Uitgeverij G.A. van Oorschot, Amsterdam 2007
Haast hebben in september (1975) – 1945-1940 of het verloren gaan van een terugkerende zoon, blz. 324-327.

Alberts – Romans en verhalen, 325-326

[Jakarta 9 – Raad van Indië] 

De twaalf, veertien maanden daarvoor hadden we trouwens maar één beeld voor ogen gehad: het beeld van onszelf als in een kamp opgesloten in zijn allereenvoudigste vorm. Er was maar één band, die ons bond. Dat was niet eens Indië, laat staan Holland. Het was een omheining.
Dat was dan de eerste helft van ’45 en vrijwel het hele jaar ’44. In de laatste maanden van ’43 is het ineens anders geweest. Tenminste voor een aantal van ons en voor wat betreft het beeld van Holland. We kregen toen voldoende eten om mager, maar niet ongespierd te blijven. En we waren een kleine groep mensen, die in Holland geboren of er in ieder geval op school gegaan waren. Misschien kwam het alleen door een lid van de Raad van Indië, die vroeger vóór de Eerste Wereldoorlog, in het Nederlands elftal of minstens in het eerste van HVV speelde. Hij vormde een clubje en hij holde heel ernstig als rechtsbuiten langs de lijn. Hij maakte waarachtig nog ruzie met de scheidsrechter ook. En zo dachten we nog wel eens aan een Hollands veld met een matig aantal toeschouwers langs de lijn.
Een incidentele Hollandse opleving dus. In de maanden daarvoor, de flinke middenmoot van ’43, was het helemaal Indië geblazen. En dat kon moeilijk anders, want we zaten er tot onze nek toe in. We moesten op het dak klimmen van het fort, waar we toen ondergebracht waren [Ngawi], om over de djatibomen heen te kunnen kijken om een honderd meter naar het noorden de kali Madioen en de kali Solo te zien samenvloeien. Geen omgeving om Gorkum van ver te laten rijzen. Maar wel rustig. Ze hadden ons er kunnen vergeten zonder dat iemand, wijzelf inbegrepen, er iets van zou hebben gemerkt.
Daarvóór niet. We zaten in ’42 midden in een stad. Weliswaar afgesloten van de mensen en hun huizen om ons heen, maar de mensen zagen we van tijd tot tijd en de huizen konden we er wel bij denken. Indische huizen, Indische mensen in een land, dat bezig was aan zijn nederlaag te wennen.

Alberts – Romans en verhalen, 326-327

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Die nederlaag was voor ons gekomen. Alleen voor ons, zoals we daar woonden en deden. Toen we een beetje erg snel veroverd waren, zeiden we niet, denkend aan Holland: We zijn er ook bij. We zeiden alleen maar: We zijn erbij.
Maar toen we nog buiten de herrie zaten hebben we aan Holland gedacht. In december ’41 bijvoorbeeld toen ze ten behoeve van ons in Londen de oorlog hadden verklaard. We hebben dat heel rustig opgenomen. In de tijd daarvoor trouwens ook. Inzamelingen gehouden voor het aankopen van Spitfires en een gekostumeerd bal voor hulp aan Finland. En we merkten, dat Australië ten zuidoosten van ons lag en dat we daar nauwere betrekkingen mee moesten aanknopen. Dat was nog heel wat, want die Australiërs begonnen altijd hun gesprekken met een opmerking over dat arme Holland, dat door de Duitsers was bezet en dan dachten we: O ja. Dat dachten we in 1940 ook nog wel op eigen kracht, toen we er nog niet aan gewend waren geen brieven meer uit Holland te krijgen. Toen we er nog niet aan waren gewend niet te weten hoe het daarginds met die anderen van ons ging. Hoe die ineens in een leegte waren verdwenen op een dag, toen we hoorden, dat Nederland had gecapituleerd. Toen de assistent-resident en ik vanuit zijn huis, vanuit zijn voorgalerij, waar de radio stond, naar kantoor waren teruggelopen, terwijl we elkaar niet durfden aankijken omdat we elkaars bevende lippen niet wilden zien. Toen ik zo nodig even weg moest gaan om iets te vragen in de kazerne van de veldpolitie en toen mijn voeten over de houten brug bij de weg klotsten, het geluid, waardoor ik ineens de bomen en de huizen en de mensen lijfelijk voor me zag in een land, vanwaar ik een paar dagen tevoren door de een of andere kortegolfzender de laatste klanken had gehoord: Parachutisten geland ...parachutisten geland ...