Indonesië en Nederland tussen 1945 en 1963

N. Samsom NV, Alphen aan den Rijn 1968

Alberts – het einde van een verhouding, 27-30

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Deze non-coöperatie heeft in de daaropvolgende twintig jaar de ontwikkeling, zoals die zich na 1945 zou openbaren, goeddeels beheerst. Goeddeels, maar niet volledig. Er waren ook nog andere invloeden werkzaam, en degenen die haar ondergingen, hebben onmiddellijk na afloop van de Japanse bezetting gemeend, dat hun kans gekomen was. Dat was de groep, waarvan Van Mook naderhand een van de voornaamste en om zo te zeggen een der laatste vertegenwoordigers zou zijn.
Ook zij streefde naar een zo groot mogelijke mate van onafhankelijkheid, maar niet in de vorm van een soeverein Indonesië, maar van een Nederlands-Indië met, laten we maar zeggen, dominion-status. Zij beoogden dus een staat, die verlost zou zijn van wat men in gedachten en ook wel eens hardop de Haagse bemoeizucht noemde. En een staat, waarvan de in Indië woonachtig en zich thuis voelende Nederlanders tezamen met de Indonesiërs de volwaardige burgers zouden moeten zijn. Indien er in november 1918 werkelijk een revolutie in Nederland was uitgebroken, zou misschien onder leiding van de gouverneur-generaal zelf een begin met de verwezenlijking van dit plan zijn gemaakt. Maar toen in de navolgende jaren de wijzers van de klok nogal stevig werden teruggedraaid, ontstond er een scheiding tussen de geesten. De kloof tussen Indonesische co-operators en non-co-operators zou van voorbijgaande aard blijken te zijn. De gebeurtenissen na 1945 hebben haar opgevuld met het geweld van een bandjir. Maar de scheiding tussen de co-operators en de Nederlanders, die we gemakshalve dan maar de voorstanders van een dominion-status zullen noemen, heeft zich langzaam en pijnlijk voltrokken, te pijnlijker naarmate laatstgenoemden lange tijd – in feite tot na 1945 toe – in de veronderstelling hebben geleefd, dat van een scheiding nauwelijks sprake was. Dat een dergelijk misverstand kon ontstaan is niet zo onbegrijpelijk. Verschillende co-operators hebben zich voorstanders getoond van samengaan met Nederlanders op de weg naar grotere onafhankelijkheid. Men beschuldigt hen niet van aarzeling, laat staan van onwaarachtigheid, als men hun uitingen beschouwt als te komen uit de mond van mensen die voor het overgrote deel als ambtenaar in dienst van het Indische gouvernement waren. En als ergens de zegswijze gold: ‘Wiens brood men eet, diens woord men spreekt’, dan was het wel in het goede oude Indië.

Alberts – het einde van een verhouding, 35-39

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Toen kwam mei 1940 en Nederlands-Indië werd door omstandigheden die met de zaak zelf niets te maken hadden, een van Nederland praktisch onafhankelijk land. De enige nog overgebleven band met het moederland werd gevormd door de relatie met de naar Londen uitgeweken regering, die door andere zaken in beslag werd genomen en die geen uitspraken kon of wilde doen op het stuk van de politieke toekomst van Indonesië. De enige daad die zij stelde, was de oorlogsverklaring aan Japan in december 1941.
Andere verklaringen van de regering bleken getuigen van een bedaarde goede wil:
16 juni 1941, opening van de Volksraad met een rede van de gouverneur-generaal, die een rijksconferentie aankondigde zodra de regering in het bevrijde moederland zou zijn teruggekeerd.
27 januari 1942, de regering in Londen geeft nadere aanwijzingen voor die conferentie.
7 december 1942, rede van de Koningin, waarin als het ware een garantie wordt gegeven, dat de conferentie ook werkelijk na afloop van de oorlog zal plaatsvinden.
De 7-decemberrede heeft naderhand in de barre praktijk van de dekolonisatie geen rol van betekenis meer gespeeld. Haar historisch belang is dan ook alleen gelegen in de hier bedoelde garantie. Er zou, als Indonesië in 1945 als Indië was bevrijd, ongetwijfeld een rijksconferentie rond een tafel zijn gehouden. Of de vorm van die tafel rond zou zijn geweest is een vraag waarop we het antwoord niet meer zullen horen. Overigens had de Japanse bezetting toen al een klein jaar geduurd en de twee, staatkundig gesproken voornaamste groeperingen, de Indonesiërs en de Nederlanders, waren meer gescheiden dan ooit. Eerstgenoemden waren opgenomen in wat de Japanners de Aziatische welvaartssfeer beliefden te noemen. De anderen gingen voor het overgrote deel naar interneringskampen en, voor zover ze rechtstreeks betrokken waren geweest bij de debacle van het landleger, naar krijgsgevangenenkampen. Er is naderhand door Nederlanders in Indië gezocht naar verklaringen van de gebeurtenissen, onmiddellijk na augustus 1945. Gebeurtenissen, die hun in de eerste plaats het gevoel gaven in de steek gelaten te zijn door mensen met wie ze toch altijd het beste hadden voorgehad en met wie ze altijd in een redelijk goede verstandhouding hadden geleefd. Een van die verklaringen was gebaseerd op de overtuiging, dat de Nederlander zijn gezicht zou hebben verloren door zijn snelle militaire nederlaag en vervolgens door het feit, dat hij zich zonder tegenstand in de kampen heeft laten opsluiten.
Het is veel waarschijnlijker, dat de Indonesiër in de dagen der bezetting vanaf het begin hoogstens een tweede gedachte heeft gewijd aan de val der Nederlanders. De eerste gedachte was, begrijpelijk genoeg, voor hemzelf en zijn moeilijkheden. Hij kreeg te maken met nieuwe heersers, die bovendien in staat van oorlog verkeerden en die zich dus als bezetters gedroegen en bepaald niet de indruk maakten van bevrijders. Bovendien waren de Japanners uiterst grillig en ongeduldig en men kan, zonder te veel bezijden de waarheid te zijn, toch wel vaststellen, dat de ruil voor de Indonesiërs een slechte was.
Maar goed of slecht, ze moesten het ermee doen en ze moesten afwachten wat een overwinnend Japan hun na de oorlog zou toestaan als politieke status van Indonesië. Het leek ernaar, dat ze op zijn best mochten rekenen op een vazalstaat. Deze geringe verwachting hadden de voornaamste Indonesische leiders, die bij de aanvang van de bezetting door de Japanners werden bevrijd uit de gevangenissen waarin de Indische regering hen had geplaatst. Ze werden gedwongen partij te kiezen, en de keuze kon niet anders vallen dan op een samengaan met de feitelijke bezetter. Dat bracht hen in het antigeallieerdenkamp, terwijl ze tevens moesten hopen op een nederlaag van de tijdelijke bondgenoot. Een nederlaag, die gepaard moest gaan met de uitschakeling van een der deelhebbers aan de toekomstige overwinning, namelijk Nederland.
Hoe langer de oorlog duurde, hoe meer ze de tijd kregen zich zelf en het Indonesische volk aan dit perspectief te doen wennen. Sommige leiders, zoals Amir Sjarifudin en Sjahrir, doken onder om, ieder op eigen wijze, mee te werken aan de Japanse nederlaag voor zover die ten gunste zou komen van Indonesië. De beide voornaamste aanvoerders, Sukarno en Hatta, bleven bovengronds om zich in een positie te manoeuvreren vanwaar uit ze de feitelijke gezagsuitoefening van de Japanners zouden kunnen overnemen. Maar allen hoopten op een Japanse nederlaag.
Het was in zekere zin een kansspel, maar iemand als Hatta bijvoorbeeld begreep, dat als zijn land een Japanse erkenning in een of andere vorm zou kunnen krijgen, de Geallieerden naderhand moeilijk een dergelijk gebaar – nog wel van een totalitaire regering – zouden kunnen negeren door het land terug te brengen tot zijn vooroorlogse koloniale status. Het risico van meedoen met de Japanners was voor de Indonesiërs dus niet zeer groot.
En terwijl de Nederlanders in de interneringskampen zich steeds meer op- en afgesloten voelden en steeds minder belangstelling hadden voor de staatkundige plannen, waarmee ze in de eerste twee jaren van hun gevangenschap de tijd hadden gedood, kregen de Indonesische nationalisten steeds meer uitzicht op een bevrijde toekomst.
Zo was nagenoeg de situatie toen de beide atoombommen een plotseling einde aan de oorlog maakten.

Alberts – Het einde van een verhouding, 124, 126-127

[Jakarta 6 – Monument] 

Tijdens de in oktober 1957 gehouden algemene politieke beschouwingen over de begroting van 1958 werd in de Tweede Kamer met geen woord, vertogen of onvertogen, gerept over Indonesië. Dat kwam pas een kleine twee maanden later, toen minister-president Drees op 3 december een korte, zelfs zeer korte verklaring aflegde, waaruit bleek, dat de regering nog wilde afwachten of de anti-Nederlandse actie van beperkte omvang en duur zou zijn of niet. Drie weken later wist men, dat hier inderdaad sprake was van een doelbewuste actie om de Nederlanders in Indonesië het land uit te drijven. De heer Luns, Minister van Buitenlandse Zaken, heeft bij die gelegenheid gezegd: ‘Men doet het nu voorkomen alsof de thans genomen maatregelen het gevolg zijn van de weigeringen van de Verenigde Naties om de Indonesische aanspraken op Nieuw-Guinea te onderschrijven, doch dit is naar het oordeel van de regering in het licht van wat zich sinds 1949 heeft afgespeeld niet anders dan een voorwendsel. Zelfs uit uitlatingen van officiële Indonesische zijde blijkt de juistheid van dit oordeel. Nog eergisteren heeft de Indonesische minister-president in een radiorede verklaard, dat de huidige actie niet alleen haar oorzaak vindt in het Nieuw-Guinea-geschil, doch dat deze vooral gezien moet worden in het kader van de Indonesische wens de gehele nationale economie van Indonesië op een nieuwe basis te schoeien om daarmee een zelfstandige buitenlandse politiek mogelijk te maken’.
Met uitzondering van de communisten stond men, als in de dagen der politionele acties, achter de regering. De P. v. d. A. klaagde weliswaar bij monde van de heer Willems dat het toch ‘zo plezierig zou zijn, als Nederland en Indonesië het eens konden worden over het beheer over een gebied, dat slechts lasten en moeilijkheden geeft, maar de destructieve krachten in Indonesië hebben de daartoe nodige vertrouwensbasis ondermijnd’.
Het ging dus weer dezelfde kant op als twaalf jaar tevoren aan de vooravond van de Hoge Veluwe. En ondanks het waarschuwend voorbeeld was ditmaal de aandrang om de kans te missen welhaast nog groter. Indonesië ging met wat men bijna de zekerheid van een slaapwandelaar zou willen noemen, op een doel af, dat op het dieptepunt van de verhouding met Nederland lag. En men deed dat niet om op dat dieptepunt te blijven, maar omdat men eenvoudig met een schone lei wilde beginnen. Op die lei stonden nog Irian en het te grote buitenlandse aandeel in de nationale economie. Een onpartijdig waarnemer zou het eerste punt van deze conflictagenda onbelangrijk en het tweede uit de tijd hebben genoemd, maar in een land waar men pas onafhankelijk is geworden, legt men andere maatstaven aan. Regering en parlement in Nederland hebben dit voor de tweede maal niet gezien en het is de vraag of de historie daarover wel zo gunstig zal oordelen, juist omdat het de tweede keer was.
Ook de laatste keer. En weer werd de oplossing gebracht door een soort van politiële actie. Nederland zond versterkingen. Indonesië brak de diplomatieke betrekkingen af en infiltreerde. Nederland zond nog meer versterkingen en toen het geheel op een complete rimboe-oorlog dreigde uit te draaien werd opnieuw van buitenaf ingegrepen. Opnieuw door de Verenigde Naties, maar ditmaal in feite door Amerika, dat de Nederlandse regering wist over te halen het bestuur op Nieuw-Guinea over te dragen aan een door de secretaris-generaal van de Verenigde Naties tijdelijk geschapen gezagsorgaan, dat op zijn beurt enige maanden later dit gezag zou overdragen aan Indonesië. Het eerste gebeurde op 1 oktober 1962, het laatste op 1 mei 1963. De verhouding tussen Nederland en Indonesië was verdwenen. Ze zou opnieuw geschapen worden.