voor vrouwen is vandaag gesloten. En niet maar voor drie dagen, zoals de bezetters beweren, maar voorgoed. De vrouwen zijn nu officieel geïnterneerd. In de Tjihapitwijk is een ernstige vleesvergiftiging voorgekomen en 15 vrouwen zijn naar het ziekenhuis gebracht. Het door een Chinees aan het kamp geleverde vlees deugde niet.

Bouwer – Het vermoorde land, 168

[Bandung 3 – Pasar] 

Zondag, 14 maart [1943]
De Kenpeitai heeft in het vrouwen-getto wapens aangetroffen, die in zakken rijst het kamp waren binnengesmokkeld, voornamelijk klewangs (sabels) en revolvers. De smokkel schijnt te zijn bedreven door een paar Hollandse jongens, allen beneden de 16 jaar, van wie er acht zijn gearresteerd. Huiszoekingen volgden, waarbij ook een paar spiksplinternieuwe motorrijwielen zijn aangetroffen. De voedsel-toestand in het kamp is zeer precair. Uiteraard waren de geïnterneerde vrouwen niet in staat om grote voorraden aan te leggen (geld- en plaatsgebrek) en zij hebben al geteerd op wat zij nog hadden sedert het kamp werd gesloten. Er komt maar weinig binnen. Er is een kleine markt, waar door de Japanners officieel toegelaten Indonesische verkopers mogen komen handelen. Zij maken natuurlijk misbruik van hun monopoliepositie en vragen schandalig hoge prijzen. Het zoeken naar vermiste en voortvluchtige totok-vrouwen duurt voort. In de stad hebben de Japanse en Indonesische politie de namen van alle vrouwen met blond haar opgeschreven, ook al stond op hun registratiekaarten dat zij Indo-Europesen waren. Men heeft de hoop dat het vrouwenkamp ooit weer open gaat wel laten varen.

Bouwer – Het vermoorde land, 169

[Bandung 3 – Kampdirektie] 

Zaterdag, 20 maart [1943]
Het vrouwenkamp is niet alleen gesloten, maar de laatste dagen weer onderworpen aan grondige huiszoekingen. Het bewind van de nieuwe resident is al voelbaar in een bevel, dat de vrouwen al hun geld moeten inleveren. Officieel gaat dat in een kampkas, waaruit dan de kosten van de voeding van de geïnterneerde vrouwen en kinderen zullen worden bestreden. Officieus verdwijnt het in de zakken van de Japans-Indonesische kampdirektie. Ook sieraden zullen worden opgeëist, voor zover zij door brutale bewakers al niet zijn afgenomen. Steeds meer vrouwen komen nog het kamp binnen. De overbevolking is al enorm. Een demonstratief groot slot hangt op de poort. De ontsnappingen gaan echter door. De vrouwen kruipen door riolen en nemen de grootste risiko's op zich om buiten de kampen te komen. Dat gebeurt natuurlijk 's avonds en vooral 's nachts en het veelvuldige schieten, dat wij tegenwoordig 's nachts horen, schijnt daarmee in verband te staan. Ook verschillende jongens zijn ontkomen. Andere jongelui, nog in het bezit van wapens, hebben dezer dagen 's avonds van het kamp uit schoten gelost op een passerende Japanse truck. Als gevolg daarvan zijn gisteren door de Kenpeitai alle jongens boven de 14 jaar uit het vrouwenkamp gehaald en naar de mannenkampen overgebracht. Er wordt ook beweerd, dat bij de laatste huiszoekingen ook een paar als vrouwen verkleede mannen zijn gevonden. Het lijkt me sterk, maar in dit land is nu alles mogelijk.

Bouwer – Het vermoorde land, 171

[Bandung 2 – Oosteindeweg] 

Woensdag, 31 maart [1943]
Er komt nu ook een 'beschermingskamp' voor ouden van dagen. In de buurt van het vliegveld Andir. Een ander kamp wordt in gereedheid gebracht aan het Oosteinde. Dat is bestemd voor de z.g. 'gezinsinternering', d.w.z. voor gezinnen, waarvan het hoofd nog in dienst van de een of andere Japanse instantie is.

Bouwer – Het vermoorde land, 171a

[Bandung 3 – Gaarkeukens] 

Woensdag, 31 maart [1943]
Een week geleden sprak ik bij mij thuis de bejaarde zendingsleraar Swamborn, die in het vrouwenkamp is geïnterneerd. Naar aanleiding van de jongste huiszoekingen vertelde hij mij, dat die inderdaad zijn veroorzaakt door schoten, die een paar jongens met windbuksen op vogeltjes losten. Een Japanner schijnt toen een pluimpje in zijn zitvlak te hebben gekregen. Dat was een gerede aanleiding voor een grote plunderpartij, waarbij de arme vrouwen van vele dingen zijn beroofd. Een paar vrouwen, die revolvers bleken te bezitten, zijn naar de Kenpeitai gesleept. Iedere kans op heropening van het kamp, zelfs voor een paar dagen per week, is nu verkeken. Wij hebben ons er al op ingesteld, dat wij onze kennissen, die in het kamp zitten, pas na de oorlog zullen terugzien. Als wij hen terug zullen zien ... Resident Komiyama is aan het werk gegaan. De eetkamers van de huizen in het kamp hebben de vrouwen moeten ontruimen. Er komen nog meer geïnterneerden. Aan alle nog werkende totokvrouwen en mannen, alsmede aan alle totok-vrouwen gehuwd met Indo-Europeanen of Indonesiërs en aan alle Indo-Europese en Indonesische vrouwen getrouwd met totok-mannen zullen – blijkens een bericht in een van de Tjahaja’s van de afgelopen dagen – nieuwe armbanden worden verstrekt. En ditmaal door het hoofdbureau van de Kenpeitai. Apropos: het verraden van een ondergedoken totok-man wordt door de Kenpeitai op het ogenblik al met f 500, – beloond. De Kenpeitai is – naar ik van betrouwbare Indonesische informanten hoorde – ook bezig met de inrichting van de deportatie-oorden voor totok-mannen in de oerwouden van Sumatra, Palembang, Pakanbaroe en andere plaatsen. Om op het vrouwenkamp terug te komen: het eten zal van nu af aan door de gaarkeukens worden verstrekt. Geld moeten de vrouwen 'in bewaring' geven.

Bouwer – Het vermoorde land, 171b

[Jakarta 4 – Reynier de Klerk] 

Woensdag, 31 maart [1943]
Door in de stad geposteerde Indonesische politieagenten zijn dezer dagen ongeveer 700 registratiekaarten afgenomen van Indo-Europese vrouwen, die blond haar en blauwe ogen hadden en op volbloed-Hollandse vrouwen leken. Vermoedelijk zullen ook deze vrouwen wel in een kamp terechtkomen. Als het hun meeloopt, zullen zij eerst nog moeten bewijzen, dat zij echte Indo-Europeanen zijn. Men mompelt in de stad al over een algemene herregistratie van Indo-Europese vrouwen, waarbij bewijzen zullen worden gevraagd van Indonesische afstamming. Dan wordt de toch al ontzettende janboel nog groter. Het Landsarchief in Batavia zal het druk krijgen.

Bouwer – Het vermoorde land, 174

[Bandung 3 – Beschermingskamp] 

Zaterdag, 10 april [1943]
Slechts door de onderlinge verdeeldheid bij iedere gelegenheid aan te wakkeren, kunnen de Japanners zich hier staande houden. Daarom worden volbloed-Europeanen tegen Indo-Europeanen opgezet en omgekeerd, uit vrees, dat wanneer eenmaal bordjes zullen worden verhangen de Europese gemeenschap zich gesloten tegen de onderdrukkers zal keren. Zie b.v., hoe Indo-Europeanen speciale voorrechten genieten, zowel in als buiten de kampen. De bedoeling is, dat dit niet ongemerkt blijft en kwaad bloed zet. Ik moet tot mijn spijt zeggen, dat die opzet schijnt te slagen. In het vrouwenkamp schijnt dit al zeer sterk het geval te zijn. De Indo-Europese vrouwen, die wegens overtredingen en vergrijpen voor straf in het vrouwenkamp zijn geraakt, worden daar uitgescholden voor ‘kampong-kippen'. Over de omheining van het kamp heen worden verwensingen geslingerd naar voorbij komende Indo-Europese vrouwen. Zelfs het woord ‘verraadster' is daarbij al gevallen, terwijl ik toch dagelijks kan zien, hoeveel moeite de nog vrij zijnde Indo-Europese vrouwen doen om het lot van hun geïnterneerde landgenoten (ook de volbloeds) te verzachten en hoe deze vrouwen soms zeer gevaarlijk en verdienstelijk werk doen.

Bouwer – Het vermoorde land, 176

[Bandung 3 – Verkeer en Waterstaat] 

Maandag, 26 april, 2e Paasdag [1943]
Het tweede Paasfeest onder de Japanse onderdrukkers is voorbij. Het was nog ellendiger dan vorig jaar. Mannen weg, vrouwen weg, armoede, geldgebrek, ziekten, Nieuwe Orde.
Een vrouwelijk familielid, dat eind maart samen met andere employés van het departement van verkeer en waterstaat werd gearresteerd en naar de Kenpeitai gebracht, is vrijgesproken, maar moet desondanks het vrouwenkamp in. Zij vertelde een vreemd verhaal. Gedurende haar hele gevangenschap in de cellen van de Kenpeitai is zij slechts eenmaal verhoord met behulp van een Nederlandse tolk. De beschuldiging luidde, dat zij hulp had verleend aan behoeftige Europeanen en aan... Ambonese guerrilla’s! Verder werd zij beschuldigd van de schriftelijke verspreiding van buitenlands nieuws. Een paar dagen geleden werd zij om één uur 's nachts pardoes op straat gezet met een briefje om onmiddellijk naar het vrouwenkamp te gaan. Schone kleding heeft zij gedurende haar gevangenschap niet mogen ontvangen. Ook mocht zij niet baden. 's Morgens werd thee verstrekt, die zij niet dronk, maar waarmee zij zich verfriste. Driemaal per dag kreeg zij een minimum-portie rijst met zure groenten. Wat er van haar collega's is geworden, weet zij niet. Het is vrijwel zeker, dat deze gefingeerde zaak door Indonesische employés van het departement bij de Kenpeitai aanhangig werd gemaakt, omdat zij de hogere baantjes niet konden krijgen en op deze wijze Indo-Europeanen op een zijspoor willen zetten. Wat dan gelukt is ook. De Indo-Europeanen zitten inderdaad in kampen of gevangenissen. De begeerde baantjes zijn echter ingenomen door Japanners. De Japanse direkteur van het departement, die zich krachtig voor de vrijlating van de gearresteerde Indo-Europese employés had ingezet, is naar Tokyo teruggeroepen.

Bouwer – Het vermoorde land, 181

[Bandung 2 – Ol] 
[Bandung 3 – Kampdirektie]  
[Bandung 3 – Houtmanstraat] 

Donderdag, 13 mei [1943]
Ik heb een kennis gesproken, die uit het vrouwen-getto is ontsnapt. Een Indonesiër, Boenjamin, nu direkteur van het kamp, heeft van de Japanners pas een ernstige schrobbering gekregen. In de eerste plaats omdat hij een geïnterneerde vrouw die een kaak-abces had geen toestemming had gegeven om naar een tandarts in de stad te gaan. De vrouw had daarop een gat in de omheining gemaakt, ontsnapte, ging naar de tandarts en zich vervolgens bij de Kenpeitai over Boenjamin beklagen mede namens haar lotgenoten. In de tweede plaats hadden de Japanners twee vrouwen, wier echtgenoten in het mannenkamp 'Palace-Hotel' stervende waren, laten oproepen. Boenjamin liet hen pas gaan, nadat de mannen al waren overleden. Er heerst difterie in het kamp. Door de Indonesische bewakers wordt ontzettend veel gestolen. De Nederlandse cabaretière Corry Vonk geeft in haar overvolle kamp-'woning' iedere zaterdagavond kleine voorstellingen. De ellende is algemeen groot. Ontsnappingen zijn aan de orde van de dag.

Bouwer – Het vermoorde land, 183-184

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Woensdag, 26 mei [1943]
Een paar dagen hebben wij in de angst gezeten. We kregen een brief van het gemeentebestuur, waarin werd geklaagd over de woestenij achter ons huis, m'n jungle waarin ik mij altijd schuil houd. Kort daarop kwamen werklui om het terrein schoon te maken en – naar wij vreesden – met voedingsgewassen te beplanten. lk was één ogenblik onvoorzichtig. Ik wilde gewoon weten, wat er gebeurde. Tenslotte stond er voor mij heel wat op het spel. Als de jungle onder beheer van de gemeente zou komen, zou dat bij de eerstvolgende razzia het einde van mijn toch al zo riskante ‘vrijheid' betekenen. Ik ging dus naar de achtertuin, kroop er in en stak mijn hoofd hoog boven de beschermende alang-alang (Indonesisch gras) uit. Ik geloof – maar weet het niet zeker – dat één van de Indonesische arbeiders mij zag en ik meende zelfs hem te horen zeggen: 'Ada toean!' (Daar is een man!). Eén dag lang hebben wij in spanning geleefd. Als de arbeider mij inderdaad zou hebben gezien, zou hij na – en desnoods al tijdens zijn werk naar de Kenpeitai zijn gestapt en voor een vijfhonderd piek hebben verteld, wat hij had gezien. De Kenpeitai zou nog diezelfde dag en wel na een paar uur zijn gekomen. Het gebeurde vrijdag. De Kenpeitai is nog niet geweest en ik ben dus waarschijnlijk door het oog van een naald gekropen.

Bouwer – Het vermoorde land, 186a

[Bandung – Palace Hotel]

Dinsdag, 15 juni [1943]
In verschillende kampen zijn vechtpartijen voorgekomen. In het 'Palace-Hotel' zijn de N.S.B.-ers afgedroogd, die de hand hadden in het verraad van een clandestiene correspondentie met buiten. Toen de Indonesische direkteur zich tussen de vechtenden mengde kreeg hij en passant en per abuis ook een pak op zijn falie. Achttien geïnterneerden zijn naar de gevangenis Soekarmskin overgebracht.

Bouwer – Het vermoorde land, 186b

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Dinsdag, 15 juni [1943]
In het L.O.G. ontstond een gevecht tussen geïnterneerden en Japanse bewakers, toen laatstgenoemden een kamponghond, die het kamp was binnengelaten en door de geïnterneerden ondanks alle eigen ontberingen goed werd verzorgd, doodstaken met een bajonet. De voedseltoestand in de mannen- en vrouwenkampen is bedenkelijk. Tweemaal per dag tapiocapap en eenmaal per dag een kleine hoeveelheid rijst. In het Klooster 'Maria Sterre der Zee' zijn 200 dysenterie-gevallen.

Bouwer – Het vermoorde land, 186c

[Jakarta 7 – K.P.M.] 

Dinsdag, 15 juni [1943]
Het Indo-Europese personeel, dat nog bij de K.P.M. in Batavia werkt, heeft dezer dagen tantième gekregen. Een grote enveloppe met een Japans bankbiljet van 50 cent er in.

Bouwer – Het vermoorde land, 192

[Jakarta 5 – Paleis] 
[Jakarta 7 – Manifestaties] 

Donderdag, 15 juli [1943]
De Japanse premier, gen. Tojo, heeft nu toch onverwachts een bezoek aan Batavia gebracht, vergezeld van gen. Sato, hoofd van de afdeling militaire zaken van het Japanse departement van oorlog. Hij werd op 7 juli op het vliegveld verwelkomd door vrijwel alle hoge Japanse officieren, alsook door Soekarno en zijn kornuiten, de vier zelfbesturende vorsten, vertegenwoordigers van de Japanse burgerij in Batavia en van de Nanking-Chinezen, Arabieren, Duitsers en Italianen. Tojo – die vroeger hoofd was van de Kenpeitai en de bijnaam 'het Scheermes' had – woonde in het Paleis Rijswijk. De bezetters hadden rijen schoolkinderen met vlaggetjes laten opstellen langs de weg van het vliegveld Kemajoran naar het paleis. Zij schreeuwden braaf 'Banzai!!' en wuifden frenetiek. De premier is onmiddellijk in konferentie gegaan en heeft sindsdien voortdurend gepalaverd, hoewel hij tussen de bedrijven door ook nog allerlei massa-meetings moest bijwonen. Op de renbaan in Batavia – op het Koningsplein – zouden zich op de eerste avond van zijn komst niet minder dan 100.000 hoofdstedelijke Indonesiërs en Chinezen hebben verzameld om hem toe te juichen, schreef de 'Tjahaja' op 8 juli. Op de 10e is Tojo via Manila naar Tokyo teruggekeerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 201

[Bandung 3 – Inspekties] 

Dinsdag, 10 augustus [1943]
De Japanse opperbevelhebber en gouverneur-generaal is in Bandoeng geweest en schijnt het vrouwenkamp te hebben geïnspecteerd. Het is jammer, dat dergelijke inspekties door hoge pieten vrijwel nooit tot verbetering leiden. Wat kan het gen. Harada tenslotte schelen, of zich dezer dagen in het kamp – en ook in de mannenkampen – een voedselvergiftiging heeft voorgedaan, waarvan enige gevallen een dodelijke afloop hadden? Dat past precies in zijn kraam, aangezien zo'n onverhoopt voordeeltje de nagestreefde uitroeiing van de Europeanen alleen maar bespoedigt. Wat kan het hem schelen, of er om de paar dagen huiszoekingen in het vrouwenkamp plaatshebben, waarin de vrouwen beetje bij beetje alles wordt ontnomen? Wat doet het hem, dat het vrouwenkamp met de dag voller wordt? Wat geeft het, of in het Tjidengkamp in Batavia ongeveer 10.000 vrouwen en kinderen in 300 woningen worden samengepropt? Zou hij niet zeer ingenomen zijn met de verklaring van de assistent- resident van de Preanger, Aneha, dat de vrouwen in het Bandoengse getto tenslotte rij aan rij op de grond zullen moeten liggen? Is het niet prachtig, dat er gemiddeld 25 vrouwen en kinderen in een huis (en vaak huisje) wonen?

Bouwer – Het vermoorde land, 203

[Bandung – Vrijmetselaarsloge]

Vrijdag, 20 augustus [1943]
In het begin van de week zijn verscheidene nog vrij zijnde Indo-Europeanen gearresteerd, van wie de Japanners blijkbaar te weten waren gekomen, dat zij vrijmetselaren zijn. Dergelijke aanhoudingen hebben al gedreigd sedert de anti-maçonnieke artikelen in de Indonesische pers.

Bouwer – Het vermoorde land, 203a

[Bandung 3 – Interneringen] 

Vrijdag, 20 augustus [1943]
Het vrouwenkamp is opnieuw grondig door elkaar geschud door de plotselinge en onaangekondigde overbrenging van grote groepen vrouwen en kinderen naar een andere wijk van het kamp. Er wordt beweerd, dat in de Tjihapit-wijk van het Bandoengse vrouwenkamp nu 13.000 vrouwen en kinderen zijn opgesloten. Zij slapen zelfs in voor- en achtertuinen onder de blote hemel of op de voorgalerijen. Het ontruimde deel van het kamp wordt eenvoudig gesloten. Meestal gaat het om een kollektieve strafmaatregel. Als de Japanners iets merken van passieve weerstand onder de geïnterneerden krimpen zij de beschikbare ruimte in en geven de geïnterneerden bevel om weer dichter bij elkaar te kruipen. Het gevolg is, dat er soms 40 tot 50 personen in de huizen wonen. Het grootste deel van de Tjihapit-wijk bestaat uit kampongwoningen met een of twee kamertjes.

Bouwer – Het vermoorde land, 203b

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Vrijdag, 20 augustus [1943]
Een nieuw gevaar bedreigt m'n partikuliere jungle: mijn rechterbuurman, wiens huis ook op de achtertuin uitkomt, wordt op de 25e a.s. met zijn gezin in het kamp Oosteinde *] opgesloten. Zijn huis zal door een Japanner worden betrokken naar ik hoor.
*] zie [Bandung 2 – Oosteindeweg] 

Bouwer – Het vermoorde land, 204

[Bandung 4 – Borromeus] 

Woensdag, 25 augustus [1943]
Ook zijn de Japanners begonnen met het inrichten van een E.H.B.O. Alle Japanse auto's rijden 's avonds zonder licht. Wagens, die nog met licht rijden, worden aangehouden. Misschien houdt dit alles ook verband met de ontruiming van het bekende Borromeus-ziekenhuis, die vóór de 10e september a.s. plaats moet hebben. Dit is ongeveer nog het enige grote ziekenhuis, dat de Europeanen was overgebleven. Er is nog een aantal kleine, partikuliere klinieken met zeer weinig bedden. De ontruiming moet dermate snel geschieden, dat men in enkele panden tegenover het grote ziekenhuis – dat bovendien op het ogenblik stampvol is – maar een noodhospitaaltje heeft ingericht. Daar kunnen de allerergste gevallen tijdelijk worden opgenomen. Het is echter zo pover uitgerust, dat er niet eens een ijszak is. Zelfs geen thermometer. In Batavia is iets dergelijks geschied. Alle hotels werden daar tot noodhospitalen ingericht. De laatste dagen heb ik door smalle kieren in de afgeschermde ramen aan de voorkant van het huis herhaaldelijk kunnen zien, hoe kennelijk ernstig zieke mensen in sado's (koetsjes) naar huis werden gebracht.

Bouwer – Het vermoorde land, 210-211

[Bandung – Regent]

Woensdag, 22 september [1943]
De regent van Bandoeng, R.A.A. Wiranatakoesoema, heeft zich – na enige aarzeling – nu ook openlijk achter de aktie voor een Indonesisch volksleger geschaard en zich in een schrijven aan resident Komiyama gewend. Daarin bood hij zichzelf en alle mannelijke leden van zijn uitgebreide familie voor de militaire dienst aan. Een van zijn zoons heeft verzocht om door de Japanners tot piloot te worden opgeleid. Een andere zoon maakt op Formosa (Taiwan) de Japanse opleiding voor hogere politie-ambtenaren door. Een derde zoon is in dienst van de Japanse politie. Zijn schoonzoon, R. Joesoef – eigenlijk een Indo-Europeaan als kind van een bekende Nederlandse hoogleraar – is commissaris van politie in deze stad. Inderdaad: de familie Wiranatakoesoema werkt vlijtig met de Japanners samen.

Bouwer – Het vermoorde land, 213

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

Dinsdag, 5 oktober [1943]
De Japanse opperbevelhebber gen. Harada heeft gisteren officieel de opstelling van een Indonesisch volksleger goedgekeurd. Het desbetreffende dekreet in een 'Tjahaja' van dubbel formaat gepubliceerd legt er de nadruk op dat er ‘voorlopig' geen sprake zal zijn van een algemene dienstplicht voor Indonesiërs. De dienst in het volksleger zal 'geheel vrijwillig' zijn. Het leger zal officieel heten ‘Tentara Pembela Tanah-Air' (leger voor de verdediging van het vaderland), kortheidshalve 'Peta'. Het zal door Japanse instrukteurs worden opgeleid, eigen Indonesische officieren krijgen, maar opereren onder het Japanse opperbevel op Java. Veel verschil met de z.g. 'heiho's' – Indonesische soldaten, die in het keizerlijke Japanse leger zijn ingelijfd – is er dus feitelijk niet.

Bouwer – Het vermoorde land, 213

[Malang - Resident]

Dinsdag, 5 oktober [1943]
In Malang heeft de Japanse resident een dekreet afgekondigd, waarbij – als gevolg van de rede van Yamamoto – Indo-Europese kinderen nu Indonesische lagere scholen zullen mogen bezoeken. Enthouiaste betuigingen van instemming met de redevoering zijn gekomen van de Indo-Europeanen Beers en Ziesel, respektievelijk in Loemadjang en Malang (Oost-Java) woonachtig. Beiden schreven brieven aan de Japanse resident van Malang om de Japanse regering in Tokyo te bedanken voor zijn 'goedhartigheid jegens de Indo's'. Ziesel stelde de Indo-Europeanen voor 5 dure eden te zweren, waarvan de 2e luidt: 'Wij, Indo-Europeanen, zweren dat wij ons Vaderland, ons geliefd Indonesia, tot de laatste druppel bloed zullen verdedigen.'

Bouwer – Het vermoorde land, 213-214

[Bandung 3 – I.E.V.] 
[Bandung 4 – Onderduiker] 
[Bandung 4 – Zeelandiastraat] 

Dinsdag, 12 oktober [1943]
Ik heb geruime tijd het onderwerp burgerkampen niet aangeroerd, omdat er weinig over te zeggen viel, behalve de gebruikelijke clandestiene briefjes, die ondanks scherpe controle door Japanners en Indonesiërs nog steeds naar buiten worden gesmokkeld met de gewone mededelingen over de grote ellende. Nu echter schijnen de meeste mannenkampen in de stad te worden ontruimd. De geïnterneerden gaan naar de grote kampementen in het nabije Tjimahi. Gisteren zijn de mannen uit het kamp in de Zeelandiastraat en vandaag die uit het kamp in de Tjitaroemstraat daarheen gebracht. Dit heeft een grote drukte in de stad veroorzaakt. Honderden vrouwen, moeders, dochters en verloofden waren op straat in de buurt van de kampen, maar werden door een sterke politiemacht op een afstand gehouden. Het vervoer had plaats in geblindeerde autobussen. Door een kier in ons wc.-raam, dat op de Dagoweg uitkijkt, heb ik vele autobussen voorbij zien rijden. Sommige stonden geruime tijd voor of vlakbij ons huis stil en ik zag vele kennissen, o.m. mr. Lamsvelt, hoofdambtenaar van het departement van economische zaken, die – wetend van m'n onderduiking – veelbetekenend naar ons huis keek. Verder de goede Dirk Faber, de stoere Friese planter uit Tjisaroea, die zelfs nog gelegenheid vond om met Ivy te praten. Voor zover ik dat van een afstand kon bekijken, zagen de mannen er nog vrij goed uit, hoewel ze sjofel waren gekleed. Hun schamele bagage werd 's middags in aparte vrachtauto's overgebracht, in stromende regen. Het scheen, dat er niet even kon worden gewacht tot de bui over was. De vrachtauto's konden blijkbaar ook niet met zeildoek worden afgedekt. Geïnterneerden moeten altijd en bij iedere gelegenheid zoveel mogelijk worden gepest. Verschillende vrouwen en meisjes, die trachtten gesprekken met de geïnterneerden aan te knopen, werden aangehouden en zonder veel poespas in het 'beschermingskamp' opgesloten.

Bouwer – Het vermoorde land, 214-215

[Jakarta 7 – Willemskerk] 

Maandag, 18 oktober [1943]
De nieuwe Japans / Indonesische Volksraad vergadert in Batavia. Op de 15e j.l. werden de leden door de opperbevelhebber op het Paleis Rijswijk ontvangen. Daarna togen zij naar het 'Chuureido', een Japanse tempel die in de voormalige protestantse Willemskerk aan het Koningsplein is ingericht, waar de as van de gevallenen wordt bijgezet. Premier Tojo zond een boodschap aan de leden, alsook de Japanse opperbevelhebber in de zuidelijke gebieden, maarschalk graaf Tosikazu Terauchi. In de openingszitting werd het woord gevoerd door de opperbevelhebber van het 16e Japanse leger, gen. Harada en de chef-staf gen. Kokubu. De Volksraadleden legden daarna een eed van trouw af aan het Japanse leger, die werd voorgelezen door het oudste lid, R.A.A. Koesoemo Oetoyo, vice-voorzitter. Soekarno is uiteraard tot voorzitter gekozen (door gen. Harada). Uit de verslagen in de Indonesische bladen blijkt niet, dat er al iets van enige betekenis is besproken. Dat zal trouwens ook wel niet de bedoeling zijn.

Bouwer – Het vermoorde land, 215-216

[Bandung 1A – Staatsspoorwegen]

Maandag, 18 oktober [1943]
M'n Indonesische vriend Sjarif is na large tijd ook weer eens opgedoken. Hij was, op insider-aanraden van de politie, een poosje verdwenen, omdat hij teveel contact had met Europeanen. Na de radiorede van Yamamoto acht hij het nu wel weer veilig om geregeld bij Indo-Europeanen op bezoek te gaan, zodat ik nu weer ben verzekerd van méér betrouwbare berichten uit de Indonesische samenleving. Hij kwam direkt al met een paar belangrijke berichten over openlijke ontevredenheid onder vrijwel al het Indonesische personeel van de landskantoren. (Hij werkt zelf op de vertaal-afdeling van de spoorwegen hier in Bandoeng, waar hij oeroude Nederlandse jaarverslagen in het Engels moet vertalen). Vele Indonesiërs, die in het begin van de Japanse bezetting hard schreeuwden: 'Nooit meer terug onder de Hollanders!', vragen nu: 'Wanneer komt het einde? Wanneer komt de Nederlands-Indische regering terug?' Voornaamste oorzaken: slechte betaling, slechte behandeling, discriminatie van het Indonesische personeel en de voortdurende eerbewijzen aan de eerste de beste Japanse boerenjongen die hier nu afdelingschef speelt. Telkens als er een Japanner de zaal binnenkomt, moet het hele personeel in de houding springen en buigen. Dat gebeurt 20 tot 30 keer per dag. Het enthousiasme van de Indonesiërs voor de 'Tentara Pembela Tanah Air' – zegt Sjarif – is ook niet zo groot als de pers probeert ons wijs te maken. De meeste Indonesiërs nemen Gatot Mangkoepradja uit Tjiandjoer zijn petitie aan de Japanse opperbevelhebber erg kwalijk. Zij redeneren logisch: 'Als wij moeten vechten, is dat zeker niet voor ons zelf of voor ons eigen land, maar voor de Japanners. Dan blijf ik maar liever thuis. Zolang de aanmelding vrijwillig is, zie je mij niet'. De voertaal op het kantoor is tot grote woede van een aantal verstokte haters van de Hollanders nog altijd Nederlands.
¹] Een Japanner buigt bij ieder contact met een ander. Hij buigt voor het altaar bij zijn bezoek aan een shinto- of boeddhistische tempel, hij buigt voor het portret van de keizer. Bij een ontmoeting op straat buigt hij vele malen, vooral de vrouwen doen dit. Een Japanner buigt bij alles, waarvoor hij “dank u” moet zeggen of waarvoor hij zich verontschuldigen moet. [Leven op de rand, 116-117, 391] 

Bouwer – Het vermoorde land, 216a

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

Maandag, 18 oktober [1943]
Gisteren deserteerden uit het Jaarbeursgebouw – dat dient als opvang-centrum voor vrijwilligers voor de 'Peta' – 60 rekruten, die het na een paar dagen al hadden bekeken. De Japanners zetten onmiddellijk alle omliggende straten af, doorzochten alle huizen in de buurt en vonden drie deserteurs, die naar het Jaarbeursgebouw werden teruggesleept en halfdood geranseld.

Bouwer – Het vermoorde land, 216b

[Bandung 1A – Hôtel National]

Maandag, 18 oktober [1943]
'Om jullie wakker te houden, worden jullie af en toe afgeranseld', zei onlangs een zekere Ikeda, een van de afdelingschefs op het hoofdkantoor van de spoorwegen tijdens een periodieke bijeenkomst van het personeel. Jullie hebt onder de Hollanders 300 jaar geslapen en wij, jullie oudere broers, zijn hier om jullie wakker te schudden'.

Bouwer – Het vermoorde land, 221

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Vrijdag, 12 november [1943]
Nieuwe bedreiging voor m'n vrijheid. Het huis van onze rechterbuurman is door het militaire gezag gevorderd voor... het hoofd van de plaatselijke Kenpeitai. Weliswaar wordt m'n jungle van zijn achtertuin door een muur gescheiden, maar het is onherroepelijk een feit, dat het gebruik van de jungle nu aanzienlijk gevaarlijker gaat worden. Bovendien zou het me zeer verwonderen als die woestenij hem, zodra hij eens over zijn muur kijkt, niet direkt opvalt. We zullen nog even afwachten, wat er gaat gebeuren. Veiligheidshalve zoeken we vast naar een ander huis, als het kan met een goede schuilplaats. Dat valt in deze dagen niet mee, want de bezetters nemen links en rechts weer huizen in beslag, o.m. niet minder dan 80 op en om de naburige Nijlandweg [Jl Wiranata Kusumah]. Een paar waardevolle dingen hebben wij ingepakt, om er desnoods snel vandoor te kunnen gaan. Het gevaar is bovendien niet denkbeeldig, dat bij de algemene vordering van huizen ook onze woning zal worden gerequireerd. De voorzorgsmaatregelen zijn dus in ieder geval nodig, ook al is het niet alleen wegens onze nieuwe Kenpeitai-buurman. Ik zal eventueel in een gesloten klerenkast verhuizen. Ook de 2 zinken bussen met m'n aantekeningen moeten op de een of andere manier mee.

Bouwer – Het vermoorde land, 231

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

Vrijdag, 7 januari 1944
Voor de Japanners is het nieuwe jaar slecht begonnen. Nieuwjaarsdag s avonds om zeven uur is de Sociëteit 'Concordia' hier aan de Bragaweg – centrum van het lokale Japanse nachtleven – in brand gevlogen en gedeeltelijk in as gelegd. Men zegt, dat kortsluiting de oorzaak van de brand was. Volgens anderen probeerden in de bar Japanse officieren met slechte jenever een vuurtje te stoken. De brandweer verscheen veel te laat. Belendende gebouwen, hoewel enige tijd in gevaar, konden worden gered, maar de bekende sociëteit brandde af met uitzondering van keuken en toneelzaal. De grote festiviteiten, die de Japanners er 's avonds nog hadden willen houden, konden niet doorgaan.

Bouwer – Het vermoorde land, 231a

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Vrijdag, 7 januari 1944
Op Nieuwjaarsdag stroomde het de hele dag bezoek bij onze buurman Kono van gemillimeterde Japanse officieren en ‘haikara' (het Japanse woord stamt van het Engelse 'high collar' en betekent 'burger') in slecht zittende colbertjes in de meest fantastische kleuren, of in kimono. Ook kwam een aantal Indonesiërs en Indo-Europeanen om Kono 'omedeto' (het allerbeste) te wensen. Voor de Japanners is de Nieuwjaarsdag een groot feest. In ieder huis, waar zij komen gelukwensen, drinken zij een kopje warme sake en men kan dan ook zonder overdrijving zeggen, dat tegen de avond het hele contingent Japanse militairen en burgers van de stad stomdronken was. Geen beter ogenblik voor een opstand of een geallieerde landing.

Bouwer – Het vermoorde land, 233b

[Bandung – Sociëteit 'Concordia']

Donderdag, 13 januari [1944]
De brand in de Sociëteit 'Concordia' is bij de Kenpeitai in onderzoek en er schijnt dus meer achter te zitten. Op de bevolking heeft de brand diepe indruk gemaakt. Zij is nu eenmaal bijgelovig en hecht waarde aan voortekenen. Zij is er stellig van overtuigd, dat Toean Allah hiermede de Japanners heeft willen laten zien, dat zij geen recht hebben op dit gebouw, dat de 'tempat plesir' (het vermaakscentrum) van de 'orang belanda', de Hollanders was.

Bouwer – Het vermoorde land, 237-238

[Bandung 1B – Resident]

Donderdag, 17 februari [1944]
De nieuwe resident van Bandoeng heeft maandag zijn funktie aanvaard, nadat zijn voorganger Komiyama de dag tevoren met stille trom was vertrokken. Ichibangase is ruim 50 jaar oud en geen militair. Hij was vroeger bestuursambtenaar op Formosa (Taiwan) en bezocht in 1929 Nederlands-Indië. Ik geloof, dat er wel mag worden gezegd dat de Indonesiërs even blij zijn als de Indo-Europeanen, dat 'BeuI' Komiyania is vertrokken. Ichibangase is een landbouwdeskundige wat een aanwijzing zou kunnen zijn voor de maatregelen, die in de vruchtbare Preanger misschien worden genomen om de voedseltoestand te verbeteren. Hij is de derde Japanse resident in nauwelijks anderhalf jaar Japans civiel bestuur. Van continuïteit in het bestuur, zoals in het voormalige Nederlandse B.B., is geen sprake. De hoogste Japanse leiders op Java vertrouwen – dat is vrij algemeen bekend – de hogere ambtenaren niet en laten hen liefst niet al te lang op een post. Voor Ichibangase zelf is dit al de vierde standplaats. Hij heeft al verschillende lands- en gemeentekantoren bezocht.

Bouwer – Het vermoorde land, 238

[Bandung 2 – Jaarbeursgebouw] 

Donderdag, 17 februari [1944]
De in het vrouwengetto gevorderde dames- en herenfietsen, voor zover nog bruikbaar na de ‘verschroeide aarde'-politiek door de vrouwen kort voor de inlevering op de ‘sepedas' (fietsen) toegepast zijn al aan politie en 'Peta' uitgedeeld. Vanmiddag zag ik door een kier in het raam een afdeling wielrijders van de 'Peta' op damesfietsen voorbijkomen. Het maakte een weinig martiale indruk.

Bouwer – Het vermoorde land, 240

[Bandung 2 –1e Depot] 

Donderdag, 29 februari [1944]
Donderdag j.l. heeft de Kenpeitai een inval gedaan in de burgerkampen in 1e depot en het 15e bataljon, hier in de stad. De japanners handelden op aanwijzingen van spionnen. Zij zochten naar clandestiene correspondentie tussen deze kampen en de buitenwereld. Alle geïnterneerde mannen werden uit de chambrees en zalen gejaagd en hun schamele bezittingen werden doorzocht.
Volgens de voorlopige berichten zijn er geen briefjes gevonden. Ook de geïnterneerden schenen te zijn gewaarschuwd voor de komende razzia. Wel een radiotoestel, eigendom van een jongeman uit Semarang, die werd aangehouden. Al het geld werd de geïnterneerden ontnomen. In een van de laatste clandestiene briefjes stond nog, dat de geïnterneerden in die beide kampen f 7, – betalen voor een liter binnengesmokkelde rijst.

Bouwer – Het vermoorde land, 241-242

[Bandung – Lagere School]

Zondag, 5 maart [1944]
Ik heb nog een aanwijzing van de ontevredenheid onder de bevolking. De Japanners hebben de Indonesiërs verschillende anti-geallieerde propaganda-liedjes geleerd. De lesroosters van alle Indonesische scholen beginnen 's morgens met een repetitie van die liedjes. Zangles is ook een belangrijk onderdeel van de opleiding van jeugdorganisaties en de 'Peta'. Een van die liedjes heeft het volgende refrein: 'Hantjoerkanlah! Moesoeh kita! Itoelah Inggris dan Amerika!' (Vernietigt onze vijanden, Engeland en Amerika). De bevolking heeft dat refrein als volgt veranderd: 'Hantjoerkanlah! Bola merah! Datang lekas Amerika!' (Vernietigt de – Japanse – rode bol! Kom gauw Amerika!')

Bouwer – Het vermoorde land, 242

[Bandung – gemeente]

Zondag, 5 maart [1944]
Vandaag zijn de feesten begonnen ter gelegenheid van de herdenking van de Japanse bezetting van Indië. Vanmorgen om tien uur verzamelden zich op het stadhuisplein alle lands- en gemeente-dienaren ten einde hun eed van trouw aan Dai Nippon te hernieuwen. Daarna maakten zij gezamenlijk een buiging in de richting van het keizerlijke paleis in Tokyo. Normaal buigt de Mohammedaan alleen maar richting Mekka.

Bouwer – Het vermoorde land, 243-244

[Bandung – Moskee]

Donderdag, 16 maart [1944]
De resident van Bandoeng, Ichibangase, is dermate geschrokken van de godsdienstrelletjes in zijn ressort, dat hij nu geregeld de moskee bezoekt. Dat hij daar als 'kafir' (ongelovige) niet welkom is, dringt schijnbaar niet tot hem door.

Bouwer – Het vermoorde land, 244

[Bandung – Deventer]

Donderdag, 16 maart [1944]
In een circulaire, die is uitgegaan van het gemeentebestuur, is ons aangezegd, dat wij met ingang van morgen alle overtollige koperen, ijzeren, stalen en messing gebruiksvoorwerpen moeten inleveren. Indien er naar het oordeel van de bezetters onvoldoende vrijwillig wordt ingeleverd, zal huiszoeking en beslaglegging volgen. In dit verband herinner ik er aan, dat in Batavia de meeste ijzeren hekken, brugleuningen, spoor- en tramrails enz. door de Japanners al zijn weggebroken. Hier in Bandoeng hebben ze ook maar niet op de resultaten van een 'vrijwillige' inlevering gewacht en begonnen direkt met huiszoekingen. Terwijl ik me in m'n jungle schuil hield, werden bij ons weggehaald een gietijzeren schemerlamp en enige koperen snuisterijen. En passant namen de Japanners zes autobanden uit de garage mee, die daar al lagen toen we het huis betrokken.

Bouwer – Het vermoorde land, 245-246

[Bandung 1A – Staatsspoorwegen]

Vrijdag, .31 maart [1944]
Op het hoofdkantoor van de spoorwegen hier in de stad zijn acht Indonesische employés door de Kenpeitai aangehouden wegens het uiten van ontevredenheid over de voedseltoestand en de algemene onderbetaling van het personeel, die zo scherp afsteekt bij de enorm hoge kosten van het levensonderhoud. Omdat de salarissen ontoereikend zijn om ook maar in het meest bescheiden levensonderhoud te voorzien, doet vrijwel iedere lands- en gemeentedienaar mee aan de zwarte handel, die welig tiert. Onder het personeel op de kantoren bestaat niet meer de geringste belangstelling voor de verplichte lessen in het Japans, die op de meeste kantoren dan ook binnenkort zullen worden gestaakt. (Er wordt gemiddeld maar een-kwart van alle 'studenten' geëxamineerd). Onder elkaar spreken vele Indonesiërs nog steeds Nederlands, ondanks bordjes: 'Dilarang keras memakai behasa belanda' (Streng verboden de Nederlandse taal te gebruiken). Wat ook veel kwaad bloed heeft gezet, is het feit, dat Japanse employés op de kantoren kunnen eten en dan voor dertig Japanse centen een grote portie rijst, een biefstukje en een portie groenten krijgen. De Indonesische employés mogen toekijken en moeten maar proberen om driemaal per dag hun magen te vullen met 160 gram rijst. In Batavia is, naar ik hoorde, het rijstrantsoen teruggebracht tot 1 liter per persoon per week, dat is 115 gram per dag.

Bouwer – Het vermoorde land, 246

[Bandung 1B – Resident]

Vrijdag, .31 maart [1944]
De Japanse resident van Bandoeng heeft in een rede verklaard, dat de 'Amerikaanse negers vol spanning op de komst van de Japanse troepen wachten om hen te bevrijden van het Amerikaanse juk'. (Sic!).

Bouwer – Het vermoorde land, 247

[Bandung 3 – Beschermingskamp] 

Woensdag, 5 april [1944]
Ik heb maandag inzage gehad van een lijst van overledenen in het vrouwengetto over de periode 1 februari tot 26 maart. De lijst bevat niet minder dan 33 namen, onder wie enige 70-jarigen. De overlijdensdata waren niet op de lijst vermeld, noch plaats en datum van begrafenis.

Bouwer – Het vermoorde land, 249-250

[Bandung 4 – Borromeus] 

Zondag, 16 april [1944]
De schaarste aan vrijwel alles in de stad is nu zodanig, dat patiënten, die b.v. voor een operatie in het ziekenhuis moeten worden opgenomen, zelf ether, watten, verbandgaas en andere geneesmiddelen moeten meebrengen. Anders worden ze niet opgenomen. Als een patiënt geen ether kan leveren, wordt hij zonder verdoving geopereerd, wat al herhaaldelijk moet zijn voorgekomen. Ook moeten familie of kennissen van de patiënt de voeding verzorgen. Operatiewonden worden genaaid met 'Brooks'-naaigaren en de chirurgen in de stad – de twee voornaamsten zijn de doktoren Tan Ping Ie en Sie – richten oproepen tot de burgerij om naaigarens van dat merk voor genoemd doel af te staan. Direkteur-geneesheer van het Borromeus-ziekenhuis – tevens chirurg – is sedert geruime tijd de Japanner Kobayashi. Hij zelf heeft eens toegegeven, dat hij nog nooit had geopereerd voor hij in Bandoeng werd geplaatst. Kobayashi specialiseert zich op abortus en Europese meisjes, die Japanse babies verwachten, kunnen altijd op zijn hulp rekenen. Zij moeten er dan wel tevreden mee zijn, dat 'dokter' Kobayashi, ofschoon geen kwakzalver, niet over de grootste gynaecologische ervaring beschikt. Velen van zijn patiënten hebben niet kunnen navertellen, wat er met hen is gebeurd.

Bouwer – Het vermoorde land, 251

[Bandung – Deventer]

Zondag, 16 april [1944]
In het kader van de inzameling van oud-ijzer worden straatnaamborden en de palen waaraan ze zijn bevestigd afgebroken en weggevoerd. Houten borden worden aan de bomen getimmerd. Er schijnt zelfs sprake van te zijn waterleidingbuizen op te graven en die te vervangen door bovengrondse bamboe-leidingen, zoals men die in de desa's ziet.

Bouwer – Het vermoorde land, 252

[Bandung – BMC]

Zaterdag, 22 april [1944]
Voor een kwart onsje boter staat men voor de Bandoengse Melkcentrale 's nachts om half vier al in de rij. Een groot deel van de uit Lembang van de melkerijen van de Italiaan Ursonen aangevoerde melk is ondeugdelijk, in verband met een ernstige mond- en klauwzeerepidemie. Een deel van de goede melk is bestemd voor verwerking tot melkpoeder voor de Japanse troepen. Wat er overblijft, gaat in de verkoop. Kaas hebben we in jaren al niet meer gezien. Boter zal binnenkort alleen op doktersattest worden verstrekt.

Bouwer – Het vermoorde land, 252-253

[Bandung 2 – Sumatrastraat] 

Donderdag, 27 april [1944]
Inmiddels is dank zij de bemoeienissen van het plaatselijk Indo-comité bereikt, dat op 29 april a.s. krijgsgevangenen en alle mannelijke-en vrouwelijke geïnterneerden pakjes mogen ontvangen. Men wil nu het systeem toepassen, dat men voor Kerstmis vorig jaar had bedacht, toen iedereen geloofde, dat er pakjes naar de kampen mochten worden gestuurd en de hele zaak op een misverstand bleek te berusten. Persoonlijke pakjes zullen dus niet worden samengesteld. Evenmin zal verschil worden gemaakt tussen Indo-Europeanen en volbloed-Hollanders. Het is kort dag en de mare verspreidt zich met fantastische snelheid door de stad. Sinds gisteren worden winkels bestormd en het laat zich aanzien, dat er een enorme hoeveelheid gaven zal worden verzameld. Alles mag worden gestuurd: kleren, rijst, andere levensmiddelen, schoenen, sigaretten, sigaren, tabak en wat al niet. Er heerst groot enthousiasme, wat begrijpelijk is. Sedert Kerstmis 1942 hebben de gevangenen in Bandoeng niets meer mogen ontvangen. De hele stad is nu in de weer om allen in de kampen een prettige dag te bezorgen. De inzameling neemt tegelijkertijd het karakter aan van een fel protest van de Europese bevolking tegen de schandalige behandeling van de krijgsgevangenen en geïnterneerden door de bezetters. Zij, die met de organisatie zijn belast, worden van alle kanten overstroomd met geld van personen, die niet in staat zijn om vóór de 29e zelf nog de nodige inkopen te doen. De anti-Japans gezinde Indonesische bevolking doet openlijk mee. De Chinezen niet. De winkels raken snel leeg. Alles is opgekocht. Het is treffend te zien, hoe iedereen zich uitslooft om hen, die het ergst van de bezetters te lijden hebben te verrassen. Ik heb gehoord, dat ook de Japanners onder de indruk zijn van dit vertoon van eensgezindheid en hulpvaardigheid.
Hoe gunstig steekt het werk van het plaatselijke Indo-comité af bij de daden van dezelfde organisatie in Batavia, onder leiding van de collaborateur Dahler, die vrijwel niets doet om de Indo-Europese gemeenschap te steunen. Dahler houdt alsmaar redevoeringen, maar onder de Europeanen luistert niemand naar hem. Woensdag sprak hij als volgt: ‘Vanaf de 16e eeuw tot de val van de Nederlandse regering waren de Indo's slechts voor de wet gelijkgesteld met de Hollanders, maar in de praktijk kwam daar niets van terecht. Toen ik zelf controleur bij het Binnenlands Bestuur op Bali was, ben ik herhaaldelijk ten achtergesteld bij en beledigd door Hollanders, omdat ik een Indo-Europeaan en getint ben, net als de Indonesiërs. Dat wij door de regering in Tokyo nu als Aziaten worden beschouwd, is de grootste gunst, die wij ons kunnen wensen'.

Bouwer – Het vermoorde land, 253-254

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Donderdag, 27 april [1944]
Dinsdagavond hebben wij een merkwaardig incident beleefd. Om half acht 's avonds hoorden wij geschreeuw van Japanners uit het huis rechts naast ons, waar Kono vroeger woonde. Sindsdien woont er een andere Japanse officier, die zich gezelschap laat houden door een stuk of drie Indische meisjes. Ik ren naar het tuimelraam, dat uitzicht geeft op de voordeur van het huis. Door de kier zie ik een auto van de Kenpeitai voor het bordes staan. Plotseling tuimelen 5 Japanners tegelijk de voortuin in en ik herken onze Japanse buurman, die door 4 soldaten van de Kenpeitai naar de auto wordt gesleurd, waarbij hij zich hevig verzet. De soldaten smijten hem in de auto en een van hen gaat boven op hem zitten. De anderen springers eveneens in de auto, die in snelle vaart wegrijdt, in de richting van het hoofdkwartier van de Kenpeitai. Wij vragen ons natuurlijk af, wat onze buurman heeft gedaan. Het is bij hem altijd een vrolijke boel. De radio speelt knalhard en op de piano tingelt hij meestal Hollandse wijsjes, zoals 'Sarie Marais', 'Waar de blanke top der duinen', 'Waar in ’t bronsgroen eikenhout' of Neerlands glorieuze marslied: 'Jij komt vanavond de deur niet meer uit, want je broekie is gescheurd en je hempie komt eruit' en andere gezangen. Met een of hoogstens twee vingers uit het valse instrument. We zullen wel nooit te weten komen, waarom de buurman werd gearresteerd, maar uit het verzet dat hij pleegde bleek wel dat hij het er niet mee eens was. Woensdagavond kwam buurman met een gezwollen gezicht en ietwat mank lopend thuis. Als hij nu ons huis passeert, kijkt hij een beetje schichtig. Hij vermoedt natuurlijk, dat wij hebben gezien wat er is gebeurd en dat is zijn prestige in de buurt als Japanse overheerser bepaald met ten goede gekomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 254

[Bandung 2 – Sumatrastraat] 

Zondag, 30 april [1944]
Karrevrachten gaven voor krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden zijn vrijdag aan het verzamelpunt in de Sumatrastraat afgeleverd. Dat was trouwens nog lang niet alles, wat in de kampen zal worden verdeeld. Het meeste geld, dat werd geschonken, moet nog worden besteed. Prijzen spelen geen rol. Ook op de zwarte markt wordt opgekocht wat nog voorradig is. Voor duizenden guldens aan alle denkbare levensmiddelen is ingezameld. In de loop van de dag zijn pakken, manden, kisten en zakken door Europese jongens naar de kampen gebracht, waar de Japanse soldaten ze zouden bewaken tot gisteren de verdeling kon plaatshebben. (Die bewaking vertrouw ik niet zo erg en is het enige zwakke punt in de organisatie). Helaas zijn er gevallen voorgekomen van diefstallen door de met het transport belaste jongelui, van wie sommigen aktentassen vol sigaretten stalen.

Bouwer – Het vermoorde land, 254-255

[Bandung 3 – Tjilakistraat] 

Zondag, 30 april [1944]
De Japanse propaganda heeft op de verjaardag van de Mikado meegedeeld, dat een deel van de Indonesische, Chinese en Indo-Europese strafgevangenen en geïnterneerden zal worden vrijgelaten. Uit het bericht heb ik de indruk, dat de betrokkenen al vrij zijn en dat alleen maar Indonesiërs en misschien een enkele Chinees van deze amnestie hebben geprofiteerd. Ik vrees, dat er hier of daar een addertje onder het gras schuilt. We zijn dergelijke dingen van de Japanners niet gewend. Maar een mens verliest nu eenmaal nooit de moed en de hoop en zo geschiedde het, dat vrouwen elkaar om de hals vielen en riepen: 'Heb je het gehoord? Onze mannen komen vrij!' Ook werd de kreet gehoord: ‘De krijgsgevangenen worden losgelaten!' Uiteraard is van dit alles geen sprake. Men heeft over het hoofd gezien, dat er in de betreffende bekendmaking duidelijk stond ‘een deel van de geïnterneerden en strafgevangenen'. Het woord 'krijgsgevangenen' is helemaal niet gevallen. Het Indo-comité heeft onmiddellijk een onderzoek naar de strekking van de bekendmaking ingesteld. Men mag natuurlijk blijven hopen, maar ik geloof dat men er het beste aan doet skeptisch te blijven. Aan de andere kant: onder Japanners is alles mogelijk. Dat werd zaterdagavond nog eens duidelijk gedemonstreerd, toen laat in de avond de bewoners van de Tjilaki- en de Tjimanoek-straten werden opgeschrikt door stenen, die door de ruiten werden geslingerd en deuren en ramen, die werden ingeslagen. De eerste gedachte was: Razzia's! Bij nader onderzoek bleek echter, dat een troep dronken Japanners – burgerambtenaren nogal liefst! – bezig waren uit pure baldadigheid de ruiten in Europese woningen in diggelen te gooien. Europese bewoners belden de Kenpeitai op, die vrij spoedig met vrachtauto's verscheen en begon de dronken kerels in te rekenen, die echter niet zo dronken waren, dat ze zich niet in voor- en achtertuinen verstopten. Een komplete knokpartij schijnt zich vervolgens te hebben ontwikkeld en tot diep in de nacht is de Japanse politie bezig geweest de orde te herstellen.

Bouwer – Het vermoorde land, 255

[Bandung 4 – Bandoeng] 

Zondag, 30 april [1944]
De Technische Hogeschool in Bandoeng is gisteren plechtig heropend. De studenten zijn – naar Japans voorbeeld – in witte uniformen gestoken. Het zijn merendeels nog jochies, vrijwel uitsluitend Indonesiërs, die na een nietszeggend vergelijkend examentje werden ingeschreven. Er zijn ook verscheidene studenten, die vroeger op de M.U.L.O. zaten en onder de Japanners op het een of andere kantoor werkten, dank zij protectie van hun bazen zonder examen ingeschreven ... Als ik me wel herinner studeerde Soekarno ook op deze Technische Hogeschool voor ingenieur.

Bouwer – Het vermoorde land, 256

[Bandung 2 –1e Depot] 

Vrijdag, 5 mei [1944]
In totaal zijn op 29 april j.l. 48 karren – ongeveer 24 vrachtauto's – met geschenken naar de kampen gebracht. 24 karren gingen naar de krijgsgevangenen- en burgerkampen in Tjimahi en 24 naar de burgerkampen in het 15e bataljon en 1e Depot, hier in de stad. Het vrouwenkamp kreeg niets. Bij nader inzien oordeelden de bezetters, dat er in het vrouwengetto nog voldoende voorraden zijn, zodat dit dus niet in aanmerking behoefde te komen voor 1/3 deel van de geschenken. Er is veel rijst en suiker gestuurd, artikelen die inderdaad het dringendst nodig waren. Aan contant geld is een bedrag van ruim 4000 gulden binnengekomen. Dit bedrag valt mij nogal tegen. Het kan bovendien niet helemaal worden besteed, omdat er op het ogenblik feitelijk niks meer te krijgen is. Voor de kampen zijn de winkels vrijwel leeggekocht.

Bouwer – Het vermoorde land, 257-258

[Semarang 3 – Strafgevangenis] 

Maandag, 15 mei [1944]
De Landraad alhier veroordeelde donderdag j.l. weer een aantal Europese vrouwen en jongens wegens overtredingen van Japanse verordeningen. Drie vrouwen kregen respektievelijk 2, 3 en 1½ jaar wegens het luisteren naar de buitenlandse radio. Een Europese jongen kreeg 3 jaar, omdat hij in het bezit was van twee revolvers. De vrouwen komen in de vrouwengevangenis in Semarang. Uit de kampen komen berichten over honger en ziekten. Vrijdagmiddag heeft een aantal Europese vrouwen officieel bericht ontvangen, dat hun echtgenoten op 19 april j.l. in de kampen in Tjimahi zijn overleden.

Bouwer – Het vermoorde land, 257a

[Bandung 4 – Bandoeng] 

Woensdag, 10 mei [1944]
De 'Tjahaja' bevatte een oproep aan Indonesische jongelui, die werktuigkundig ingenieur willen worden. Dat kunnen zij. In zes maanden.

Bouwer – Het vermoorde land, 259

[Surabaya – Station Kota] 

Zaterdag, 20 mei [1944]
Geallieerde vliegtuigen zijn bij daglicht boven het eiland verschenen. Blijkens een officieel communiqué van het Japanse opperbevel is Soerabaia donderdagmorgen j.l. gebombardeerd door ongeveer 50 geallieerde vliegtuigen, die (voor het eerst?) waren vergezeld van jachtvliegtuigen. Een deel van de vliegtuigen concentreerde zijn aanvallen op de stad en omgeving. Daaruit mag men wel afleiden, dat de overige toestellen andere doelen uitzochten. Het communiqué beweert verder, dat 3 geallieerde vliegtuigen door het Japanse afweergeschut zijn neergeschoten. Het oppert de veronderstelling, dat de toestellen afkomstig waren van vliegdekschepen, die een onderdeel vormen van een geallieerde task-force, die ergens ten zuiden van Java opereert. De Amerikanen hebben een stuk of wat van deze uiterst mobiele vloten. De bevolking wordt gewaarschuwd voor een spoedige herhaling van de aanvallen. Bandoeng is donderdagmorgen ook gealarmeerd. In de nacht van donderdag op vrijdag verschenen geallieerde vliegtuigen om middernacht weer boven Soerabaia. Een van de toestellen werd neergeschoten ‘vermoedelijk' – zo zegt een ander communiqué – een Consolidated-bommenwerper. De Japanners schijnen dus de nieuwste geallieerde vliegtuigtypen nog niet zo goed te kennen. Het station Kota in Soerabaia is, volgens mededelingen van de spoorwegen, getroffen, zodat het spoorwegverkeer met de andere delen van Java voorlopig is gestremd. Reizigers zullen dus de eerste paar dagen wel niet hier in Bandoeng aankomen om bijzonderheden over de aanvallen te vertellen.

Bouwer – Het vermoorde land, 261

[Surabaya – Station Kota] 

Donderdag, 25 mei [1944]
Cijfers, die uiteraard zeer moeilijk zijn te controleren, schatten het aantal slachtoffers in Soerabaia ten gevolge van recente bombardementen op 257 Europeanen (?) en ongeveer 6000 Indonesiërs en Chinezen. Dit grote aantal slachtoffers zou te wijten zijn aan het feit, dat de bommen begonnen te vallen, net toen het personeel op de voorpleinen van de kantoren de verplichte ochtend-gymnastiek deed. (De daglicht-raid had om ongeveer 09.00 uur 's morgens plaats). Volgens geallieerde radiostations zouden 10 Japanse schepen in de haven zijn getroffen en 17 vliegtuigen op de grond vernietigd. Twee geallieerde vliegtuigen worden uit beide luchtaanvallen vermist. Als bijzonderheid deelde de geallieerde radio mede, dat nergens Japanse jachtvliegtuigen opstegen.

Bouwer – Het vermoorde land, 261-262

[Bandung 3 – Tjitaroemplein] 

Donderdag, 25 mei [1944]
Wat ons hier bezighoudt is – wat ik zou willen noemen – het 'Kabouter-mysterie'. Zij, die dit ‘mysterie' lezen, zullen denken, dat ik gek ben en toch zweer ik, dat ik de waarheid schrijf. Ik geloof, dat het verhaal alleen maar een bewijs is, hoe in oorlogstijden de menselijke geest van de kook kan raken. Het is al een paar dagen aan de gang. Iedereen in Bandoeng praat er over. Ik heb er tot dusverre over gezwegen, omdat ik het als een flauwe grap beschouw. Maar velen nemen het ernstig en de volledigheid van dit dagboek eist, dat ik er melding van maak. Hetgeen niet wegneemt, dat ik er zelf niet de minste waarde aan hecht. Hier is dan het verhaal van de Bandoengse kabouters:
Op een goede middag, niet zo lang geleden, meenden een Europees jongetje van een jaar of 12 en een Indonesische ijsventer vier kabouters te hebben gezien, die uit een gat onder een boom op het Tjitaroemplein kwamen. Beiden zijn nog steeds zeer positief in hun verklaringen en zweren, bij al was hun heilig is, dat zij ‘echte' kabouters hebben gezien. Men is in het gat gaan graven, doch vond geen vier kabouters, maar wel vier kikkers. Men sprak het vermoeden uit, dat de vier kabouters zich dan in kikkers hadden veranderd. Hoe het zij: de gravers lieten de kikkers leven en het verhaal ging de stad rond, met het gevolg, dat iedereen naar het Tjitaroemplein toog om – zo mogelijk – de kabouters óók te zien. De toeloop werd zo enorm, dat de Japanners en de Indonesische politie maatregelen moesten nemen en de toegangswegen tot het plein afzetten. De boom is een soort bedevaartsoord geworden. Men brengt er allerlei geschenken heen en zelfs Indonesiërs blijven niet achter. De aloude Djojobojo-legende werd ook onder het stof vandaan gehaald en iedereen gelooft, dat dit het wonder is, dat in de legende wordt voorspeld en dat de bevrijdingsdag dus nu wel gauw zal komen.
Dat is eigenlijk alles, maar het is al erg genoeg. Het is erg, dat wij aan zulke dwaasheden in volle ernst meedoen. De belangstelling voor de boom is tot op de huidige dag niet verminderd, hoewel de kabouters zich na die ene verschijning nooit meer hebben laten zien.
Bouwer – Het vermoorde land, 263-264
Woensdag, 31 mei [1944]
... de kaboutertjes – nog steeds het gesprek van de dag omdat de boom nu wordt bewaakt door zes Indonesische agenten – ...

Bouwer – Het vermoorde land, 266-267,268

[Bandung – Braga]

Maandag, 12 juni [1944]
Veel bijzonderheden over de invasie van Europa zijn er nog niet. De Indonesische pers is zeer sober in zijn berichtgeving. De radioluisteraars zitten van uur tot uur aan hun toestellen en hebben het te druk om te gaan rondvertellen, wat zij horen. Bovendien zijn zij voorzichtig.
Er is nu weer een campagne gaande tegen de Nederlandse taal en het gebruik daarvan door Indonesiërs, Chinezen en Indo-Europeanen. Zij is ingeleid met een redevoering van mr. Adiwinata, sekretaris van de burgemeester van Bandoeng R. Atma di Nata. Mr. Adiwinata sprak tot een vergadering van 'kumityoo's' (blokhoofden) waar – als bewoners – ook vele Indo-Europeanen aanwezig waren. Hij adviseerde hen met klem het gebruik van de Nederlandse taal nu eindelijk eens af te schaffen, op het werk zowel als thuis. Het schijnt met de campagne wel ernst te zijn, zolang het duurt tenminste. Op de Bragaweg, Bandoengs voornaamste winkelstraat, zijn een paar Indo-Europese jongens, die onder elkaar Nederlands spraken, door Japanse officieren afgebekt en in hun gezicht geslagen. De 'kumityoo's' zijn zaterdag met officiële circulaires langs de huizen in hun blokken gegaan, waarin het gebruik van de Nederlandse taal op straat officieel is verboden. Alleen vreemdelingen mogen zich van hun eigen taal bedienen en Indo-Europeanen zijn sedert september van het vorige jaar geen vreemdelingen meer. Zij zijn, als je de Japanners moet geloven, Indonesiërs en als je de Indonesiërs hoort 'belanda's' (Hollanders). De Indo's weten zo langzamerhand zelf niet meer, wat zij zijn. Mr. Adiwinata betoogde in zijn rede ook nog, dat de voormalige Nederlands-Indische regering zich op het standpunt stelde, dat er geen Indonesische taal bestaat, doch vele talen zoals Javaans, Madoerees, Soendanees en nog vele andere en dat het Indonesisch als taal nog in wording is. Etnologisch is het vooral door de nationalisten gepropageerde 'Indonesia' een gebied, dat zich uitstrekt tussen Madagaskar en Paaseiland en tussen Formosa (Taiwan) en Australië. Er bestaan zodoende talloze 'Indonesische talen'. Wat hier te lande wordt gesproken is het van Sumatra stammende Maleis. Het Indonesisch, dat nog de lingua franca van deze eilanden moet worden, bevindt zich in (dagelijkse) ontwikkeling.
Zaterdag, 24 juni [1944]
De campagne tegen de Hollandse taal begint langzamerhand belachelijk te worden. Jongetjes en meisjes van nog geen vijf jaar zijn door opgeblazen, dikdoenerige Indonesische agenten mee naar het politiebureau genomen, omdat zij op straat Hollands brabbelden.

Bouwer – Het vermoorde land, 271-272

[Jakarta 5 – Zwitserland] 

Donderdag, 6 juli [1944]
Niet veel beter is de verhouding tussen de Japanners en de onderdanen van de neutrale landen. Op het ogenblik heeft, volgens goed ingelichte kringen, de Zwitserse regering voor de zoveelste keer bij de Japanners geprotesteerd. Dit protest richtte zich tegen het feit, dat het militaire gezag op Java praktisch alle Zwitserse onderdanen brodeloos heeft gemaakt en dat Zwitsers in de uitoefening van beroep of bedrijf worden belemmerd. Van het vrij grote contingent Zwitsers in Indië teert ongeveer 99% op de zak van de Zwitserse regering, die iedere maand een groot bedrag aan steun moet betalen. Zulke protesten helpen natuurlijk niets. Al kort na de Japanse bezetting werd het de Zwitserse consul-generaal in Batavia onmogelijk gemaakt om contact met zijn regering in Bern te onderhouden. De consul-generaal ging daarop naar Japan, omdat hij wel wist, dat hij daar beter voor de belangen van de Zwitsers in het bezette Indië zou kunnen zorgen dan in Indië zelf. Onder allerlei voorwendsels – meestal Vrijmetselarij – hebben de bezetters de meeste neutrale zakenlieden gearresteerd of geïnterneerd en hun bedrijven in beslag genomen en onder beheer van het leger gebracht.

Bouwer – Het vermoorde land, 272

[Bandung – Onderling-Belang]

Donderdag, 6 juli [1944]
Het Japanse warenhuis 'Tjioda' heeft in het pand van 'Onderling Belang' aan de Bragaweg zijn deuren heropend. Voorlopig kunnen Europeanen er niet kopen. De zaak zit vol goede, vooroorlogse importartikelen, die de Japanners aanvankelijk naar Japan hadden willen slepen. Aangezien dat al lang onmogelijk is, gooien ze de artikelen nu hier op de markt. De produkten van de Indonesische industrie zijn blijkbaar niet goed genoeg om in het warenhuis te worden aangeboden. En dat waarschijnlijk niet ten onrechte. Wat tot dusver hier wordt geproduceerd, kan de toets met buitenlandse produkten niet doorstaan, ook al omdat de nodige grondstoffen ontbreken. Een hier vervaardigde tandpasta verhardt al na twee dagen en kan dan niet meer uit de – papieren – tube. Een potlood, dat hier is gemaakt, slijpt men eerst voor de helft weg, schrijft er dan hoogstens driemaal zijn naam mee en kan het dan weggooien. Waarmee wordt geschreven is samengeperste houtskool. Drinkglazen worden gemaakt van oude flessen, waarvan het bovenste deel wordt weggesneden, waarna de rand wordt bijgeslepen. Tandenborstels, scheerkwasten en bezems beginnen te verharen na éénmaal te zijn gebruikt.

Bouwer – Het vermoorde land, 273

[Bandung 1A – Bewaring] 

Zaterdag, 15 juli [1944]
Toen eind april, begin mei j.l. de clandestiene correspondentie tussen kampen en stad door de Japanners werd ontdekt, dachten we dat alles na een paar ranselpartijen wel met een sisser zou aflopen, omdat de helft van de Bandoengse vrouwen er bij was betrokken. Woensdag j.l. zijn echter 40 Indo-Europese vrouwen, die destijds werden verhoord, opgeroepen om bij de Kenpeitai te verschijnen. De Japanners hadden het doen voorkomen, alsof de vrouwen alleen een straf-preek aan te horen zouden krijgen en daarna in vrijheid zouden worden gesteld. Geen van de dames behoefde kleding of toilet-artikelen mee te nemen. Op 2 na zijn echter allen naar de Bantjeuh-gevangenis gebracht. Pas vandaag werd toegestaan de 38 vrouwen wat kleren en andere benodigdheden te brengen.

Bouwer – Het vermoorde land, 277

[Bandung 1B – Resident]

Maandag, 24 juli [1944]
De hele dag hebben wij moeten vlaggen, omdat 'Zijne Majesteit' de nieuwe Japanse resident van de Preanger zijn funktie aanvaardde. Door een sterke wind heeft onze vlag halfstok gehangen tot een passerende politieagent ons kwam waarschuwen het euvel te herstellen of anders te worden gearresteerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 277a

[Subaya 2 – Oranje Hotel] 

Donderdag, 27 juli [1944]
De Japanse propaganda hier heeft over de kabinets-wisseling in Japan niet veel gezegd. Het onofficiële kommentaar in Indonesische kringen: ‘Dat kan nooit goed zijn, zo midden in de oorlog. Er klopt iets niet'. Ook op Japanners hier heeft het gebeurde nogal indruk gemaakt. Er wordt zelfs beweerd, dat in het voormalige Oranje-Hotel in Soerabaia Japanse marineofficieren na de val van Saipan zelfmoord hebben gepleegd.

Bouwer – Het vermoorde land, 278

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Maandag, 31 juli [1944]
Een Birmaanse delegatie, afgevaardigd door premier dr. U Ba Maw, is op Java aangekomen. Zij maakt onder leiding van een zekere dr. U Ba Han een reis door de bezette gebieden. Na een vierdaags verblijf verklaarde dr. Han op een persconferentie in het Hotel des Indes in Batavia, dat 'het militaire gezag hier zeer zachtzinnig optreedt'. Hoe moet het dan wel in Birma te keer gaan ... ?

Bouwer – Het vermoorde land, 278-279

[Bandung – Gevangenis]

Maandag, 31 juli [1944]
De Japanners hebben een nieuwe bron van inkomsten aangeboord. Als je tegenwoordig uit voorarrest wordt ontslagen of je straftijd hebt uitgezeten, krijg je een rekening gepresenteerd voor kost en inwoning gedurende de tijd van je voorarrest of straftijd à raison van 60 cent per dag. Als je die rekening niet voldoet, wordt je in de eerste plaats niet vrijgelaten en krijg je in de tweede plaats geen eten gedurende de dagen, die je nog verder moet zitten tot er een financiële hulp komt opdagen. Ik zei: 'bron van inkomsten' en dat meen ik, want de Japanners nemen op de pasars (markten) alles eenvoudig in beslag, wat zij voor het onderhoud van arrestanten en gestraften nodig hebben. Men heeft uitgerekend, dat de Japanners per dag gemiddeld niet meer dan 5 cent voor gestraften en geïnterneerden uitgeven, zodat ze minstens 55 cent per dag aan iedereen verdienen.

Bouwer – Het vermoorde land, 283

[Bandung – Gevangenis]

Zaterdag, 19 augustus [1944]
De cellen van de politie zijn leeggemaakt, wat meestal verhoogde aktiviteit voorspelt. Alle arrestanten zijn naar de Bantjeuj-gevangenis overgebracht. De stormbal zal vandaag of morgen dan ook wel moeten worden gehesen. Insiders menen te weten, dat het weer eens zal gaan om clandestiene radiotoestellen. De Japanners hebben in de gaten, dat de geallieerde nieuwsberichten ondanks 2½ jaar jacht op ondergedoken radiotoestellen nog steeds de burgerij bereiken. Dat betekent dan voornamelijk nachtelijke aktiviteit, omdat er vooral in de nachtelijke uren wordt geluisterd.

Bouwer – Het vermoorde land, 283-284

[Bandung – Kebon Kawoengweg]

Dinsdag, 22 augustus [1944]
De Japanners hebben toestemming gegeven, dat de bewoners van buurten, waar burgergeïnterneerden uit de kampen in de stad en Tjimahi zijn tewerkgesteld, de gevangenen voedsel mogen verstrekken. Er is alleen het beding gemaakt, dat geen ijswater, 'hete' gerechten en rijst mogen worden gegeven. De magen van de geïnterneerden, die jarenlang op honger-rantsoenen hebben geleefd, kunnen ijswater en gepeperde gerechten niet meer verdragen. Wat de verstrekking van rijst betreft, wensen de Japanners niet, dat de burgerij zijn toch al schamele rijstrantsoenen nog weggeeft ook. De geïnterneerden worden nu vergast op andere lekkernijen, zoals eieren en stamppot. Voor de kosten wordt door de omwonenden geld bijeengebracht en een van de buurtbewoonsters maakt het eten dan klaar. In de kampen schijnt het eten een heel klein beetje te zijn verbeterd, dank zij de inspanning van de gevangenen zelf, die grote groentetuinen hebben aangelegd, waarvan de opbrengst alleen hun ten goede komt (en niet de Japanse en Indonesische bewakers). Er wordt in de kampen ook brood gebakken van het voedzame maïsmeel. In de gaarkeukens zijn de laatste tijd herhaaldelijk grote maaltijden gekookt voor Indonesische soldaten, die – volgens de Japanse opdrachtgevers –naar de fronten werden gezonden. De laatste opdracht was een maaltijd voor 10.000 Indonesiërs. De gaarkeukens konden hieraan niet voldoen, omdat zij slechts een capaciteit hebben voor zes- tot zevenduizend porties. Of de weggezonden soldaten 'heiho's' dan wel manschappen van de 'Peta' zijn, is niet met zekerheid uit te maken.

Bouwer – Het vermoorde land, 285

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Dinsdag, 5 september [1944]
M’n partikuliere jungle is op het ogenblik ook geen veilige schuilplaats meer. Met het open kappen van de woestenij is het zo'n vaart niet gelopen. De Japanse buurman heeft maar een klein stukje van het terrein schoongemaakt, waar hij zijn bedienden knolgewassen laat verbouwen. Wel zijn er nu dikwijls Indonesiërs in de jungle, maar ook dat is het ergste nog niet. Veel erger is, dat in een hoge regenboom op de hoek van de Zeelandiastraat een observatiepost is gebouwd, van waaruit je m'n hele verblijf kunt overzien. Ik kan de jungle haast niet meer bereiken zonder te worden opgemerkt. Mijn enige hoop is, dat de post niet voortdurend, maar alleen tijdens luchtalarms en periodieke oefeningen zal worden bezet.

Bouwer – Het vermoorde land, 294

[Bandung 1A – Postkantoor] 
[Bandung 1B – Deventer] 

Woensdag, 11 oktober [1944]
Op muren in de stad stond dezer dagen het volgende rijmpje:
'Dai Nippon soedah mengambil besi,
Semoeanja diganti kajoe,
Djikalau poelau Djawa disapoe bersih,
Djoega orang Nippon tidak tinggal satoe!'
In het Nederlands: 'Dai Nippon heeft al het ijzer weggehaald en vervangen door hout. Als eenmaal Java zal worden schoongeveegd, zal er ook geen Japanner meer overblijven'.
In het kader van de propaganda voor de Japanse taal zijn onlangs affiches met de volgende woorden – in het Nederlands – overal in de stad opgeplakt: ‘Leert Nippons! De taal van het Oosten'. Een Bandoenger, die onbekend wil blijven schreef er netjes onder: ‘Leert Engels! De taal van de wereld'.
Een van de aanplakbiljetten van de Postspaarbank luidt:
'Moeda menaboeng,
Toea beroentoeng'.
In het Nederlands: 'Als je jong spaart, heb je er op je oude dag profijt van'. Iemand heeft voor de woorden 'moeda' (jong) en ‘toea' (oud) het woord ’saudara' (vriend, broer) geschreven. Als men weet, dat de Japanners zich door de Indonesiërs ‘saudara toea' laten noemen en het Indonesische volk dan de ‘saudara moeda' is, staat er in het Nederlands nu: 'Als de Indonesiër spaart, heeft de Japanner er profijt van'.

Bouwer – Het vermoorde land, 295

[Bandung 4 – Bandoeng] 

Dinsdag, 17 oktober [1944]
Ook op de Technische Hogeschool heeft zich een studentenrel voorgedaan. De Indonesische professor, ir. Roossano – lid van de 'Tyuuoo Sangi-In'! ['Volksraad'] – heeft van de Japanse docent Furukawa in aanwezigheid van alle in de aula verzamelde studenten een klap in zijn gezicht gekregen. Een van de studenten stapte op Furukawa toe en adviseerde hem de professor niet meer te slaan, maar het liever even met hem uit te vechten. De studenten namen een dermate dreigende houding aan, dat andere Japanners in het gebouw de Kenpeitai opbelden, die spoedig verscheen. Alleen het woord Kenpeitai was – helaas – in dit geval al genoeg om de rel te dempen. Er zijn een paar raddraaiers meegenomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 302c

[Bandung 3 – Sanintenlaan] 

BEKENDMAKING
De Bandoeng Sityo maakt hierbij bekend, dat aan alle volbloed (totok) Hollandsche vrouwen in Bandoeng Si (tot deze groep worden ook gerekend te behooren alle overige volbloed Europeesche vrouwen. die gehuwd zijn met volbloed Hollanders), die tot dusverre nog buiten de Beschermingswijk, “Tjihapit" wonen, met uitzondering van degenen, wier echtgenooten thans nog werkzaam zijn bij kantoren of bedrijven van de Balatentara Dai Nippon, worden bevolen om onmiddellijk naar genoemde beschermingswijk te verhuizen.
Voor hun verhuizing zijn zij verplicht:
1 zich te vervoegen bij het Posthuis van de Beschermingswijk “Tjihapit" Sanintenlaan No. 7 ter verkrijging van een verklaring;
2 hun huissleutels bij ditzelfde kantoor in te leveren;
3.hun achtergelaten meubels op te bergen in een afgesloten kamer, waarvan de sleutel met een specificatie van bedoelde goederen eveneens moet worden ingeleverd bij hetzelfde kantoor.
BANDOENG SITYO.

Bouwer – Het vermoorde land, 305-306

[Bandung 1A – Bandong] 

Zaterdag, 9 december [1944]
Donderdag j.l. is er natuurlijk weer een grote meeting gehouden op de renbaan in Tegallega, waaraan één lid van ieder gezin moest deelnemen.
Op de Aloon-Aloon, het stadsplein waar eens de Julianaboom stond – die is omgekapt – is met groot ceremonieel de eerste steen gelegd voor een 'Gebouw van de Vrijheid'. Alle lagen van de bevolking moeten eraan meebetalen. De Indo-gemeenschap moet 2 % van de bouwkosten opbrengen.

Bouwer – Het vermoorde land, 306a

[Bandung – Gevangenis]

Vrijdag, 15 december [1944]
De Europeanen zijn weer in grote onrust. Clandestiene contacten met gevangen vrouwen en mannen in de Bantjeuj-gevangenis zijn uitgelekt. De Kenpeitai heeft de zaak in handen. Als je dan de verhalen hoort, hoe de Japanners met hun vrouwelijke gevangenen omspringen, slaat de schrik je om het hart. Dezer dagen arresteerden de Japanners een Bandoengse jongedame, omdat iemand tijdens een verhoor had gezegd, dat zij nog naar de buitenlandse radio luisterde. De Japanners kwamen 's morgens vroeg en de betreffende jongedame was nog gekleed in een housecoat. Zij werd zo meegenomen en kreeg op het politiebureau bevel om zich van haar housecoat te ontdoen. Aan welk bevel zij eerst voldeed na een afranseling. Tijdens het verhoor zou zij zijn gemarteld.

Bouwer – Het vermoorde land, 308

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Zondag, 31 december [1944]
Voor het eerst sinds lange tijd heb ik woensdag j.l. weer eens geruime tijd in m'n partikuliere jungle doorgebracht, toen Japanners en Indonesische politieagenten invallen deden op zoek naar clandestiene en geregistreerde radiotoestellen waarvan de zegels waren verbroken. Wij werden 's morgens gelukkig tijdig door kennissen gewaarschuwd om op onze hoede te zijn en inderdaad verschenen er 's middags om vier uur een Indonesische inspekteur van politie met vier agenten. De huiszoeking heeft niet lang geduurd en was ook niet erg grondig. Ik vermoed, dat de agenten op dat uur van de dag al moe waren. De inspekteur sprak Hollands. Er werd hier en daar wat in koffers gesnuffeld en op muren geklopt. Voor de geopende kast met babykleertjes bleef de agent bewonderend staan en zei: 'Istimewa' (buitengewoon). Of hij daarmee bedoelde, dat hij de babyuitzet zo mooi vond dan wel het feit, dat in dit huis een baby wordt verwacht, is natuurlijk de vraag. De huiszoeking duurde ongeveer een kwartier, maar veiligheidshalve ben ik nog maar een tijd weggebleven met het oog op de mogelijkheid van het haast obligate na-onderzoek door Japanners. De invallen zijn overal in de stad rustig verlopen. Verscheidene adressen zijn door de politie opgeschreven, maar ik heb niks gehoord over aanhoudingen. Wel zijn de nog in het bezit van de bevolking zijnde grotere radiotoestellen in beslag genomen. Donderdag was de politie ook nog bezig en begonnen de Japanners met hun na-kontrole. Wij zijn van Japans bezoek verschoond gebleven. De Japanners namen ook gevonden militaire kleding en Nederlands-Indisch bankpapier in beslag. Zij arresteerden ongeveer 70 personen, die echter tegen de avond werden vrijgelaten. Volgens berichten uit Batavia hadden soortgelijke razzia's in de hoofdstad op 2e Kerstdag plaats. Er zijn daar 200 personen, merendeels vrouwen gearresteerd.

Bouwer – Het vermoorde land, 309a

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Zondag, 31 december [1944]
Wij hebben sedert 1 december een soort winkeltje geopend, waar wij proberen deels zelfgemaakte, deels elders aangekochte huisvIijt-artikelen te verkopen. Het winkeltje is eigendom van Jeanne Salomons, die als vriendin van Ivy eindelijk werd ingelicht over het feit dat ik hier nog zit ondergedoken en dat Ivy een baby verwacht. Alle vijf in huis (schoonmama, Ivy, Jeanne Salomons, neef Hans en ik) maken allerlei dingen, zoals kinderspeelgoed, breitassen, handtassen van touw, korsages van lapjes goed etc. Ik voer het financiële beheer. Het winkeltje levert meer dan voldoende op voor huishuur, water, gas en elektriciteit, wat al een enorme ontlasting van het hoge maandelijkse budget is.

Bouwer – Het vermoorde land, 309b

[Bandung – Protestantsche Kerk]

Zondag, 31 december [1944]
Kerkdiensten in de Nederlandse taal waren met Kerstmis verboden. De dienst in het Indonesisch, waarin werd voorgegaan door de Ambonese dominee Uniputty was zeer druk bezocht. Als kerstgeschenk hebben de Japanners per gezin een-zesde pond boter plus 1 pakje sigaretten doen verstrekken (tegen betaling uiteraard).

Bouwer – Het vermoorde land, 311-312, 313

[Bandung – Protestantsche Kerk]

Vrijdag, 5 januari 1945
Er is hoop, dat 1945 ons de verlossing van de Japanse tyrannie zal brengen. Het verloop van de oorlog gedurende de laatste maanden van het afgelopen jaar – in Europa zowel als hier in Azië – geeft ons reden daartoe. Ook al hebben wij dikwijls beleefd, dat het moeilijk en gevaarlijk is om voorspellingen te doen wat betreft oorlogsakties, is het toch wel zeker, dat dit jaar de invasie van Japan zal beginnen.
Er heeft zich op Oudejaarsdag in de Protestantse Kerk gedurende de avonddienst, waarin werd voorgegaan door de Ambonese ds. Uniputty, een merkwaardige geschiedenis afgespeeld. Terwijl de dominee zijn Indonesische preek hield, ontving hij in de preekstoel een briefje van een Japanse toehoorder, een dokter, die vroeg na de preek het woord te mogen voeren. Hoe vreemd zulk een verzoek ook mocht zijn: de dominee kon het moeilijk weigeren. Na de psalmen en het gebed kondigde hij aan, dat een Japanner de gemeente wilde toespreken. De Japanse dokter beklom de preekstoel en richtte in vrij goed, maar langzaam uitgesproken Indonesisch een rede van ongeveer drie kwartier tot de verbaasde kerkgangers. Hij zei inhoudelijk: 'De dominee heeft U gezegd, dat 1945 een jaar van licht zal worden, dat U vrede en de terugkeer van Uw verwanten zal brengen. Dat is niet waar. Het zal een zeer duister jaar zijn, waarin U zware beproevingen zullen worden opgelegd. De vijand is enige malen al met tientallen vliegtuigen boven Java geweest, ook boven Bandoeng, al hebt U daarvan niets geweten. In het jaar, dat nu gaat aanbreken, zal hij komen met duizenden vliegtuigen. En ik weet het: Gij zult allen blij zijn en naar buiten lopen om de vijand te begroeten, maar ik waarschuw U! De vijand valt aan als een wild zwijn ('babi boeta' (blind zwijn) zei de dokter). De voorbeelden van Nieuw Guinea, Guam en de Philippijnen staan ons voor ogen. Zonder onderscheid tussen vriend en vijand zijn daar mensen door de Amerikanen, die zich Christenen noemen, uitgemoord. Gaat dus in Uw schuilkelders. Maar dat is niet alles. Er zullen nog grote moeilijkheden komen met kleding en voeding. Ik weet, dat U hiervan Japan de schuld geeft en de Japanners als barbaren veracht. Ik geef toe: mijn volk is barbaars, maar niet alle Japanners. Er zijn Christenen onder hen. Ik ben er zelf een. Ik geef ook toe, dat Japan niet geheel onschuldig is aan het uitbreken van deze oorlog, die het echter voert voor de bevrijding van Azië. Indien U wenst, dat het jaar 1945 er een van licht en vrede zal worden, steunt dan de Japanse oorlogs-inspanning en stelt Uw goud, zilver, briljanten en andere kostbaarheden ter beschikking van Dai Nippon opdat de eindoverwinning des te sneller zal kunnen worden bevochten'.
Ik wil niet beweren, dat dit de letterlijke tekst van de rede van de Japanner is, maar de weergave is zo precies als ik haar kon maken op grond van mijn informaties. De stomverbaasde gemeente bleef stil, nadat de dokter was uitgesproken, te verwonderd over het feit, dat een kerk werd misbruikt voor oorlogspropaganda en dat nog wel door een Japanner, die in het begin de gemeente nog het volgende standje maakte: 'Er zijn er onder U, die eenmaal per jaar in de kerk komen en er zijn er die iedere week komen en er niets van menen en zich toch Christenen noemen'. Overigens weet niemand, wat hij hiervan moet denken.
[...]
Maandag, 8 januari [1945]
Her is nu ook duidelijk geworden, wat die Japanse dokter bedoelde, toen hij in de protestantse kerk op Oudejaarsavond sprak over inlevering van goud, zilver en edelgesteenten voor de Japanse oorlogs-inspanning. De inlevering hiervan is van nu af aan verplicht gesteld. De Japanners hebben gezegd: 'Wij moeten voor zo- en zoveel miljoen aan edele metalen hebben. Hiervan moeten de Indonesiërs zoveel, de Chinezen zoveel, de Arabieren zoveel en de Indo-Europeanen zoveel opbrengen'. De inlevering moet geschieden vóór de 20e januari a.s. Voor briljanten zal door de Japanse banken f 1800, – per karaat worden vergoed, voor 1 gram 22 karaat goud f 22, – en f 0,25 per gram zilver. Van de zijde van het Indo-comité wordt er op aangedrongen tenminste iets vrijwillig tegen betaling af te staan om later erger – huiszoekingen, confiscatie – te voorkomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 317a

[Bandung – Onderling-Belang]

Dinsdag, 23 januari [1945]
De Indo's zijn tenslotte ook gecapituleerd voor de Japanse terreur-dreigementen, als er niet genoeg edelstenen binnenkomen. De inleveringstermijn is tot einde van de maand verlengd. Schoonmama is met een bezwaard hart met twee kleine steentjes, tezamen 0,34 karaat, naar een bank gegaan en heeft er 85 papieren Japanse guldens voor gekregen. Het lijkt wel een reklameweek van de 'Bijenkorf: 'Bij inlevering van 1 karaat wordt een bon verstrekt, waarmee men tegen de officiële prijs in het warenhuis Tjioda stof voor een japon mag kopen.'

Bouwer – Het vermoorde land, 317b

[Bandung – Stocker]

Dinsdag, 23 januari [1945]
Vier Zwitserse onderdanen, die al sinds onheuglijke tijden in de burgerkampen zaten opgesloten, zijn gisteren losgelaten, onder wie de vroegere Zwitserse consul in Bandoeng, Herr Stocker. Deze vrijlating is na maandenlange onderhandelingen bereikt door de Zwitserse gezant in Tokyo.

Bouwer – Het vermoorde land, 317c

[Bandung 4 – Onderduiker] 

Dinsdag, 23 januari [1945]
Ons huis heeft momenteel de ongewenste belangstelling van een zekere Flinzner, een tot Nederlander genaturaliseerde Duitser, die – naar men zegt – verscheidene Europeanen bij de Japanners heeft aangegeven. Enige malen per dag komt hij langs, blijft soms voor het huis of in de buurt staan. Zou hij iets weten of vermoeden? Zou een van de kennissen, die weten dat ik hier ondergedoken zit, zich hebben versproken?

Bouwer – Het vermoorde land, 321

[Bandung – Gevangenis]

Zaterdag, 10 februari [1945]
De controle door de Japanners van de door 'kumityoo's' verstrekte gegevens is donderdag begonnen. Verdere interneringen zijn er het gevolg van geweest, o.a. van heel oude en heel zieke mensen, sommigen van hen tegen de 80 jaar. 'Vijandig-gezinde onderdanen'. . . De verontwaardiging over deze daad is groot, ook onder Indonesiërs en Chinezen. De scènes, die zich vrijdag overal in de stad afspeelden, zal niemand zo snel vergeten. Van de oudjes, die die dag in stromende regen met vrachtauto's werden weggehaald – o.a. een oude heer, die een paar dagen tevoren door een beroerte was getroffen – is er vermoedelijk geen, die het zal overleven, ook al is de Japanse bezetting over een maand afgelopen. Van de meesten van deze bejaarden is hun enige misdaad, dat zij 60 of meer jaren geleden in Holland werden geboren. Ook is een aantal Ambonezen in arrest gesteld onder wie ds. Uniputty. Allen zijn in de Bantjeuj-gevangenis opgesloten. In de afgelopen nacht is daar al een van de oudjes overleden. Maar kranig hebben ze zich gehouden. De 76-jarige heer Niemeyer kleedde zich in een keurig wit tropenpak met de woorden: 'Als ik op mijn leeftijd nog op een vrachtauto naar de gevangenis word gesleept, dan wil ik er tenminste netjes uitzien. De Japanners moeten vooral niet denken, dat zij ons breken kunnen'. Andere arrestanten zijn de 78-jarige mevrouw Van d. Wissel, de vrijwel geheel verlamde mevr. Binkhorst en de T.B.C.-patiënt Termeulen, wiens vrouw vrijwillig met hem in de gevangenis is gegaan.

Bouwer – Het vermoorde land, 321

[Semarang 3 – Ambarawa] 

Zaterdag, 10 februari [1945]
De Soekamiskin-gevangenis [oost van Bandung] wordt een beetje leeggemaakt voor nieuwe gasten. De meeste politieke gevangenen worden overgebracht naar Ambarawa in Midden-Java.

Bouwer – Het vermoorde land, 321-322

[Bandung – Gemeente]

Maandag, 12 februari [1945]
Om kwart voor acht vanmorgen heeft Ivy een gezonde dochter het leven geschonken, die wij Maud Adrienne Jeanne hebben genoemd. Ivy heeft zich geweldig gehouden en geen kreet gelaten. Niemand had kunnen vermoeden, wat er in dit huis gebeurde. Ik wil hier zuster Liem danken, die zich beschikbaar stelde om Ivy te helpen in het moeilijkste maar ook gelukkigste ogenblik van haar leven, in het volle besef van het grote risiko dat zij liep in een huis, waar na bijna 3 jaar Japanse bezetting nog steeds een volbloed-Hollander ondergedoken is.
Er begint voor ons allen nu een zware tijd. Bedienden hebben wij al ruim anderhalf jaar niet meer en bij de dagelijkse werkzaamheden, die ieder van ons gezin al doet, komt nu de verzorging van de baby. Daarvan zal ik het wassen en strijken van de baby- en andere was voor mijn rekening nemen.
Dinsdag, 13 februari [1945]
Ivy en baby maken het uitstekend en alles blijft goed gaan. Morgen zal de geboorte op het stadhuis worden aangegeven. 'Vader onbekend' zal er voorlopig komen te staan. Wordt er pressie uitgeoefend, of gaat de politie de aangifte onderzoeken, dan zal onze vriend Boy Puyt het 'vaderschap' voorlopig op zich nemen. Hij en zijn vrouw Doortje, bewijzen ons deze grote vriendendienst, eveneens in het volle besef van het grote gevaar in geval van mijn ontdekking en arrestatie.
Woensdag, 14 februari [1945]
Vanmorgen is Maudje officieel ingeschreven in het bevolkingsregister van de stad Bandoeng. Dat, waarvoor wij ons allen in verband met de bijzondere omstandigheden nogal bezorgd hadden gemaakt, is zonder moeilijkheden verlopen. De aangifte is gedaan door mijn schoonmama, mevr. A.J. Beynon-Dom, met als getuigen mevr. Van der Cappellen-Vernet en Boy Puyt, die erbij was om eventueel als 'vader' op te treden. Dat was echter niet nodig, dank zij de schijnbaar zeer pro-Hollandse Menadonese ambtenaar van de Burgerlijke Stand, Wowor, die misschien 'door' had wat er gaande was en er schik in had. Hij schreef Maudje rustig in als 'dochter van J.B. Bouwer en I.J.H.C. Beynon' en zei erbij, dat 'de vader later, als hij vrijkomt uit internering, maar tegen de aangifte moet protesteren'. De geboorteakte is natuurlijk in het Indonesisch opgesteld. Toen alles voorbij was, hebben wij allen thuis een diepe zucht van verlichting geslaakt en er hartelijk om gelachen. En passant bleek ook nog, dat een duplikaat van mijn pendaftaran (registratiekaart) niet meer in de archieven van het Bandoengse bevolkingsregister is.

Bouwer – Het vermoorde land, 325b

[Jakarta 5 – Petjenongan] 

Zondag, 4 maart [1945]
Als gevolg van de verregaande inflatie van het Japanse militaire geld zijn de bezetters gedwongen bankbiljetten van f 100, – in omloop te brengen. Zij zijn voor in totaal ongeveer 3½ miljard gulden (!) in de drukkerijen van de N.V. Kolff gedrukt. Dit bedrag komt mij onwaarschijnlijk voor, maar hoe dan ook: het is vermoedelijk nog maar het begin. Nog hogere waarden zullen zeker spoedig volgen. Rijst kost al f 3,25 per liter, boter f 6, – per half pond, melk f 2,50 per liter (sterk verdund), pisangs f 3, – per trosje, mais f 0,50 per kolf, arang (houtskool) f 80, – per 100 kg.

Bouwer – Het vermoorde land, 325c

[Bandung 1B – Resident]

Zaterdag, 10 maart [1945]
De resident van de Preanger, Kihara, heeft maandag j.l. zijn funktie plotseling neergelegd. De nieuwe – vijfde – resident is overste Utada, tot dusverre sekretaris van de 'Tyuuoo Sangi-In' in Batavia en woordvoerder van het militaire gezag. Kihara is overgeplaatst naar de generale staf. Een persoonlijke herrie met een paar van zijn chefs schijnt de oorzaak van zijn aftreden te zijn, dat daarom geen politieke betekenis heeft. Utada heeft in Batavia al verschillende malen contact gehad met Indo-Europeanen. In Indonesische kringen acht men het niet uitgesloten, dat het aftreden van Kihara verband houdt met de ongeregeldheden in Blitar. Vóór hij werd benoemd tot resident van de Preanger, was Kihara n.l. resident van Kediri.

Bouwer – Het vermoorde land, 325d

[Bandung – Milestone] 
[Bandung 3 – Villa] 

Zaterdag, 10 maart [1945]
In Bandoeng worden eindelijk, na drie jaren, verschillende straatnamen gewijzigd. Deze maatregel is al een aantal malen aangekondigd, maar nog steeds met uitgevoerd. Alleen de Grote Postweg krijgt een Japanse naam: 'Yamato Doori'. De andere straatnamen worden Indonesisch. De 'Wilhelmina-Boulevard' wordt 'Djalan Fadjar' (Dageraadweg) en de 'Beatrix- Boulevard' wordt 'Djalan Tjahaja' (Lichtweg). De meeste namen staan op de een of andere manier in verband met de komende 'zelfstandigheid'.

Bouwer – Het vermoorde land, 326

[Semarang – Oei] 
[Semarang 3 – Oei Tjong Ham] 

Zaterdag, 17 maart [1945]
Er is weinig nieuws. De toelatingsexamens tot de nieuwe bestuursschool in Meester-Cornelis zullen binnenkort worden afgenomen in Batavia, Soerabaia, Semarang en Djokjakarta. Donderdag j.l. heeft de Chinees Oei Tjong Hauw uit Semarang een bedrag van bijna anderhalf miljoen gulden aan de bezetters overhandigd. Het is de opbrengst van de suikervoorraden, die aanwezig waren in de goedangs van het Oei Tjong Ham-concern, waarvan deze Oei mede-direkteur is. Zijn gedrag gedurende de bezetting is zo pro-Japans geweest, dat de opperbevelhebber hem heeft benoemd tot Chinese afgevaardigde in de 'Tyuuoo Sangi In'

Bouwer – Het vermoorde land, 328-329

[Jakarta 3 – Gevangenis] 

Zaterdag, 31 maart [1945]
De Indo-Europeanen, die als ‘staatsgevaarlijken’ op 25 januari j.l. zijn gearresteerd, zijn 10 dagen geleden uit Soekamiskin geboeid naar het station gebracht om op transport naar Batavia te worden gesteld, waar zij in de Glodok-gevangenis zijn opgesloten.

Bouwer – Het vermoorde land, 331-332

[Bandung – Onderling-Belang]

Donderdag, 12 april [1945]
Op een conferentie in een Bandoengse wijk tussen Japanse politie-ambtenaren en buurthoofden, stelde een Indische vrouw de vraag, waarom Europeanen met hun distributiekaarten geen stoffen, japonnen of sarongs kunnen kopen in het centrale warenhuis 'Tjioda', terwijl de Indonesische burgers dit recht wel hebben. Politiechef Matsui, die de conferentie leidde, werd erg boos en zei, dat de Indo's zich moesten schamen om kleren te vragen waar zij nog volop hebben (hij kan het weten, want hij kijkt bij iedere huiszoeking in kleerkasten ... ). 'En als', zo zei hij verder, 'het nog eens zover mocht komen, dat U werkelijk geen kleren meer hebt dan bedekt U Uw schaamdelen maar net zoals wij' (. . .'njonja haroes toetoep kemaloean sadja seperti kita orang'). Een staaltje van Japanse 'beschaving'. Een andere vrouw vroeg, of de Indo's geen geld van de postspaarbank mogen halen. Matsui: 'Stuurt U maar een telegram naar de Nederlands-Indische regering. Die heeft al het geld meegenomen naar Australië'.

Bouwer – Het vermoorde land, 332-333

[Jakarta 7 – Consulaat] 

Dinsdag, 17 april [1945]
De Japanse voorlichtingsdienst is voor de dag gekomen met een uitvoerige verklaring over de opstand in Blitar, op 14 februari j.l. uitgebroken in de kazernes van de 'Tentara Pembela Tanah Air'. Leider was een zekere Soeprijadi, gewoon soldaat, die was gebelgd over het feit, dat hij bij de keuze voor officier was gepasseerd. Hij stookte de manschappen op tegen de Japanners en wees hen op de moeilijke levensomstandigheden, waarin de bevolking ten gevolge van de bezetting was gekomen, op de schaarste van de levensmiddelen, de algemene duurte, het tekort aan kleding enz. Openlijk verklaarde hij tegenover de soldaten, dat het Japanse gezag op Java 'niet deugde'. Volgens de verklaring schijnt het hem vrij makkelijk te zijn gevallen om volgelingen te vinden, want er wordt tenminste gesproken over ‘verscheidene soldaten, onderofficieren en officieren’, die zich achter de raddraaier schaarden. De opstand brak op de 14e februari uit, toen er bijna geen officieren in de kazerne waren. Soepriadi verzamelde zijn getrouwen om zich heen – in volle bewapening – en verliet met de manschappen de kazerne, z.g. om op oefening te gaan. Op dit punt wordt de bekendmaking vaag en spreekt plotseling over niet nader aangeduide ‘maatregelen van het Japanse leger tegen de opstandelingen, waarbij het werd gesteund door de plaatselijke leiders, bestuursambtenaren en de bevolking in het algemeen’. De verklaring zegt verder, dat een groot deel van de opstandelingen bij de verschijning van de Japanners al spoedig de wapens neerlegde, zodat ‘de opstand zonder veel bloedvergieten kon worden bedwongen’. Soepriadi zelf hebben de Japanners niet te pakken kunnen krijgen. De meeste opstandelingen zouden zich aan de Japanse troepen en politie hebben overgegeven en werden ontwapend na aanvankelijk tegenstand te hebben geboden.
Er volgt dan een lange uiteenzetting over ‘het wanbegrip, dat Soepriadi c.s. hebben getoond te bezitten ten aanzien van het doel van de oorlog in Groot-Oost-Azië en over ‘de smaad, die zij over de “Peta” hebben gebracht door hun vijandelijke daad, die in feite was gericht tegen de 50 miljoen inwoners van Java’. De verklaring gaat dan voort:
‘Toch is het militaire gezag niet voornemens om deze opstand te beschouwen als een belemmering voor de zelfstandigheid van het Indonesische volk. Het volksleger is ook niet in de achting van het militaire gezag gedaald. Ons vertrouwen in dit leger is ongeschokt. De rechtvaardigheid van de Japanse krijgsraad behoeft geen betoog. Desondanks zullen bij wijze van uitzondering, zes civiele toehoorders de behandeling van de zaak voor de krijgsraad mogen bijwonen, n.l. 2 officieren van de ‘Peta’ en 4 burgers. De burgers zijn: R. Oto Iskandar di Nata, R. Abikoesno Tjokrosoejoso, K.H. Abdoel Kadar Koezakir en prof. Mr. dr. Soepomo (een erkend rechtsgeleerde).
De verklaring is nog véél langer. De volledige bijzonderheden zullen zeker pas na de Japanse bezetting aan het licht komen. Het is voor mij zeker, dat dit niet slechts een geval is van één ontevreden Indonesische soldaat, maar van een opstand van een Indonesische bevolkingsgroep tegen zijn onderdrukkers. Het is om vele redenen jammer, dat hij vóór de vastgestelde datum uitbrak.

Bouwer – Het vermoorde land, 337

[Jakarta 7 – Consulaat] 

Woensdag, 2 mei [1945]
Voor de Japanse Krijgsraad in Batavia in het voormalige Franse consulaat-generaal (dat de Japanners nu ook hebben ingepikt) is de rechtszaak begonnen tegen de aanstichters van de opstand in de kazernes van de 'Peta' in Blitar op 14 februari j.l. Zeven toehoorders wonen de zittingen bij, die worden gepresideerd door de Japanner Yoshimoto. Volgens de Indonesische bladen zijn tientallen personen bij de zaak betrokken. Een cijfer, dat uit gemeenlijk goed-ingelichte Indonesische bron komt, zegt dat er 68 Indonesiërs terechtstaan.

Bouwer – Het vermoorde land, 348-350

[Jakarta 7 – Consulaat] 

Woensdag, 13 Juni [1945]
Van de opstandelingen van Blitar zijn er 8 tot zware en 48 tot lichtere straffen veroordeeld. 12 werden vrijgesproken. Uit een officiële bekendmaking, vandaag in de ‘Tjihaja’ afgedrukt naar aanleiding van de vonnissen van de Japanse Krijgsraad, blijkt nu pas iets over de omvang van de opstand. 410 opstandige manschappen van de ‘Peta’ zijn enige tijd in het bezit van de stad Blitar geweest. De bekendmaking vangt weer aan met een uiteenzetting van het streven van de bezetters en hun ‘goedheid’ jegens het Indonesische volk. Een van die ‘goedheden’ was de oprichting van de ‘Djawa Booei Giyuugun, de ‘Peta’ (volksleger), in welks handen in de toekomst de verdediging van Java zou worden gelegd. Zij werd beloond met een opstand in de kazerne van Blitar, aangestookt door een ‘aantal leiders’, die zich niet voldoende bewust waren van het streven van het Japanse leger.
Veertien zittingen van de Japanse Krijgsraad in Batavia onder voorzitterschap van kol. Yoshimoto waren nodig om de zaak te behandelen. De leider van de opstand, Soeprijadi – die nooit is gevat – zou bijzondere betrekkingen tot Allah hebben onderhouden, hetgeen volgens het requisitoir zijn invloed op zijn volgelingen verklaart. Soeprijadi voelde zich ontevreden over het gedrag van de Japanse onderofficieren, die optraden als instrukteurs van de ‘Peta’ en die regeerden met zweep en de kolf van het geweer. Soeprijadi zou zich ook hebben geërgerd over de gedragingen van de Japanse instrukteurs buiten dienst, wanneer zij hun gemeenheden jegens de Indonesische soldaten zouden hebben voortgezet. Voeg daarbij dan nog de algemene moeilijkheden, waaronder het Indonesische volk gebukt gaat en men heeft de volledige lijst van oorzaken, die Soeprijadi deden besluiten, dat er nu maar eens een eind aan moest komen en dat het tijd werd, dat het Indonesische volk ‘het Japanse juk’ van zich afschudde. (Dit is een heel andere verklaring dan die destijds van de muiterij werd gegeven). Zijn eerste volgeling was een zekere Ismangil, die bij een promotie was gepasseerd. Al op 15 januari werden vergaderingen belegd. Op 6 februari werden de leiders van de opstand aangewezen. D-day werd vastgesteld, op welke dag dan aanvallen zouden worden gedaan op Japanse kantoren, woningen van Japanse officieren, de politiebureaus, het telefoonkantoor en andere gebouwen. Alle Japanse instrukteurs van de ‘Peta’ benevens alle andere Japanners, Chinezen en Indo-Europeanen (!), in de stad zouden worden vermoord, rampokpartijen zouden worden georganiseerd, waarna de muiters in drie richtingen zouden oprukken naar Malang, Pare en Djokjakarta. D-day werd aanvankelijk vastgesteld op 9 februari, maar uitgesteld omdat de voorbereidingen nog niet waren voltooid. Op 14 februari gebeurde het. ’s Morgens om vier uur kwamen 410 Indonesiërs goed bewapend in opstand, veroverden verscheidene legertrucks en 10.000 gulden aan contanten en begonnen Blitar te beschieten. Woningen van Japanse instrukteurs, het kantoor van de Kenpeitai en de kantoren van de politie en de telefoon werden binnen een uur bezet, telegraafdraden doorgesneden, de gevangenis bestormd en 258 gedetineerden vrijgelaten, die zich in wild enthousiasme bij de muiters aansloten. Vervolgens trokken de opstandelingen het regentschap binnen, waar de zaak al spoedig schijnt te zijn ontaard in een doodgewone rampok- en moordpartij, zij het op een ietwat grotere en beter-georganiseerde schaal. Woningen, huizen en kantoren werden aangevallen. Tien Japanners werden vermoord. Het bericht van de opstand verspreidde zich snel.
De verklaring beweert dan, dat de bevolking zich niet bij de muiters aansloot, wie toen spoedig de moed in de schoenen zonk. Het zou ook de bevolking zijn geweest, die de naburige Japanse troepen waarschuwde, die daardoor snel konden ingrijpen. Soeprijadi vluchtte. Vele opstandelingen gaven zich over. Welke maatregelen het Japanse leger nam wordt niet gezegd. Een kleine groep muiters hield stand in de bossen bij Wates, zodat de Japanners tanks en vliegtuigen moesten inzetten. Op 22 maart – ruim een maand later – achtten de Japanners de opstand bedwongen en hadden de meeste muiters in handen.
Bij ontstentenis van Soeprijadi wordt R. Moeradi als aanstichter gerekend en ‘dienovereenkomstig gestraft’.
De zaak zal nu wel volkomen zijn bekeken en de Japanners doen er trouwens verstandig aan, als zij er maar zo weinig mogelijk over zeggen.
In Semarang is een aantal Indonesiërs door de Japanners gearresteerd wegens ‘heulen met de vijand’. Zij schijnen hun bemiddeling te hebben verleend bij de verkoop van kostbaarheden van gedetineerde vrouwen in de vrouwengevangenis, met de opbrengst waarvan de vrouwen in de allernoodzakelijkste levensbehoeften konden voorzien. Ook tegen de vrouwen zijn maatregelen genomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 350

[Semarang 3 – Vrouwengevangenis] 

Woensdag, 13 juni [1945]
In Semarang is een aantal Indonesiërs door de Japanners gearresteerd wegens 'heulen met de vijand'. Zij schijnen hun bemiddeling te hebben verleend bij de verkoop van kostbaarheden van gedetineerde vrouwen in de vrouwengevangenis, met de opbrengst waarvan de vrouwen in de allernoodzakelijkste levensbehoeften konden voorzien. Ook tegen de vrouwen zijn maatregelen genomen.

Bouwer – Het vermoorde land, 354

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Op de derde dag van de 8e zitting van de ‘Tyuuoo Sang-In’ schijnt Ki Hadjar Dewantoro een figuurlijke bom in de raad te hebben gegooid, toen hij zei: ‘In de ogen van de bevolking is de naam van zijn leiders al naar de maan’. Hij oefende scherpe kritiek op het gedrag en de algemene levenswijze van de nationalistische leiders en de betrekkelijke luxe, waarin zij dank zij hun Japanse vriendjes leven in tegenstelling tot bijna verhongerende, in lompen gehulde kleine man. Deze worden van een van de leden van het oorspronkelijke ‘Klavertje Vier’ zijn uiteraard niet opgenomen in het verslag, dat de ‘Tjahaja’ over de beraadslagingen afdrukte. Ik hoorde het verhaal van mijn informant Sjarif, die juist uit Batavia terug is, waar hij uit nieuwsgierigheid eens een zitting van Indonesiës ‘vertegenwoordigend lichaam’ is gaan bijwonen. Ki Hadjar Dewantoro heeft hiermede waarschijnlijk zijn kansen op een leidende funktie in de toekomstige regering van het ‘onafhankelijke’ Indonesië verspeeld. Op de derde dag waren er niet minder dan 39 sprekers.

Bouwer – Het vermoorde land, 362

[Bandung – Hotel Wilhelmina]

Vrijdag, 20 juli [1945]
Alle Italiaanse onderdanen worden per 1 augustus a.s. geconcentreerd in het voormalige pension Van Hengel aan de Oude Hospitaalweg. Zij worden 'beschermd'. Er wordt geen onderscheid gemaakt tussen fascisten en niet-fascisten. Zij moeten hun hele hebben en houden verkopen en mogen slechts lijfgoed meenemen. Zij moeten in het pension betalen: f 250, – per maand voor volwassenen, f 150, – voor ieder kind. Voor de Duitsers schijnt het voormalige Wilhelmina-Hotel – thans 'Sakura-Hotel' – te worden gereedgemaakt.

Bouwer – Het vermoorde land, 363a

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

Zondag, 22 juli [1945]
M'n Indonesische vriend Sjarif hoorde dit van een neef, die kortgeleden na een verblijf van twee weken bij de Kenpeitai werd losgelaten. Hij werd gearresteerd, omdat hij had gezegd, dat ‘zelfs de Japanse keizer niks te zeggen heeft' waar hij (de neef) het toezicht had. Dat gebeurde op Tjandjong Priok, waar de betrokken neef opzichter was bij de aanleg van enige openbare werken en twee Japanners zich met dit werk kwamen bemoeien. Met z'n twintigen zaten de arrestanten in een cel en kregen iedere dag – zonder mankeren – een afrossing. Alle arrestanten moesten de hele dag met opgetrokken knieën zitten en mochten hun benen niet uitstrekken. Op een dag werd de neef geroepen door een Japanner, die 5 spiksplinternieuwe bamboe-stokken bij zich had. In een soort martelkamer werden alle 5 stokken op zijn rug stukgeslagen, terwijl de Japanner hem toebekte: 'Jij voelt je een toean besar (grote meneer) he?' Ook onderging hij de beruchte waterdoop: brandslang in je mond, kap over je hoofd, kraan open, proberen water te slikken tot je bijna stikt. Ik weet, dat dit een heel zwakke beschrijving is van deze verschrikkelijke marteling. Verder: ophanging aan een touw dat telkens opnieuw wordt gevierd, zodat je iedere keer met een smak op de stenen vloer terechtkomt en je val niet kunt breken omdat je handen zijn vastgebonden. Eten: driemaal per dag een klein hapje rijst met water en zout. Definitie van de Kenpeitai door de neef: 'Voortreffelijke instelling om haat te kweken jegens alles, wat Japans is. Wie daar eenmaal heeft gezeten, kan nooit meer pro-Japans zijn'.

Bouwer – Het vermoorde land, 369-372

[Bandung – Gevangenis] 
[Bandung 4 – Onderduiker] 

Zaterdag, 11 augustus
's Avonds 23.00 uur
Ivy, schoonmama en neef Hans Beijnon zijn vanmiddag gearresteerd en ik weet nog niet waar zij zijn. Jeanne Salomons – onze huisgenote en ik zijn met Maudje in het huis achtergebleven. Er is vandaag verschrikkelijk veel gebeurd. Ik moet kort zijn en snel schrijven. Ieder ogenblik kunnen wij opnieuw door de politie worden overvallen.
Omstreeks kwart voor twee werd er lang en nadrukkelijk gebeld. Ik was net met m'n aantekeningen bezig en rende met medeneming van alles m'n jungle in. Pas veel later – nadat ik daar ongeveer 4 uur verborgen moest blijven – hoorde ik wat er was gebeurd. Er waren twee Japanners in burger, plus een Indonesische chauffeur gekomen. Een van de Japanners was de beruchte Goto, onderhoofd van de residentie-politie, assistent van Matsui. Later kwamen er in een tweede auto nog 4 Japanners, eveneens in burger. Goto verlangde inzage van de registratie-kaarten van Ivy, schoonmama en Jeanne. Van Ivy en schoonmama verklaarde hij, dat beiden omdat ze blond haar en lichte ogen hebben – hadden gelogen, toen zij zich als Indo-Europeanen lieten registreren, haalde met een blauw potlood een streep door de '3' op hun registratie-kaarten, zei dat ze waren gearresteerd en beval hen in de eerste auto te stappen. Hans vroeg of hij mee mocht gaan, wat werd toegestaan.
Toen Ivy vroeg, of zij het een en ander mee mocht nemen, zei Goto, dat het 'niet nodig was', omdat ze alleen maar 'even' zouden worden verhoord en daarna dan weer naar huis mochten. En zo werden m'n vrouw, schoonmama en Hans gevankelijk weggevoerd en tot op dit moment, weet ik nog niet, waar zij zijn. Zij zijn van het verhoor niet teruggekomen.
Nadat Ivy, schoonmama en Hans weg waren, deden de Japanners huiszoeking, de grondigste die wij ooit hebben gehad. Letterlijk alles werd overhoop gehaald. Jeanne, die officieel als bewaakster van de baby en het huis werd 'aangesteld', probeerde alles zoveel mogelijk in de gaten te houden. Later bleek evenwel dat er heel wat was verdwenen, o.a. de stapel papier, die ik door de jaren heen zo zorgvuldig had bewaard voor het schrijven van een dagboek van de Japanse bezetting. Toen de Japanners klaar waren, was het huis één puinhoop. De inhoud van de kasten lag op de grond, koffers en kisten waren omgekeerd en niets stond meer op z'n plaats. De Indonesische chauffeur moest nog op het dak kruipen, vermoedelijk om te kijken of daar misschien een radio stond. Er werd, voor zover wij weten, niets belastends gevonden. Jeanne werd verhoord, doch gaf geen krimp. Eindelijk trokken – om half zes – de schurken of en kon ik te voorschijn komen.
Terwijl ik daar in m'n jungle zat, had ik wel begrepen, dat Ivy werd weggehaald. Ik hoorde Hedy Ritter, de dochter van onze Zwitserse buurman over de muur roepen: 'Breng de baby maar bij ons, dan zullen wij wel voor haar zorgen'. Ik dacht toen, dat alle bewoners van het huis werden gearresteerd en zat al middelen te beramen om ongezien uit de jungle te komen langs de wachtposten heen, die – in mijn verbeelding – natuurlijk voor het huis zouden worden geposteerd. Toen ik het bekende fluitje hoorde, wist ik, dat er nog iemand was achtergebleven. Met een huilende Maudje kwam Jeanne me tegemoet. De Japanners hadden haar gevraagd, of zij 'niet bang was, alleen in zo'n groot huis' en hadden beloofd haar voor de nacht een 'tjinta' (liefje) te sturen. Dit aanbod heeft Jeanne beleefd van de hand gewezen en verzocht om in plaats daarvan haar zuster, mevr. De Bakker-Salomons tijdelijk in huis te mogen nemen. Dit werd toegestaan. Ook heeft zij van Goto toestemming weten te krijgen, dat zij morgen een pak kleren voor alle drie op het kantoor van de residentie-politie in het residentiekantoor zou mogen brengen, als ze toch niet naar huis terug zouden mogen (wat wij beiden eigenlijk ook wel verwachtten).
Wat de reden van de arrestatie is, kunnen wij alleen maar vermoeden. Het is bekend, dat Goto al geruime tijd jacht maakt op blonde Indo-Europese vrouwen en het heeft er alle schijn van, dat hij weer twee slachtoffers heeft gemaakt. Goto is een flinke vent: hij heeft weer een moeder van haar baby van zes maanden weggesleept.
Het kan echter ook zijn, dat er heel wat anders achter zit. B.v. dat de Japanners een definitieve aanwijzing of het vermoeden hebben, omtrent mijn aanwezigheid in dit huis. Gedurende het korte verhoor van Ivy en later ook van Jeanne vroegen ze niet naar mij, maar wel naar de vader van de baby, als hoedanig Ivy – gelijk was overeengekomen – Boy Puyt noemde. Ik geloof dus nog niet, dat het om mij gaat. Het verhoor zou dan ongetwijfeld grondiger en hardhandiger zijn geweest en de Japanners zouden iedereen in huis hebben aangehouden (de baby inkluis) en wachten voor het huis geplaatst. Er kunnen vele andere redenen zijn. Wij zullen proberen morgen via het plaatselijke Indo-comité meer over de zaak te weten te komen.
Ik neem aan, dat het huis in de gaten wordt gehouden. Een nieuwe inval kan dus elk ogenblik plaatshebben. Ik blijf vannacht op, teneinde niet te worden verrast. Er zou van slapen toch weinig komen. M'n kop barst en als ik naar Maudje kijk, springen me de tranen in de ogen. Ik heb geen belangstelling meer voor Indonesië en zijn 'onafhankelijkheid'. Het kan me niets schelen, of Japan wil capituleren of niet. Toen vanmorgen bekend werd, dat Japan de aanvaarding van de geallieerde voorwaarden overweegt, waren we allen blij. Ivy huilde, toen de spanning van zoveel jaren van haar afviel. Ik heb toen nog gezegd: 'Huil niet, Pop, het moeilijkste komt misschien nog'. Ik dacht daarbij aan de eventuele uitroeping van Indonesië's onafhankelijkheid en wist op dat ogenblik niet, dat ik profetische woorden sprak. Een half uur later was Ivy gearresteerd. Als ik tenminste maar wist, waar zij is ...
Zondag, 12 augustus
's Avonds
Na een doorwaakte nacht volgde een eindeloos lange dag van tevergeefs wachten en talloze teleurstellingen. Ze zijn nog niet terug. Ze zijn gistermiddag regelrecht naar de Bantjeuj-gevangenis gebracht *]. Dat betekent: voorarrest voor onbepaalde tijd, tot de een of andere Japanner het eindelijk eens in zijn hoofd krijgt om hen te verhoren of een zaak aanhangig te maken. Toen Jeanne vanmorgen met drie pakken kleren op het residentiekantoor kwam, was Goto er natuurlijk niet. De pakken moesten zo gauw mogelijk naar de gevangenis, in de eerste plaats omdat er warme kleren en toiletartikelen in zitten en in de tweede plaats, omdat ik er de adressen op heb geschreven. Uit het handschrift kan Ivy dan zien, dat de Japanners mij niet hebben gevonden. Je kunt nooit weten, of de Japanners met het bekende trucje zullen toepassen van: 'Beken nu maar, want we hebben je man gevonden'. Daarom moet Ivy zo gauw mogelijk weten, dat ik nog thuis zit. Ze is natuurlijk erg bezorgd over Maudje en ze zal dan ook weten, dat ik er ben om op de baby op te passen.
We hebben (nog) geen tweede bezoek gehad van de Japanners. Het plaatselijke Indo-comité heeft laten weten, dat 'het zich met politionele zaken niet kan inlaten'. We hebben uit de koffers van mijn schoonmama alle mogelijke dokumenten gehaald, waarmee kan worden aangetoond, dat Ivy en schoonmama geen 'Indo-bohong' (leugen-Indo's) zijn, indien twijfel daaraan de werkelijke reden van de arrestatie mocht zijn. Bij de politie heeft de onvermoeibare Jeanne ook nog geprobeerd iets voor de drie arrestanten te doen. De Indonesische inspekteurs van politie waren vol sympathie, maar zeiden in zaken, waarin Goto z'n vingers heeft, volkomen machteloos te zijn. Het is tenminste een geruststelling, dat ze niet bij de Kenpeitai zitten. Vrienden en kennissen mijden begrijpelijkerwijze ons huis uit vrees in die 'zaak' te zullen worden betrokken. Het beroerde is, dat al het praatje gaat, dat 'er een man in huis was'.
Van onze Zwitserse buren hebben wij veel hulp. Mevr. De Bakker, Jeanne en ik hebben met ons drieën Maudje zo goed mogelijk verzorgd en ik geloof, dat het haar aan niets heeft ontbroken. Zij is het, die ons allen de kracht geeft om de moeilijkheden onder ogen te zien en het verdere verloop van de dingen af te wachten.
Japan heeft de geallieerde eis tot onvoorwaardelijke overgave nog niet geaccepteerd. In de stad vertellen de mensen elkaar, dat Japan al is gecapituleerd. Honderden mensen zijn gisteren en vandaag gearresteerd wegens het verspreiden van deze geruchten.
Maandag, 13 augustus
Jeanne heeft de drie pakketten aan de Bantjeuj-gevangenis mogen afleveren na van de machtige Goto daartoe vergunning te hebben gekregen. Hij zei: 'Orang tidak poelang lagi' (Ze komen niet meer terug) en lachte sarkastisch. 'Bawah pakaian sadja. Perkara tidak boleh tahoe'. (Breng de kleren maar. Het gaat je niet aan, waarom ze zijn gearresteerd). De politie verklaarde niets te kunnen doen met de door Jeanne meegebrachte dokumenten en weigerde in te grijpen. Wij bidden, dat het nog steeds rondgaande praatje van de 'ondergedoken man' niet op het allerlaatste ogenblik nog de Japanners ter ore komt. Japan is nog niet gecapituleerd en de bezetters zijn hier nog heer en meester. Als ze me nu nog vinden, is het onherroepelijk met mij gedaan. Zij gedragen zich hier in de stad, alsof er geen vuiltje aan de lucht is. De houding van de Japanners wekt bij velen twijfel wat de aanstaande Japanse capitulatie betreft. Men durft het eenvoudig niet meer te geloven. Misschien weet de doorsnee-Japanner nog niet, wat er met zijn land aan de hand is en dat er een einde komt aan hun macht.
M'n belangstelling voor het gebeuren om ons heen keert terug.
*] zie [Bandung 1A – Bewaring] 

Bouwer – Het vermoorde land, 374

[Bandung – Gevangenis]

Woensdag, 15 augustus [1945]
Ivy, schoonmama en Hans moeten uit de Bantjeuj-gevangenis vóór de Indonesiërs die overnemen. Nieuwe pogingen om hen vrij te krijgen zijn mislukt.

Bouwer – Het vermoorde land, 380

[Bandung 4 – Niet te bepalen] 
[Bandung 4 – Onderduiker] 

Maandag, 20 augustus [1945]
Deze dag is voor mij ook de dag geworden, waarop ik 37 maanden en 1 dag heb gewacht. Om half twee Javatijd – ik zal uur en dag nooit vergeten – heb ik in gezelschap en onder bewaking van dr. Bob Brenkman voor het eerst dit huis Dagoweg 42b verlaten, om een bezoek te brengen aan een collega-onderduiker, de heer Van Vierssen, employé van de British American Tobacco Company, die op de Dagoweg 123 ondergedoken zat. Op de goede afloop hebben we met z'n allen een borreltje gedronken onder het genot van een echte 'Chesterfield' uit een blikje, dat Bob Brenkman de gehele bezetting door had bewaard voor de dag van de bevrijding, die nog geen vrijheid heeft gebracht.
Ik heb het heel beroerd gevonden, dat Ivy deze dag niet heeft kunnen meemaken. Haar komt de eer van mijn onderduiking en mijn overleven toe. Zij heeft het uitgehouden. Zij is niet gebroken onder de voortdurende angsten. Zij heeft alles moeten opknappen. Zij heeft moeten liegen en bedriegen en het tenslotte nog moeten beleven te worden aangezien voor een vrouw, die een kind kreeg van een ander, terwijl haar man in een interneringskamp zat.
Dit alles ging door m'n hoofd, toen ik voor het eerst na 3 lange jaren vandaag de bergen rondom Bandoeng weer eens zag. Er is een troost: ik ben nu weer vrij. Ik kan mij nu zelf gaan bekommeren om haar vrijlating en ik ben van plan om een hartig woordje met meneer Goto te gaan praten. Zo zal zich dan het vreemde geval gaan voordoen, dat ik – die eigenlijk 3½ jaar gevangen had moeten zitten – een dezer dagen mijn vrouw uit de gevangenis zal gaan halen.

Bouwer – Het vermoorde land, 383-384

[Bandung – Gevangenis] 
[Bandung 4 – Onderduiker] 

Vrijdag, 24 augustus [1945]
Ivy, schoonmama en Hans zijn vanmorgen uit de Bantjeuj-gevangenis ontslagen met schurft en dysenterie en elk enkele kilo's afgevallen. Goto had tevoren een briefje getekend voor de gevangenis-direkteur Murata, dat-ie hen 'ini hari, tanggal 24' (vandaag de 24e) moest vrijlaten. Jeanne en ik zijn samen naar de gevangenis gegaan met dit bevel van Goto. Ik zal maar niet beschrijven, hoeveel moeilijkheden – vooral van de Indonesische cipier Soenario – wij nog ondervonden om het bevel uitgevoerd te krijgen. Ik zal ook niet beschrijven de ellende, die Ivy, schoonmama en Hans in de 13 dagen van hun verblijf in de gevangenis hebben doorgemaakt. Een bad en een maaltijd deden wonderen. Ivy schrok, toen zij mij voor de gevangenispoort zag staan. De berichten van buiten waren wel tot de cellen en zalen in de gevangenis doorgedrongen, maar men had er achter de tralies de volle betekenis toch met van beseft. Dat ik mij al weer vrij op straat kon bewegen, had Ivy helemaal niet verwacht.
Het blijft rustig, opvallend rustig, zou ik haast zeggen, ondanks de radiorede, die Soekarno gisteravond hield. De inspekteur van politie, Soemardjo, die ik vanavond sprak, verklaarde dat er voor relletjes niet behoeft te worden gevreesd.

Bouwer – Het vermoorde land, 384

[Bandung 3 – L.O.G.] 

Zaterdag, 25 augustus [1945]
Bandoeng maakt zich gereed om geïnterneerden en krijgsgevangenen, zodra zij uit de kampen komen, op te vangen en te verzorgen. De hulpaktie staat order leiding van Eric Wester, Zweeds consul, die al met het hoofd van de kampen in Tjimahi, Shirekawa kontakt heeft opgenomen. Het landsopvoedingsgesticht (L.O.G.) wordt ingericht tot noodhospitaal. Met de spoorwegen zijn besprekingen geopend over een geregelde afvoer van vrijgelaten gevangenen. Als Hollander kun je per trein veilig reizen. Er zal je geen haarbreed in de weg worden gelegd.

Bouwer – Het vermoorde land, 384-385

[Bandung 2 – P.W.] 

Zaterdag, 25 augustus [1945]
Open correspondentie met de kampen over heel Java wordt georganiseerd. De kamparchieven, door geïnterneerden en krijgsgevangenen zelf bijgehouden, blijken uitstekend in orde te zijn. Geld en pakjes mogen worden gebracht of gezonden. Van morgen af ook bezoeken. Alle kampen zijn voorzien van zwarte vlaggen, voorzien van de kamp-initialen. Geallieerde transportvliegtuigen worden iedere dag verwacht voor het uitwerpen van hulpgoederen. Er schuilt veel ironie in de letters 'P.W.', die op de vlaggen van de krijgsgevangenenkampen staan om aan te duiden, dat daar 'Prisoners of War' zijn ondergebracht. De krijgsgevangenen zelf hebben daarvan gemaakt ‘Poosje Wachten'. Dit typeert de stemming over de laksheid der Nederlands-Indische autoriteiten in Brisbane, die na 9 dagen nog niets van zich hebben later horen of merken, behalve een order aan iedereen om in de kampen te blijven. Ontegenzeggelijk is de verwarring groot, omdat zovelen op eigen initiatief handelen, omdat zij niet willen wachten op de resultaten van de verschillende commissies, die naar slechte Hollandse gewoonte eerst maar weer eens zijn ingesteld. Daarbij werkt het feit dat zovele vrouwen rond de kampen zwerven, niet bepaald kalmerend op de mannen. Steeds meer krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden ontsnappen. De commandant van de kampen heeft de burgerij dan ook dringend verzocht om zo weinig mogelijk in de buurt van de kampen te komen. Hij vreest de mannen niet meer in bedwang te kunnen houden, terwijl hem door de geallieerden is bevolen strenge maatregelen te nemen. Iedereen loopt met grote oranje ‘V's', leeuwtjes of kokardes. Daartussen zie je zo hier en daar wel eens een rood-wit nationalistisch speldje. Er is nog nergens gebleken, dat dat niet samengaat ...

Bouwer – Het vermoorde land, 387

[Bandung 4 – Ziekenhuis] 

Maandag, 27 augustus [1945]
Rondom de kampen blijft een grote drukte heersen door bezoeken en het afgeven van pakjes en brieven. Vanmorgen zijn ongeveer 50 ernstig zieke burgergeïnterneerden uit Tjimahi naar het Borromeus-ziekenhuis overgebracht. Het z.g. Irene-paviljoen is voor hen vrijgemaakt. De Japanse 'direkteur-geneesheer', de slager Kobayashi, weigert evenwel Europese geneesheren toe te laten. In de kampen is alles klaar voor de ontvangst van hulpgoederen, die per vrachtauto worden verwacht. Geallieerde vliegtuigen zijn echter nog steeds niet verschenen. Wel zijn of en toe weer Japanse toestellen in de lucht.

Bouwer – Het vermoorde land, 392

[Jakarta 7 – Consul Generaal] 

Batavia, maandag, 3 september [1945]
De Zweedse consul-generaal, Lehman vertelde mij, dat de heren Spit en Krijger zaterdag na aankomst in Batavia een onderhoud hadden met de chef-staf van het 16e Japanse Leger, gen. Yamamoto, in diens ambtswoning in de voormalige residentie van de Japanse consul-generaal aan het Koningsplein-West. Bij die conferentie – die door Lehman zelf en de Zwitserse consul-generaal Weidmann werd bijgewoond – waren ook tegenwoordig de echtgenote van de gouverneur-generaal, mevr. Tjardja van Starkenborgh Stachouwer, de oudst-aanwezend officier van het voormalige K.N.I.L. op Java, kol. M. Vooren en de gouverneur van West-Java, mr. Hogewind. Voorts afgevaardigden van de Engelse, Australische en Amerikaanse krijgsgevangenen, die hier in de barakken van het 10e Bataljon Wielrijders zitten. Politieke onderwerpen werden niet besproken. En er is met geen woord gerept over overdracht van het burgerlijke bestuur aan de Nederlands-Indische autoriteiten. Er hebben sinds zaterdag ook geen conferenties meer plaatsgehad en de algemene indruk is, dat de Japanners het nu weer welletjes vinden. De hele commissie-Spit is in het Kramatkamp opgesloten en zal daar vermoedelijk ook wel blijven, in ieder geval tot de komst van een geallieerde party, die op 8 september a.s. per parachute op het vliegveld Kemajoran wordt verwacht.

Bouwer – Het vermoorde land, 393

[Jakarta 6 – Commandant] 
[Jakarta 7 – Vliegtuigen] 

Batavia, maandag, 3 september [1945]
Intussen is ter conferentie wel iets bereikt, al ligt dat niet op het terrein, dat wij hadden verwacht. De kampen worden voorzien van korte golf-ontvangsttoestellen voor het opvangen van buitenlands nieuws. Voorts is de openlegging door de Japanners geëist van de registers van ruim 80.000 krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden op Java. Het hoofdkantoor van alle kampen op Java is gevestigd in het huis van de commandant van West-Java aan het Waterlooplein en staat onder leiding van de overste Matsunaira. De Japanners hebben geweigerd om het voormalige B.P.M.-gebouw aan het Koningsplein – waar thans de Japanse propaganda is gevestigd – te ontruimen om er een contact-bureau van het Rode Kruis in te vestigen. Voor het Rode Kruis zijn in Batavia aangekomen prof. Wertheim en de heren Vos en Gutwirth. De meeste Europeanen, die men treft, zijn op eigen risiko uit de kampen weggelopen om zo spoedig mogelijk weer aan het werk te kunnen gaan. Er wordt op het gebied van hulpverlening uitstekend werk gedaan, b.v. door de dames Ramaer, Hora Siccema en Joëll. Op elk ander gebied is de pas afgesneden door de Nederlands-Indische regering in Brisbane.
Hoge Japanse autoriteiten hebben mij vandaag verzekerd, dat het op bevel van de Nederlandsch-Indische autoriteiten buiten Java is, dat de Japanse legerleiding gedwongen is geweest om de commissie-Spit weer in het Kramat-kamp op te sluiten. Dit bevel heeft zelfs op de Japanners, op z'n zachtst gezegd, een zéér vreemde indruk gemaakt.

Bouwer – Het vermoorde land, 396-397

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Zaterdag, 8 september [1945]
Een R.A.P.W.I. (Relief of Allied Prisoners of War and Internees)-party is per parachute op het vliegveld Kemajoran geland, onder leiding van de Britse maj. Greenholgh. Onder de 7 leden van de party bevinden zich 4 Hollanders, n.l. luit. Van Tuyll van Serooskerken, luit. Dekker, vaandrig Van Rijsewijk en sergeant Meyers.
Terwijl de party arriveerde was in de bovenzaal van 'Hotel des Indes' in Batavia net een conferentie gaande tussen prominente Japanners en afgevaardigden uit de krijgsgevangen- en burgerkampen. Leider van de Japanse delegatie was Burggraaf Yamaguchi, hoofd van de 3e afdeling van het Japanse hoofdkwartier, die door gen. Nagano is belast met de overgave van het 16e leger aan de geallieerden. Voorts was aanwezig overste Matsunara, hoofd van alle kampen op Java. Van Nederlandse zijde waren, behalve de z.g. 'kampvertegenwoordigers' aanwezig mevr. Tjarda van Starkenborgh Stachouwer, mr. Spit en kol. Vooren. De Britse vertegenwoordigers waren wingcommander Alexander en lieutenant-colonel Vanderpost (een Zuidafrikaan), beiden krijgsgevangenen. Op advies van Jhr. Van Karnebeek, die de Bandoengse kampen vertegenwoordigde, ben ik er maar bij gaan zitten. Toen de conferentie goed en wel op gang was, werden de leden van de R.A.P.W.I. -party door hoge officieren van het Japanse leger binnengeleid. Burggraaf Yamaguchi sprak een rede uit, waarin hij verzocht om politieke vraagstukken buiten de diskussie te houden. Hij dankte mevr. Tjarda en mr. Spit voor de hulp, die zij de laatste dagen hadden betoond bij het afdammen van de stroom ontsnappende krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden. Hij gaf een uiteenzetting van de taak, die door de geallieerden aan het Japanse leger is opgedragen. Toen hij sprak over de plicht van het leger om de rust en orde te handhaven, zinspeelde hij op de moeilijkheden, die het daarbij van de kant van de Indonesische nationalistische beweging ondervindt. Hij verzekerde de conferentie dat 'het Japanse leger wat dit betreft zijn eigen plannen heeft, die afdoende zouden zijn'. Na hem sprak maj. Greenholgh, leider van de R.A.P.W.I.-party, die mededeelde dat hij een radio-zendstation had meegebracht en onmiddellijk contact zou opnemen met het geallieerde opperbevel op Ceylon. (Later hoorde ik, dat bij de parachutelanding de zender met een zodanige smak op de grond was neergekomen, dat er een nieuw apparaat moest worden nagezonden). In de R.A.P.W.I.-staf bevindt zich een Britse arts, die een onderzoek naar de toestanden in de kampen zal instellen. De Britse kruiser 'Cumberland' is vandaag uit Colombo vertrokken met medicamenten aan boord en wordt op de 15e in Tandjong Priok verwacht. Hij deelde onomwonden mede, dat 'het nog wel een paar weken zou kunnen duren, voor Java door de geallieerde troepen kan worden bezet' en verzocht om geduld. 'Singapore is er heel beroerd aan toe en moet prioriteit hebben', zo zei hij.
Dat weten we dus alweer. Het kan nog 'a few weeks' duren. 'Singapore is really very bad and must have priority. Please be patient'. Het zijn woorden, die ik m'n leven lang niet zal vergeten.

Bouwer – Het vermoorde land, 397-398

[Jakarta 7 – Kenpeitai] 

Zaterdag, 8 september [1945]
Ik heb verzocht de Japanse opperbevelhebber gen. Nagano te mogen interviewen. Dit verzoek is geweigerd. Ik heb daarna een officieel verzoek ingediend om dan tenminste een gesprek te mogen voeren met de chef-staf, gen. Yamamoto. Ik wil van de Japanners een verklaring hebben over verschillende kwesties, die mij nog met geheel duidelijk zijn. Dat is ook afgewimpeld. Ik ben voorts op het hoofdkantoor van de Kenpeitai in de Rechtshogeschool geweest en heb gen. Nishida, hoofd van de Japanse Gestapo in heel Indonesia, ronduit in zijn gezicht gezegd, dat zijn Bandoengse filiaal mij 3½ jaar lang heeft gemist. Ik heb hem verder gezegd, dat ik van plan ben om – ook ondanks alle tegenwerking van Japanse zijde – contact op te nemen met mijn organisatie in het buitenland en dat ik daarvoor een zendertje heb laten bouwen dat Ivy intussen per trein van Bandoeng naar Batavia heeft weten te brengen – waarmee ik in de lucht zou gaan, zodra de proeven ermee klaar zouden zijn.

Bouwer – Het vermoorde land, 398

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Zaterdag, 8 september [1945]
Maj. Greenholgh heeft mij een kamer in ‘Hotel des Indes' bezorgd, waar ik nu de eerste civiele gast na de capitulatie ben. Ik heb een beetje met de majoor zitten praten, die van de politieke verhoudingen in dit land geen flauw benul heeft. Toen ik hem schilderde, wat er op het spel staat en welke gevaren er dreigen, was zijn commentaar: 'Don't get panicky'. Wat moet je dan nog zeggen?

Bouwer – Het vermoorde land, 398a

[Jakarta 6 – Postkantoor] 

Maandag, 10 september [1945]
De extremistisch-nationalistische terreur breidt zich uit als een olievlek. Brandstichting is gerapporteerd uit de gasfabriek en het hoofdpostkantoor. De Japanners hebben bevel gegeven, dat alle rood-witte vlaggen moeten verdwijnen. In de buitenwijken van de stad zijn Japanners vermoord gevonden. De Nederlander Mooyen is door extremisten van het leven beroofd.

Bouwer – Het vermoorde land, 403

[Jakarta 7 – Manifestaties] 

Donderdag, 20 september [1945]
Een grote massa-bijeenkomst, die door de republikeinse leiders vanmiddag op het Koningsplein is bijeengeroepen, is door de Japanners uiteengejaagd. Alle bezoekers werden aan de toegangswegen door manschappen van de Kenpeitai hun steek- en slagwapens afgenomen. Het hele plein was afgezet door Japanse troepen. Overal zag men gevechtswagens, tanks, cavalerie en machinegeweren. Toen Soekarno het spreekgestoelte beklom, werd hij door een Japanner gesommeerd de vergadering te manen uiteen te gaan, waaraan hij voldeed. Soekarno heeft toen heel kort tot de massa gesproken. Hij zei alleen, dat Indonesia 'onafhankelijk is en onafhankelijk zal blijven'.

Bouwer – Het vermoorde land, 403a

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Donderdag, 20 september [1945]
Van der Plas, gen. Van Straaten, kol. Abdoelkadir, kol. Dick Asjes en andere Nederlands-Indische autoriteiten zijn per schip of vliegtuig gearriveerd. Er is veel belangstelling voor het 'Hotel des Indes', het centrum van geallieerde activiteit. De extremisten worden iedere dag brutaler. Indonesiërs hebben een aanval gedaan op het Tjideng-vrouwenkamp. In de Sociëteit 'de Harmonie' hebben de Japanners een post van de Kenpeitai gevestigd. In de benedenstad zijn gisteravond 4 Japanners vermoord, in de buurt van Senen 2 Japanners en 1 Indo-Europeaan.
Van welingelichte zijde heb ik gehoord, dat Van der Plas zich zeer teleurgesteld voelt over de toestand, die hij hier heeft aangetroffen. Hetgeen het beste bewijs is van de volkomen verrassing voor de Nederlands-Indische autoriteiten over alles, wat zich hier al die jaren heeft afgespeeld. Intussen zitten de Nederlands-Indische autoriteiten nog steeds in het Kramat-kamp. Kostbare tijd gaat verloren. De moedeloosheid en verslagenheid onder de Europeanen is onmiskenbaar.