Alberts – Een kolonie, 5-6

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 
[Cimahi – Baros] 
[Jakarta 8 – Koempoelanplein] 

Bij de tweede zaak gaat het eveneens om een beoordeling: die van het lot der ingezetenen daarginds tijdens de Japanse bezetting. Hebben we het erg gehad? Hebben we het minder erg gehad? Ik moet bekennen, dat ik de vraag naar een vergelijking nogal idioot vind ¹], ongeacht het al of niet belastende bewijsmateriaal, dat boven tafel is gebracht of nog gebracht moet worden. Ten aanzien van de vergelijking tussen Duitse en Japanse maatregelen tegenover geïnterneerden ken ik geen betere uitspraak dan die van de Utrechtse hoogleraar Dr. W. Ph. Coolhaas, in 1956 promotor van mevrouw Van Velde ²] en vroeger als bestuursambtenaar gedurende de hele bezettingsperiode in verschillende kampen op Java geïnterneerd. Hij zegt in zijn Ten geleide bij haar dissertatie De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog:
‘Hoe vreselijk de toestanden in deze kampen ook geweest mogen zijn, men mist er toch de opzettelijke van hoger hand geboden kwaadaardigheid van Hitlers’ kampen’. Ik vind dit een uitspraak, die meer is dan terzake. Ze is afdoende.
¹] Leven op de rand, 112 
²] Leven op de rand, 390 
Zie ook Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 732-733

Alberts – Een kolonie, 12-13 

[Bandung 2 – Landrente] 

Het woord landrente dankten we aan de Engelsen, die Java hebben bestuurd van 1811 tot 1816, dus tijdens onze overheersing door de Fransen. Landrente is landrent, is pacht, die de boer aan zijn pachtheer betaalt. De Britse bestuurder Raffles is daarbij uitgegaan van de veronderstelling: Alle grond behoort aan de vorst, aan de hoogste overheid dus. En de boer, die de grond gebruikt, moet aan de overheid pacht betalen.
De relatie had iets weg van een mystieke overeenkomst in de publiekrechtelijke sektor. Maar Raffles maakte volgens enkele van zijn critici een fout. Hij liet de publiekrechtelijke verhouding doorgaan voor een privaatrechtelijke: Hij stelde het voor alsof de vorst of, in dit geval de koloniale overheid, optrad als pachtheer, aan wie de Indonesische boer zijn pacht betaalde; en niet als een normale overheid, die de boer als onderdaan een aanslag in de grondbelasting oplegde.
Er was een verschil, en dat werd al gauw duidelijk na het herstel van het Nederlands bewind onder Willem I. Want hier trad een koning op, die werkelijk – zoals de grondwet voorschreef – bij uitsluiting van alle anderen het opperbestuur voerde over de volksplantingen en bezittingen van het Rijk in andere werelddelen. Het ging hierbij vooral om de bezittingen en wat ze moesten opleveren.
Een nieuw beleid. Weliswaar was het herfst geworden in de wereld van de romantische liefde voor de mensheid, maar er bleek, zelfs na Napoleon, nog iets bewaard te zijn gebleven van het idealisme uit de tweede helft van de voorgaande eeuw. Iets, wat men weer een eeuw later ethische politiek zou gaan noemen. Men wilde een beleid voeren dat ‘behoudens de welvaart der inheemse bevolking, het wingewest aan Nederland zal blijven verschaffen de stoffelijke voordelen, die het doel der verovering waren’. De woorden zijn van de Nederlandse regering omstreeks 1850.
Maar toen was allang gebleken, dat die voordelen niet waren te verschaffen door het heffen van een belasting in de vorm van een pachtsom. Raffles zelf heeft het geprobeerd door de pacht flink op te schroeven, maar als opbrengst van een wingewest hield het niet over. Zijn Nederlandse opvolgers vonden de heffing als heffing te zwaar en zochten naar andere middelen.

Alberts – Een kolonie, 22-23 

[Bandung 2 – Landrente] 

De landrente had eigenlijk moeten verdwijnen in de Javaanse districten, toen daar het Cultuurstelsel werd ingevoerd. Maar dat is in de meeste gevallen niet gebeurd. Vrijstellingen, die hadden moeten plaatsvinden, werden niet verleend en de beroerde kadastrale basis maakte verbetering van misstanden tot een illusie.
Die misstanden gingen verdwijnen, toen eenmaal kon worden gewerkt met resultaten van betrouwbare opmetingen. Daarna bleef alleen nog de vraag over naar een billijke aanslag volgens oppervlakte en produktiviteit.
En die vraag werd ernstig bekeken, want het ging om de voornaamste directe belasting, geheven van de Indonesische boer uit diens landarbeid.

Alberts – Een kolonie, 38

[Jakarta 7 – Japan] 

In 1899 werden de in Indië woonachtige Japanners voor de wet gelijkgesteld met Europeanen. Op aandringen van Tokyo. Daar vonden ze, dat hun landgenoten van een beter soort waren dan al die kerels uit China, Arabia felix, Malakka en soortgelijke contreien. De Haagse-Buitenzorgse regering is daar al in 1899 met de zogenaamde Japannerwet voor opzij gegaan: de ingezetenen van Japanse afkomst werden toen gelijk gesteld met Europeanen. Nota bene nog vóór de Azië schokkende overwinning van Japan op Rusland in 1904/’05. Ons Indisch gouvernement van die dagen mag een vooruitziende blik niet worden ontzegd.

Alberts – Een kolonie, 39-41

[Jakarta 5 – Soos] 

De bewoners, ingezetenen van de bestuurshoofdplaats in de provincie, zijn voor het overgrote deel ambtenaren met hun gezinnen. Ambtenaren van allerlei diensten. Het Bestuur natuurlijk voorop, dan Justitie, dan Onderwijs en Volksgezondheid; Landbouw, Veeteelt en Bosbouw meestal in de residentiehoofdplaats. Allemaal in dienst van het Indische gouvernement.
Particulieren waren schaars in de villadorpen der provincie. Mensen, die zelfstandig of in bedrijven, maar in elk geval als particulieren hun brood verdienden, werden gevonden in de paar grote steden (zoals Batavia, Surabaya, Medan) en op de Europees geleide ondernemingen van landbouw, mijnbouw en handel (waarin ook de Chinezen een grote rol speelden).
Maar we hebben het hier verder over de bewoners van een villadorp in de provincie. Kwam onder hen discriminatie voor? Ongetwijfeld. Waar niet? En wanneer niet? We weten nu, in onze dagen, maar al te goed, dat we zonder discriminatie niet kunnen leven. En waarom zou dat een halve eeuw geleden anders zijn geweest?
In het villadorp werden op dat gebied in hoofdzaak normen van Nederlandse oorsprong aangelegd. Financiële normen dus. Normen naar afkomst en deftigheid zouden ook een beetje moeilijk bruikbaar zijn geweest. De toepassing gebeurde niet op een onfatsoenlijke manier en misschien iets reëler dan in Nederland. Of net zo reëel. Ik maak hier een vergelijking tussen twee mij bekende dorpen in Indië en Nederland en twee dito steden. Eerst de dorpen. In Apeldoorn mochten hele en halve notabelen met vrouw en kind lid worden van de tennisclub Daisy na een niet meer dan formele ballotage. In Sumenep [op het eiland Madoera] gebeurde ditzelfde door middel van een ruimhartig goedkeurend knikje van de assistent-resident, die eigenlijk alleen maar wilde horen en zien, dat het zich aanmeldende lid een redelijke partij speelde.
En nu een vergelijking tussen de steden. In Amsterdam was de ballotage van tennisclubs een ernstige zaak. Mij is als voorbeeld het in het Vondelpark spelende Festina genoemd: niet toegankelijk voor Joden, vóór de Tweede Wereldoorlog tenminste. De club, die deze bepaling heeft ontworpen, is daarmee de bezetter voor geweest.
Van tennisclubs in Batavia weet ik niets, maar uit betrouwbare kring heb ik vernomen, dat het lidmaatschap van de Harmonie (Concordia?) niet openstond voor Indonesiërs en hetzelfde gold voor Surabaya met zijn sociëteiten Simpang en Marine. De motieven van die uitsluiting ken ik niet, maar ik heb die wetenschap niet nodig om ze af te keuren als stom, bot en achterlijk. Een fatsoenlijk lidmaatschapsbeleid zou geen toeloop van de Javaanse high society hebben veroorzaakt, want die zocht haar vermaak liever in eigen kring. Maar laat ik er niets meer van zeggen dan bot, bot, bot. In de provincie, in het villapark dus, stelden de Europese bewoners dergelijke regels niet aan hun verkeer buiten de werkuren. Want behalve bot zou dat ook nog idioot zijn geweest. We hadden dan moeten tennissen met onszelf, dus met de assistent-resident en mevrouw, met de administrateur van de Volkscredietbank en met de hoofden van de twee lagere scholen, die geen van beiden een racket konden vasthouden en we zouden als spelers hebben gemist de voorzitter van de Landraad – zeg maar kantonrechter – , mevrouw Landraad en de oudere kinderen, de adjunct-griffier, het hoofd van de klerken van het regentschapskantoor en nog een paar, kortom een stuk of tien uitmuntend en zeer vast spelende Indonesiërs.
Op dat gebied dus bij ons geen discriminatie.

Alberts – Een kolonie, 48-50

[Jakarta 7 – Soendanees] 

Een wereld van belang, dat voormalige Nederlands-Indië. En van belangen, zal men zeggen, maar welke wereld is dat niet?
En ergens mee te vergelijken? Als we dat dan toch proberen, waarom niet met Europa in al zijn onderdelen. Met al zijn inwoners.
Een groot stuk van Sumatra zou dan bewoond kunnen zijn door Fransen, intelligent en nogal hautain. De vergelijking gaat natuurlijk een beetje mank, want de mensen uit de Minangkabau boven Padang en uit de Bataklanden hebben gemiddeld een hoger ontwikkeld verstand en ze zijn in wezen hoffelijker dan de landgenoten van de Parijzenaars.
Waar zitten in Indonesië de Duitsers? Ik ben tot mijn schrik geneigd ze in Oost-Java en op Madura te plaatsen, energiek en onvermoeibaar hun weg banend. En, het dient gezegd, vooral de Madurezen op het eiland zelf, hebben er geen moeite mee hun land en hun regeerders, hun vorsten als zeer bijzondere figuren te zien. Maar gelukkig zonder een overheersersmentaliteit.
De Engelsen? Met de nodige reserves in Midden-Celebes, in de streek, die door Friedericy is beschreven. Landed gentry, die net doen alsof heersen, jagen en vissen hun levensdoelen zijn. Dat zij zich onderwijl van betere makelij achten dan de hen omringende volken, spreekt vanzelf. Vooral beter dan de aan de andere kant van de zee wonende en werkende Makassaren, die wel voor Nederlanders zoude kunnen doorgaan. Want ook die lopen door de woeste zee als door het bos de leeuw.
Nederlanders vinden we ook nog op een heel klein eilandje in het onmetelijke gebied van de Grote Oost: Sapeken, met twee stomme e’s. Het is het dichtstbevolkte stukje grond van het werelddeel, niet groter dan Urk en er wonen meer dan vijftigduizend mensen. Voor het merendeel industriëlen en handelaren. Ze zouten vis in en verkopen die door heel Zuid-Oost-Azië. Als ze daar zin in hadden, zouden ze per hoofd heel wat meer geld kunnen wegblazen dan de aspirant-controleur, die hen eens per half jaar komt onderdrukken door enige beleefde belangstelling te tonen voor hun in- en uitvoerstatistieken.
Goed. We geven nog aan twee Europese naties een plaats in dit werelddeel: de Italianen in West-Java, het land van de kleurige Sundanezen en de vormelijke Spanjaarden in de Vorstenlanden van Surakarta en Djokjakarta. Daarmee is de koek nog lang niet op, maar we laten het erbij.
De talen van het land. Het zijn er heel wat, maar gelukkig is er een omgangstaal, het maleis, hoewel als lingua franca misschien minder verbreid dan soms wordt aangenomen. In een groot deel van Sumatra was het de eigenlijke landstaal, maar op Java spraken vrij veel mensen alleen maar hun eigen Sundanees, Javaans en Madurees, vooral in het binnenland. En in andere binnenlanden waren er weer andere talen. Honderden. Multatuli heeft aan het slot van Max Havelaar gedreigd: ‘Dan zou ik mijn boek vertalen in ’t Maleis, Javaans, Soendanees, Alfoers, Boeginees, Bataks ...’. Hij zou met de laatste drie moeite hebben gehad, want ze waren rond 1860 nog nauwelijks bestudeerd.
Een jaar of twintig later, na de oprichting van de Leidse faculteit voor Indologische wetenschappen kon dat wel. De aanstaande bestuursambtenaren mochten zelf kiezen wat zij wilden: tewerkstelling in of buiten Java en Madura. Wat de talenstudie betrof, maakte dat verschil. Als de kandidaat-ambtenaar naar buiten wilde, kon hij zijn talenstudie wat meer variëren.

Alberts – Een kolonie, 76

[Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 646, 647-648] 

Het was onverstandig van de bezetter de Nederlands-Indische ambtenaren al zo gauw te interneren. Om twee redenen: in de eerste plaats overtraden ze daardoor de desbetreffende bepalingen van het ook door Japan geratificeerde Landoorlogreglement, een schending dus van het volkenrecht, maar dat zal ze waarschijnlijk een zorg zijn geweest.
Bovendien kwam door de verwijdering van een deskundig ambtelijk apparaat de productie en distributie van voedsel, voornamelijk rijst in gevaar. Hierboven is al gezegd, dat de plotselinge en enorme toevloed van krijgsgevangenen en burgergeïnterneerden de bezetter heeft gesteld voor problemen, die hij eenvoudig niet aankon en die een uiterst nadelige invloed hadden op de voedseltoevoer naar de veel te grote kampen en vooral op de voedselsituatie van de Indonesische bevolking. Vooral dit laatste moet zeer schadelijk zijn geweest voor het fraaie beeld van de Grootaziatische welvaartspolitiek.

Alberts – Een kolonie, 99-100

[Cimahi – Bataljon] 

We gingen naar het volgende kamp.
Eigenlijk twee kampen. Het eerste was gevestigd in de voormalige kazerne van het zoveelste Bataljon in Tjimahi, vermoedelijk infanterie. Het tweede heette Baros, waaraan een romeins cijfer was toegevoegd I, II of III. Tussen het Bataljon en de Barossen werd nogal eens uitgewisseld, zegt men. Dat klopt. Overigens was het Bataljon, toen wij daar kwamen een soort verzamelkamp. Verzameld werden geïnterneerden uit andere kampen, voornamelijk in West-Java, maar waarom dit gebeurde, ik zou het zelfs nu nog niet kunnen zeggen.
Het schijnt wel van tevoren bekend te zijn geweest, want toen ik er aankwam, in het Bataljon, trof ik daar mijn oudste broer uit Batavia, die zich als kwartiermaker had aangemeld. In de hoop hier zijn beide andere broers te treffen, want hij had gehoord: in Tjimahi, daar komt zowat iedereen. Dat bleek te kloppen, hoewel iedereen weer wat overdreven was.
Tienduizend man waren er in dit Bataljon. En daar, in Tjimahi begonnen we aan de laatste, ruim anderhalf jaar. De honger kwam nu in al zijn geweld naar voren. Eerst nog in verhalen van anderen, maar al gauw echt en onwezenlijk tegelijk. En de degradatie, die hij op de duur meebracht. Niet voor allemaal, maar wel voor een heleboel. Degradatie in de vorm van een afschuwelijke en belachelijke fixatie. Niet het uitwisselen van recepten. Ik heb er niet aan meegedaan, maar alleen, omdat ik op het stuk van koken nog niet eens over één linkerhand beschik. Maar het moet degenen, die aan dit soort tijdpassering meededen, een zekere verlichting hebben gegeven en dat was al iets. Al teveel verlichting werd het deel van een hoog ambtenaar en tegelijkertijd een groot taalgeleerde, die nog maar voor een enkele zaak belangstelling had: het bijhouden van de nummers van rangorde in elk der achttien barakken, waar de eten uitdelers waren blijven steken bij het uitdelen van een tweede portie van het armzalige eten. Of de scène van het omvallen van een ton met de slijmerige en volslagen calorie loze ochtendpap. De mensen, die op de uitdeling van dat spul stonden te wachten, aarzelden even, misschien twee seconden. Toen storten ze zich met hun lepels op de grijswitte massa, die over het straatje lag. Binnen een minuut was de straat schoon.

Alberts – Een kolonie, 101-102

[Cimahi – Baros] 

Baros was bepaald minder riant dan het Bataljon. De barakken konden geen enkele vergelijking met welk kamp ook doorstaan. Het was vooral vervelend, dat de daken van de barakken waren gefabriceerd van een soort stro of gedroogd gras, dat geheel beantwoordde aan de voorstelling, die een wandluis van het paradijs moet hebben gehad. Ze regenden naar beneden en mijn buurman – die later in Nederland nog eens minister is geweest – was een onvermoeid bestrijder. Hij had vanzelfsprekend gelijk, maar het was soms wat encombrant, als hij elke ochtend zei: ‘Kom buurman, we moeten de planken – waarop we lagen – weer eens uitstampen’. Dan vlogen de luizen weg, maar ze kwamen weer terug.
Maar Baros had een voordeel. Een groot voordeel. Als het in de regentijd niet regende; als er bijvoorbeeld alleen maar ochtendregens vielen, dan was in de voormiddag het uitzicht naar het noorden schitterend. Dan zagen we de uitgedoofde vulkaan, de Tankuban perahu, met zijn wat ingezakte top, en daaronder het bos, waar geen mens te zien was. Geen mens te zien.

Alberts – Een kolonie, 102-104

[Cimahi – Ziekenhuis] 

Het aantal doden in deze kampen was aanzienlijk. Gedurende het laatste half jaar, zo van februari tot augustus – misschien iets korter – beliep het naar vrij betrouwbare schattingen 15 à 18 per dag.
De doodsoorzaken waren honger en daarnaast voornamelijk dysenterie. Een beroerde combinatie. Of misschien juist niet. Want dysenterie verminderde heel vaak de eetlust, dus ook het hongergevoel. Maar ze versnelde aan de andere kant weer het uitteringsproces. En kiezen was er niet bij.
Oedeem als gevolg van honger zou niemand hebben gekozen, want daartegen was geen kruid gewassen. De benen werden wanstaltig dik door waterzucht, op haar beurt veroorzaakt door gebrek aan eiwit. In zo’n stadium zouden de mensen zich ongans kunnen eten – als er zoveel eten was geweest – en dan toch, zelfs sneller zijn gestorven door hartstilstand, veroorzaakt door teveel gewicht, veroorzaakt door waterzucht, veroorzaakt door gebrek aan eiwit. Vandaar dat bouillon, getrokken van ratten, zoveel mogelijk aan zieken werd geserveerd, en het smaakte in mijn herinnering lang niet slecht. [...]
Steeds meer doden. Waar gingen ze dood? In het kamphospitaal zelf of in het hospitaal van Tjimahi (Cimahi)? In het kamp als het onverwacht ging. Ik zelf heb steeds magerder wordend, de paar laatste maanden in het kamphospitaal gelegen. Dat was net zo’n barak als de andere, met net zulke beroerde slaapplaatsen. We lagen wel iets verder uit elkaar.
Het plaatsen van zieken in een aparte kampbarak was bedoeld als isolatie, maar dan wel van een heel bizarre soort. We mochten namelijk op elk uur van de dag en de nacht het eigenlijke kamp inlopen, meestal naar de latrines vanwege de dysenterie, voor mij twaalf maal per etmaal. Ik herinner me nog – ach, waarom moet ik me dat nog herinneren – dat mijn broer een paar gouden voorwerpen in bewaring had genomen van een collega en er een aan mij had gegeven om het risico te delen. Ik bewaarde het ding in mijn hemdzakje zonder knopen en toen ik tijdens een van mijn twee-uurlijkse bezoeken aan de latrine wat te diep bukte, viel het in de plomp. Mijn broer zei naderhand: ‘O, nou ja’, wat hij meestal zei. Noch hij noch de eigenaar waren diep onder de indruk, want dat raakte je toen niet gauw meer.
In het hospitaal binnen het kamp gingen de mensen meestal ’s nachts dood en nog onverwacht bovendien. Wel in een bepaald gedeelte van het etmaal: de vroege ochtenduren. Als je geen geluk had en ook nog aan slapeloosheid leed, kon je het horen aan de laatste adem, wanneer het om een van de buren ging. Die werd dan zo gauw mogelijk weggehaald door de broeders.

Alberts – Een kolonie, 105-106

[Yogyakarta 3 – Seminarie] 

Naar het hospitaal buiten het kamp ging je, als de dokters zeker wisten, dat je het niet meer haalde. De dokters, dat waren natuurlijk ook geïnterneerden, net als de geestelijken van missie en zending en van gewone parochies en gemeenten, voor zover ze Europeanen waren. Ze deden wat ze konden, het was helaas niet veel, maar ze deden het.
Er waren ook nog professoren van de Jezuïetenopleiding voor priesters te Djokja of Malang. Ze gaven tot in het laatste kamp college in de Thomistische filosofie. Hun toehoorders hadden het voordeel van de lege maag, want dan kun je echt beter dan anders moeilijke dingen in je opnemen. Het college was zo helder als glas, maar dan wel van een soort, dat onmiddellijk beslagen raakte en ondoorzichtig werd. Ik begreep alles wat de professor heel langzaam en zeker vertelde, maar tijdens de korte wandeling van de barak naar de mijne, was ik het alweer kwijt. Ik heb een keer tegen hem gezegd: ‘U kunt me niet wijsmaken, dat Javaanse priesterstudenten, die ook nog onze achtergronden van westerse cultuur missen, uw colleges wel begrijpen’. Hij zei alleen maar: ‘Wel na tien maal herhalen’. En nu ik het toch over de Jezuïeten uit Midden-Java heb, het volgende: in het laatste jaar van de oorlog hebben de Japanners aan verschillende hooggeplaatste geïnterneerden een tekst voorgelegd, waarin ze verklaarden goed behandeld te zijn. Ik ben er bijna zeker van, dat daarop flink en moedig is gereageerd. Toevallig weet ik dat van de bisschop van Malang, monseigneur Albers. Hij heeft geantwoord, zeer slecht behandeld te zijn geweest en daarover na afloop van de oorlog zijn beklag te zullen doen bij het Vaticaan.

Alberts – Een kolonie, 106-108

[Cimahi – Ziekenhuis] 

Dokters en geestelijken hebben gedaan wat ze konden en dat was niet veel. Dokters konden je bijvoorbeeld ontraden bepaalde dingen te eten. Dat klinkt onder de omstandigheden idioot, maar het is niettemin waar. Goela djawa bijvoorbeeld, Javaanse suiker; voedzaam, zal men zeggen, energie-verwekkend. Het werd sterk ontraden, omdat het de beroerde uiterlijke en misschien ook wel innerlijke verschijnselen van oedeem scheen te veroorzaken en te bevorderen. Dikke wangen bijvoorbeeld, terwijl de honger je uit de ogen straalde. Een suikerkoppie, zeiden ze dan, hoofdschuddend en waarschuwend, maar niet al te nadrukkelijk. Want al was het gebruik medisch fout, ze begrepen en aanvaarden het. Hoe we overigens aan die suiker kwamen, ik weet het niet meer. Waarschijnlijk heb ik het nooit geweten.
Enfin, de zieken, die uit het kamp gingen om dood te gaan, moesten worden weggedragen. Ze waren tamelijk zwaar als ze aan waterzucht leden en zeer licht, als ze alleen maar waren uitgehongerd. Maar zwaar of licht, de brancards werden door twee geïnterneerden gedragen. Vrijwilligers. Mijn oudste broer, die nogal wat bekenden had onder de Bataviase haute volée, wilde nog wel eens als wegbrenger fungeren en soms werd ik dan door hem geëngageerd als mededrager. Hij liep dan voorop en ik kreeg de achterste handvaten, nadat ik eerst in alle vormen aan de patiënt was voorgesteld. Onder het lopen werd dan een beleefde conversatie gevoerd. Ik heb, toen niet, maar naderhand wel eens gedacht aan het door Busken Huet vermelde verhaal van Sir William Temple over een bezoek aan het sterfbed van de Amsterdamse burgemeester Hendrik Hooft, die zijn bezoek, dat zich uit eerbied had verwijderd, liet terugroepen, zeggende ‘Qu’il avait encore pour une demi-heure de conversation’.
Soms zei er een: ‘Zo, dus u bent een broer van die en die’. Ik zei dan natuurlijk van ja en ik zou nog iets kunnen vertellen over wat ik vóór de internering had gedaan, maar eigenlijk hoopte ik, dat de patiënt door het ritme van het dragen in slaap zou knikkebollen en dat gebeurde gelukkig heel vaak. In elk geval werd niet gesproken over vroeger. En zeker niet over morgen.
Ik heb er een weggebracht op eigen kracht en dat moet al begin augustus zijn geweest. De laatste maand dus, maar dat vermoeden we toen alleen maar. We begonnen wel te denken aan de mogelijkheid van het einde, maar om zo te zeggen op onze tenen. Er liepen natuurlijk geruchten, maar die geloofden we niet. Maar toch.
De man die ik wegbracht, was een oudere collega. Ikzelf droeg niet, want dat ging toen niet meer zo best. Ik liep naast hem. Hij zag er niet uit, dat wil zeggen alleen maar een paar donkere koortsachtige ogen. Ik had eigenlijk niets meer te zeggen, zeker niet over de Tangkuban Perahoe, die hij kon zien, maar ik niet, omdat we in zuidelijke richting liepen. Ik hield dus mijn mond, maar hij niet. Hij zei: ‘Al moet het achterstevoren gaan, ik kom er uit’. Het is hem niet gelukt, zelfs niet achterstevoren’.

Een week daarvoor had ik onder degenen, die het kamp werden uitgedragen om in een apart hospitaal dood te gaan, de assistent-resident Van D. ontdekt. Hij was geweldig helder, al te helder. Hij lachte nog en zei: Al moet ik er achterstevoren doorheen kruipen, ik kom er. We wisten toen, dat het inderdaad een kwestie van weken, misschien wel dagen zou zijn om er te komen. [Alberts – Romans en verhalen, 324-325] 

Alberts – Een kolonie, 108-109

[Cimahi – Hospitaal] 

De laatste maanden, de laatste weken. Er kwamen eindelijk geruchten binnen, die indruk maakten, zelfs op de sombersten onder de pessimisten; over landingen van Amerikanen op eilanden, waarvan wij, die toch geacht werden iets van Zuid-Oost-Azië af te weten, nooit hadden gehoord.
En tenslotte kwam de bom. De verlossing door de bom. Het mag gruwelijk klinken in de oren van hen, die sindsdien de gevolgen kennen van Hirosjima en Nagasaki en die geen compensatie hadden in de vorm van een bevrijding uit een drieënhalfjarige internering met voor de meesten de dood als snel naderend einde.
Wat wijzelf toen voelden? Opluchting? Zeker. Blijdschap? Nee. Niet, omdat we werden geremd door de verwoestingen in het land van de vijand. Daarvan konden we ons trouwens geen enkele voorstelling maken. Niet, omdat we nu eenmaal weer zouden terugkeren naar onze vooroorlogse tevredenheid. Want het was al tot ons doorgedrongen dat daarvan geen sprake kon zijn. Vrouwen en kinderen in kampen. Familie in Nederland. Vreugde en verdriet.
Het transport naar het hospitaal buiten het kamp ging gewoon door. Maar voortaan was er meer kans op overleven, omdat er meer eten kwam. Niet voor allemaal, maar de kans was er. Aangezien ik er zelf ook werd heengebracht, kon ik het zien en ondervinden. We lagen nu op bedden, ongewend hoog en we moesten oppassen om er niet uit te vallen. Even verderop lag een apotheker, die er beroerd aan toe was, maar nog wel wilde leven. 'Da‘ is nog een ouderwetse’, hoorde ik hem zeggen, toen de ziekenzuster, die we hadden, hem een urinaal bracht. Zijn vrouw kwam de volgende dag en de dag daarna opnieuw, maar toen was het toch te laat. We zagen, hoe de dokter haar opving om het te vertellen. We zagen voor de eerste maal iemand huilen, omdat er een van ons was gestorven.

Alberts – Een kolonie, 111-113

[Jakarta 8 – Tjidengweg] 

De bevrijde geïnterneerden knapten voor het merendeel gelukkig snel op en hun ijver werd daardoor des te groter. Dat klinkt misschien wat overdreven, maar wel begrijpelijk. In het vooroorlogse Nederlands-Indië werd door de Nederlandse ambtenaren en particulieren bijna zonder uitzondering hard gewerkt. En de drang daartoe was na drieëneenhalf jaar gedwongen rust behoorlijk aangescherpt. Ze wilden er dus uit.
En natuurlijk niet alleen om het werk aan de opbouw. Hun vrouwen en kinderen kwamen in de eerste plaats. Het was bovendien tot de meeste mannen doorgedrongen, dat hun vrouwen, vooral als ze de zorg hadden voor jonge kinderen, een veel moeilijker tijd hadden moeten doormaken dan zijzelf. Jonge kinderen, waarvoor ze liever zelf wat meer honger leden, als het mogelijk was geweest. De mannen lieten het dringend verzoek van het geallieerde opperbevel toch vooral in de eigen kampen te blijven voor wat het was en gingen op zoek. Hoe ze dat deden, ik weet het niet. Mijn beide broers waren ineens vertrokken. Van mijn zuster kreeg ik bericht, dat ze het goed maakte. Ikzelf was voorlopig nog hospitaalbewoner.
Hoe zo’n zoektocht naar vrouw en kinderen in zijn werk ging, heb ik pas later van Friedericy gehoord. In zijn geval had een aantal min of meer ontsnapte geïnterneerden zich verenigd om over en weer beveiligd een bezoek te brengen aan een of twee Bataviase vrouwenkampen, waarvan ze wisten, hoopten of vermoedden, dat hun dierbaren het hadden overleefd. Ze reden, staande op vrachtauto’s tot voor een van de toegangen. Ze stonden stil. En nog voor ze naar beneden konden springen, stroomde een bende schreeuwende kinderen op hen af. Wat schreeuwden ze? Pappies, jongens, pappies! Er zijn weer pappies aangekomen!

Alberts – Een kolonie, 114-117

[Cimahi – Hospitaal] 

Verwarring ook in Den Haag, waar de regering in eerste instantie niets te maken wilde hebben met die nationalisten, die zich met de Japanse bezetters hadden geëncanailleerd. Onder geen voorwaarde mocht bijvoorbeeld worden onderhandeld met de tot president van de Indonesische republiek uitgeroepen Sukarno. Verwarring tenslotte over hoe men de houding der Engelsen moest opvatten. Wilden zij ons, hun bondgenoten helpen? Of in de steek laten? Dit onderdeel van de verwarring ging over in wantrouwen. En bovendien wilden we zelf ons gezag herstellen en in elk geval zelf onderhandelen met de Indonesiërs, want dat konden we beter dan de Engelsen. Waarschijnlijk had dat ten dele nog waar kunnen zijn ook. Maar we konden het niet. Want om te onderhandelen over het behoud van je positie, tenminste voor een deel daarvan, is een machtsinstrument nodig en dat bezaten we niet, althans niet volgens de Britten, En daarin hadden zij weer gelijk.
Behalve een machtsinstrument tot onderhandelen hadden we er ook een nodig om onszelf te bewaken, want al was het aantal hooggeplaatsten uit de kampen weggelopen, het overschot moest worden beschermd tegen Indonesiërs, die de bevrijding in zicht zagen. En aangezien we dat zelf niet konden – niet in het eerste stadium tenminste – en de Britten – ook al in eerste instantie – er niemand voor hadden, werd de Japanse wacht aan de poort van ons kamp wel afgelost, maar niet vervangen.
Was die wacht nodig? Bij ons aan het hospitaal, waar ik toen lag en al gauw rondliep, een enkele maal wel en dat was een merkwaardige en eigenlijk droevige ervaring. Op een ochtend of een middag en dat moet begin september ’45 zijn geweest, liep ik door de paden van het hospitaal en zo kwam ik terecht bij de omheining van prikkeldraad in de buurt van de poort. Ik meen, dat die omheining inderdaad van prikkeldraad was, want ik kon er doorheen kijken en zien, wat er op straat gebeurde: op de straat van Tjimahi die via het militair kampement – ons kamp – naar het bijbehorende ziekenhuis liep, het hospitaal waar ik nog zat. Ik zag in de verte, uit de richting van het dorp een tamelijk groot aantal mensen komen. Indonesiërs, toen ik ze van wat dichterbij kon zien. Ze leken me nogal rumoerig en ze waren op de een of andere manier gewapend, maar bijzonder weinig militair. Ze kwamen nog dichterbij en ze werden wat stiller. De Japanse schildwacht, onze bewaker, stond op en liep naar voren. Liep hen een paar stappen tegemoet en bleef staan. De groep bleef ook staan en de schildwacht wenkte een van de mensen uit de voorste rijen. Van gelederen was gelukkig geen sprake. De man, aanvoerder of wat hij was, ging naar voren en kwam tegenover de schildwacht te staan. Hij droeg een bijna tot de voeten reikende sarong en daarboven geen toetoepjasje, maar een soort colbert met revers. Ik zag op een van die revers iets, dat op een onderscheidingsteken leek en toen ik goed keek, wist ik het: een vlaggetje, een rood-wit vlaggetje. De Japanner wees er naar. Hij zei met het afschuwelijke accent als ze maleis praten: Apa itoe? – Wat is dat? Hij wist donders goed wat het was.
De Indonesiër zei: Itoe? Itoe bandéra kita, toean. Dat? Dat is onze vlag, meneer,
De Japanner schudde tamelijk heftig het hoofd. Hij zei: Tida boleh! Dat mag niet! En hij had nog gelijk ook, want de geallieerden, hadden de rood-witte kleuren van de Republiek verboden. Dat wil zeggen, ze mochten in het openbaar niet worden getoond of gedragen.
Nu was deze schildwacht van ons blijkbaar een enorme letterknecht. Of hij had de pest aan Indonesiërs. Of hij was humeurig geworden door de capitulatie. Hoe dan ook, hij wees nog eens op het vlaggetje in de revers, pakte het beet, stak het onverhoeds in de neus van de drager en riep: Ajo! Ajo! Njalah! Vooruit! Vooruit! Opdonderen! Wat ze dan ook deden. Eerst wat langzaam, naderhand vlugger. Ik heb niet kunnen zien wanneer de aanvoerder het vlaggetje weer uit zijn neus haalde.
Ik geloof, dat geen van de andere hospitaalbewoners – er waren er trouwens niet zoveel meer – dit kleine drama heeft gezien. In elk geval heb ik er naderhand door niemand over horen praten en ik heb het zelf ook niet gedaan. Begrijp me goed, we waren heus niet gesteld op het bezoek van Indonesische vrijheidsstrijders en als we dan toch tegen dat soort gevaren moesten worden beschermd, waarom dan niet door een efficiënt optredende Japanner. Want dat waren ze, beroerd genoeg. De groep die ons had bedreigd en die nu zo gedwee de benen nam, dat waren onze mensen. Geweest nu blijkbaar, maar toch onze mensen. En dat gevoel zou ons nog een tijd bijblijven. Het was een beroerde gewaarwording en ik denk, dat mijn hospitaalcollega’s er in het algemeen net zo over hebben gedacht. In elk geval is er naderhand niet over gesproken, tenminste voor zover ik weet.

Alberts – Een kolonie, 122-125

[Jakarta 6 – Monument] 
[Jakarta 7 – Gouvernement] 
[Jakarta 10 – Artsen] 
[Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 976-978] 

We waren dus toen al in het stadium van het tolereren der Republiek, al was bijna niemand daar gelukkig mee. Want wie in die dagen republiek zei, moest ook Sukarno zeggen. Dat kon niet anders sinds deze eerste Indonesische president het had gewaagd ongenodigd aanwezig te zijn op een bespreking van Indonesische voormannen met het hoofd van de Nederland-Indische regering.
Sukarno is nu al twintig jaar dood en wat zal er van hem worden? In de geschiedenis uiteraard. Men kan haast niet anders of wij, de Nederlanders, zullen een aandeel krijgen in de vorming van zijn historisch beeld. Hij is van den beginne af door ons veroordeeld. Eerst in letterlijke betekenis van het woord: drie jaar gevangenis en daarna nog een jaar of tien internering, waaruit hij door de Japanners is bevrijd. Hij heeft vervolgens, net als een heleboel anderen zich afgevraagd of het zou komen tot een definitieve overwinning van de As-mogendheden of van de Geallieerden. Men vertelt, dat hij vrij lang in het eerste heeft geloofd en dat kan best waar zijn. In ieder geval heeft hij de rol gespeeld, die bij zo’n toekomstverwachting paste. Indonesiërs en vooral Javanen zijn geboren redenaars, maar hij was daarnaast een geboren komediespeler van grote klasse.
Als hij zijn volk moest opzetten tegen de vijanden van de voorlopige vrienden en mede-Aziaten, dan ging dat met een allure van superbe kwaliteit. Een kwaliteit, die bovendien een uiterst dubbelzinnig karakter had. Het volk moest in zijn uitspraken geloven en op een bijna ondergrondse manier beseffen, dat het er niet in moest geloven. Flarden van dergelijke gebeurtenissen drongen een enkele maal tot ons kamp door via Japans/Maleise kranten. Dan konden we lezen hoe Sukarno bijvoorbeeld de aanstaande nederlaag van de westerse machten tot een bijna zuiver Indonesische prestatie verhief. Hij riep – want echt op het schorre af schreeuwen deed hij nooit – en sprak zijn vonnis uit over de vijanden van het ogenblik: Amerika, kita strika! Inggris, kita linggis! – Amerika zullen we platstrijken! Engeland zullen we uit zijn voegen lichten! (met een breekijzer). En zijn gehoor juichte om de man en lachte om de onwaarschijnlijkheid van het voornemen.
Men zal hier willen zeggen, dat de Indonesiërs niet altijd om Sukarno hebben gejuicht en gelachen. Hij heeft tijdens de oorlog in Azië tienduizenden landgenoten, dwangarbeiders, romusja’s opgeofferd. Maar ze moeten daarginds, niet hier, uitmaken voor hoeveel Sukarno's nagedachtenis hierdoor moet worden belast.
Wij zouden – dit terzijde – over deze zaak hebben mogen oordelen, als we door de Japanse bezetter in staat waren gesteld datgene te doen, waarvoor we in opdracht van de Nederlandse regering in Londen, op onze bestuursposten hadden moeten blijven: het beschermen van de inheemse bevolking, zoveel als in ons vermogen zou liggen. Maar dat was natuurlijk een onmogelijkheid. Ik zeg niet, dat de eis tot blijven en niet vluchten ons niet had moeten worden gesteld. En we zijn ook niet weggelopen, ook al wisten we, dat we naar alle waarschijnlijkheid niets konden doen. We hadden daar geen Londense opdracht voor nodig. We bleven, ook al wisten we niet dat ons salaris over de bezettingsjaren naderhand zou worden vastgesteld op – ik weet niet meer precies – 31 of 34 cent per dag. Professor Fasseur heeft het uitgerekend, onlangs vermeld en er terecht aan toegevoegd: Nou ja, soedah.
Terug naar Sukarno.
Hij was, zei men, een landverrader. Maar om welk land ging het? Om Nederlands-Indië, waarvan hij het rechtmatig bestaan had ontkend? Om Indonesië, waarmee wij het zelfde hadden gedaan? Ach, het heeft eigenlijk geen zin meer dergelijke verwijtende vragen te stellen. Hij heeft zijn land vrij gemaakt en het zou kunnen, dat de geschiedenis deze daad het zwaarste laat wegen.
En dan nog iets: hij was een tamelijk edelmoedig overwinnaar. Na de soevereiniteitsoverdracht heeft de NV De Nederlandse Regeringen nog een jaar of twaalf een conflict over Nieuw-Guinea slepende gehouden. De zaak ging verloren en we weten, dat onze minister Luns de eigenlijke verliezer was. Nu kan men van deze bewindsman een heleboel zeggen, in het bijzonder over zijn Indonesische politiek – en ik heb het indertijd gedaan in De Groene Amsterdammer – maar hij wist bliksems goed, wat hij van een verloren positie uit moest doen. In dit geval ging hij zo gauw mogelijk na de overdracht van Nieuw Guinea een bezoek brengen aan Sukarno.
Wat er toen gebeurde, moet via een radio-uitzending naar Nederland zijn overgebracht. Het kan ook televisie zijn geweest. In elk geval was de Nederlandse verslaggever zo bijzonder goed, dat ik het in mijn herinnering heb meegemaakt. Dat ging zo.
Sukarno had Luns ontvangen en met hem gesproken. Hij had daarna de een of andere school moeten openen. Maar, aldus de verslaggever, de president kan bij elke gelegenheid, ook de meest verwijderde, over politiek spreken. Hij sprak natuurlijk over het bezoek van de Nederlandse minister. Hij zei: hoe ... eh ... Luns berkata: Indonesia terlááááloe dimadjoekan.
Vertaald, met alle indrukken die het moest geven: Die eh, ach hoe heet de man ook weer, o ja, Luns heeft gezegd Indonesië is gewèèèldig vooruitgegaan.