Alberts – Een kolonie, 39-41

[Jakarta 5 – Soos] 

De bewoners, ingezetenen van de bestuurshoofdplaats in de provincie, zijn voor het overgrote deel ambtenaren met hun gezinnen. Ambtenaren van allerlei diensten. Het Bestuur natuurlijk voorop, dan Justitie, dan Onderwijs en Volksgezondheid; Landbouw, Veeteelt en Bosbouw meestal in de residentiehoofdplaats. Allemaal in dienst van het Indische gouvernement.
Particulieren waren schaars in de villadorpen der provincie. Mensen, die zelfstandig of in bedrijven, maar in elk geval als particulieren hun brood verdienden, werden gevonden in de paar grote steden (zoals Batavia, Surabaya, Medan) en op de Europees geleide ondernemingen van landbouw, mijnbouw en handel (waarin ook de Chinezen een grote rol speelden).
Maar we hebben het hier verder over de bewoners van een villadorp in de provincie. Kwam onder hen discriminatie voor? Ongetwijfeld. Waar niet? En wanneer niet? We weten nu, in onze dagen, maar al te goed, dat we zonder discriminatie niet kunnen leven. En waarom zou dat een halve eeuw geleden anders zijn geweest?
In het villadorp werden op dat gebied in hoofdzaak normen van Nederlandse oorsprong aangelegd. Financiële normen dus. Normen naar afkomst en deftigheid zouden ook een beetje moeilijk bruikbaar zijn geweest. De toepassing gebeurde niet op een onfatsoenlijke manier en misschien iets reëler dan in Nederland. Of net zo reëel. Ik maak hier een vergelijking tussen twee mij bekende dorpen in Indië en Nederland en twee dito steden. Eerst de dorpen. In Apeldoorn mochten hele en halve notabelen met vrouw en kind lid worden van de tennisclub Daisy na een niet meer dan formele ballotage. In Sumenep [op het eiland Madoera] gebeurde ditzelfde door middel van een ruimhartig goedkeurend knikje van de assistent-resident, die eigenlijk alleen maar wilde horen en zien, dat het zich aanmeldende lid een redelijke partij speelde.
En nu een vergelijking tussen de steden. In Amsterdam was de ballotage van tennisclubs een ernstige zaak. Mij is als voorbeeld het in het Vondelpark spelende Festina genoemd: niet toegankelijk voor Joden, vóór de Tweede Wereldoorlog tenminste. De club, die deze bepaling heeft ontworpen, is daarmee de bezetter voor geweest.
Van tennisclubs in Batavia weet ik niets, maar uit betrouwbare kring heb ik vernomen, dat het lidmaatschap van de Harmonie (Concordia?) niet openstond voor Indonesiërs en hetzelfde gold voor Surabaya met zijn sociëteiten Simpang en Marine. De motieven van die uitsluiting ken ik niet, maar ik heb die wetenschap niet nodig om ze af te keuren als stom, bot en achterlijk. Een fatsoenlijk lidmaatschapsbeleid zou geen toeloop van de Javaanse high society hebben veroorzaakt, want die zocht haar vermaak liever in eigen kring. Maar laat ik er niets meer van zeggen dan bot, bot, bot. In de provincie, in het villapark dus, stelden de Europese bewoners dergelijke regels niet aan hun verkeer buiten de werkuren. Want behalve bot zou dat ook nog idioot zijn geweest. We hadden dan moeten tennissen met onszelf, dus met de assistent-resident en mevrouw, met de administrateur van de Volkscredietbank en met de hoofden van de twee lagere scholen, die geen van beiden een racket konden vasthouden en we zouden als spelers hebben gemist de voorzitter van de Landraad – zeg maar kantonrechter – , mevrouw Landraad en de oudere kinderen, de adjunct-griffier, het hoofd van de klerken van het regentschapskantoor en nog een paar, kortom een stuk of tien uitmuntend en zeer vast spelende Indonesiërs.
Op dat gebied dus bij ons geen discriminatie.