Zevende druk, uitgeverij De Arbeiderspers, Amsterdam 1992

Bloem – Vaders van betekenis, 56-58

[Jakarta 5 – Capitol] 

De bruiloft van Vicky, Meks jongste zusje, kon niet anders dan desastreus aflopen nadat er al zoveel narigheid aan vooraf was gegaan.
Vicky, die langdurig verloofd was geweest met een Hollandse jongen die vanwege zijn dienstplicht op Java zat en haar voor de bioscoop, bij Sluisbrug op de hoek, toen ze in de rij stond voor Gone with the wind leerde kennen – na vele avondjes uit in de Zwarte Kat, geheime ontmoetingen op het kerkhof, en officiële bezoekjes aan huis werd hij voorgesteld aan oom Boen, Didi, Broer en haar moeder, die elk op hun beurt deze Hollandse kaaskop wilden keuren – en van deze sproetige soldaat de belofte kreeg dat hij haar, zodra ze met haar moeder en broers naar Nederland kwam zou trouwen, keek raar op toen deze Limburger allang verloofd bleek te zijn, en op punt van trouwen stond met een dorpsgenote.
Beschaamd over deze misrekening, vol heimwee naar haar geboorteland, en vol verlangen naar haar drie zusjes die voor het Warna-Negaraschap [warga negara] hadden gekozen en tegen de protesten van Didi in met Indonesische kolonels waren getrouwd, begon Vicky zichzelf de haren uit te trekken totdat tussen haar twee ondeugende kruinen boven op haar hoofd een grote plek verrees. Didi, die deze aanstellerij van zijn zusje niet verdroeg, gaf Broer de opdracht om zijn zusje Vicky ’s nachts, het tijdstip waarop zij zich slapend zowel als wakend verwoed bezighield met het één voor één uittrekken van haar zwarte haren, vast te binden aan haar bed. Vickys haren kregen weer een kans te groeien, maar op een middag vonden Broer en Noesje haar creperend op de vloer van de slaapkamer die Vicky met Broers kinderen deelde omdat ze twintig pijnstillers verorberd had in de hoop voorgoed een einde aan haar heimwee te maken. In het ziekenhuis werd haar maag leeggepompt.
Gedurende de weken die Vicky in het ziekenhuis verbleef werd ze door familieleden, die van heinde en ver moesten komen trouw bezocht. Ook de enige kleinzoon van de in Nederland niet lang na de overdracht overleden oom Boen – Otje, heette deze vaderloze jongen, wiens moeder overigens kort tevoren gestorven was aan kanker – bezocht haar regelmatig omdat hij toevallig in de buurt van het ziekenhuis woonde, en hij zocht troost bij de droevige Vicky.
Vicky werd zwanger, en de hele familie raakte overstuur toen men vernam dat de vader een neef van Vicky was, jonger dan Vicky, een kind eigenlijk nog. Vicky stond er op met deze jongen te trouwen, en Otje zag er evenmin bezwaar in om Vicky te huwen. Didi benaderde echter al zijn Indische kennissen, jong en oud met een mooie foto van Vicky in tenniskostuum in Indië, uit de tijd dat ze nog met die Hollandse jongen verloofd was. Er waren gegadigden, maar wanneer men nader informeerde en van de aspirines en de kale plek op haar hoofd hoorde, schrok men terug, en uiteindelijk kregen Vicky en Otje hun zin. Vicky liet van haar beetje spaargeld een witte bruidsjurk maken waar haar inmiddels ronde buikje uitdagend in naar voren stak. De tantes spraken schande van de witte sluier die Vicky volgens de bruidsmode van dat moment tot op haar middel liet komen. Didi verbood haar in de kerk te trouwen, waar Otje eigenlijk wel problemen mee had, maar men gehoorzaamde.
Omdat Vicky sinds de repatriëring naar Nederland bij Broer in huis woonde (Broer had van allemaal als eerste een huis, de anderen zaten nog lang in pensions, en Nènè woonde bij Broer totdat Didi een flatwoning kreeg toegewezen) besloot men de bruiloft bij hem thuis te vieren. Didi had er bij het bruidspaar op aangedrongen in stilte te trouwen, maar Vicky zei dat ze na al haar ellende recht op een feestje had.
Tijdens de plechtigheid in het gemeentehuis was er niets te merken van de smet die er boven deze bruiloft hing. De toespraak van de ambtenaar was correct. Tante Zus en tante Noesje huilden van ontroering toen Vicky en Otje volmondig ‘ja’ zeiden. Op geen enkele manier was te merken dat Vicky en Otje familie waren. Otje, donker en klein, met zijn Batakkersneus en sterk Aziatische ogen zag er plechtig uit in zijn donkere kostuum. Vicky met haar knalrode lippen, haar bleke door poeder bijna witte huid, haar sprekende groenbruine ogen, haar wipneusje, haar roodgeverfde haren, de lange dunne benen, en haar ondanks het bolle buikje van de achtste maand slanke lichaam, haar Europese lengte – Otje kwam mede door haar naaldhakken slechts tot haar schouder – leek veel meer een Italiaanse dan een Indisch meisje.
‘Gelukkig maar’, fluisterde Zus in Noesjes oor, ‘dat zij hebben niet dezelfde achternaam. Maloe anders, toch ...’
Pas veel later, nadat men de nasi koening gegeten had, er bier en likeur gedronken werd, en Broer de muziekinstrumenten uit de kast gehaald had brak de woede los.

Bloem – Vaders van betekenis, 58-59

[Bandung 1A – Seelig] 

Iedereen in Batavia die de feestjes van oom Boen bijwoonde was gecharmeerd door de vier broers die samen met oom Boen voor prettige krontjongmuziek zorgden. Af en toe, eigenlijk alleen als er onder het gezelschap twee of drie totok Europese echtparen aanwezig waren van wie oom Boen wist dat zij zoiets met hun westerse opvoeding zouden waarderen zei oom Boen tegen Didi: ‘Kom Njo, wij even samen en sonate, ja,’ en dan speelden ze Mozart met zijn tweetjes, oom Boen piano, en Didi natuurlijk op de viool. Didi identificeerde zich sterk met deze componist, en hij genoot ervan dat enkele Hollandse dames hem lacherig ‘de kleine Bataviase Mozart’ noemden.
Behaarder dan zijn broers groeide hem al op zijn veertiende de baard, en op zijn vijftiende behoorde hij zich al om de twee dagen te scheren. Didi liet een strak snorretje staan, en plette zijn haar met brillantine. Op zijn vijftiende was het snorretje niet meer dan een wat merkwaardige schaduw onder zijn voor een Indische jongen tamelijk scherpgevormde neus, maar allengs kreeg de snor meer aanzien, en werd hij door vrienden die zich net als Didi bij de Nationale Jeugdstorm hadden aangemeld gekscherend de Indische Hitler genoemd.
Politiek hield Didi echter niet bezig. Meer nog dan zijn broers was Didi enkel en alleen in muziek geïnteresseerd. Zijn grote wens was op een dag een echte goede viool voor zichzelf te kopen, en om die reden – rijk worden was zijn enige ambitie naast het musiceren – had hij zich voorgenomen te solliciteren voor een baan bij de Piano- en Muziekhandel te Bandoeng. Hij hoopte door zijn schnabbels van optredens op een dag genoeg geld gespaard te hebben om de Duitse eigenaar van deze Muziekhandel een voorstel te doen. Hij wilde er een viool kopen, en zichzelf als leerling-verkoper aanbieden in ruil voor vioolles van de Duitser, die tevens een groot musicus was. Zijn oom Boen moedigde hem hierin aan, en beloofde hem, zodra hij het eerste kapitaal gespaard had de rest voor hem aan te vullen.

Bloem – Vaders van betekenis, 76-77

[Jakarta 9 – Xde Bat.] 

Er was een gekke luitenant, Yamakutsji, een wreedaard. Hij vroeg wie goed piano kon spelen, en ik was meteen haantje de voorste om mijn vinger op te steken. Veel mensen gaven zich op. Je was altijd blij met een verzetje. Je wilt het niet geloven, maar die piano moest door ons versjouwd worden van het ene kamp naar het andere. Alleen sjouwen!
Een Indonesiër had mij verraden dat ik geprobeerd had om in contact te komen met mijn moeder. (Meestal werden we verraden door de Indonesiërs. Toen al hadden ze een hekel aan ons.) Niet alleen ik, maar mijn hele ploeg kreeg toen een pak slaag.
Je kon je ook opgeven voor paardrijden. Wat bleek? De Jappen hadden eigen paarden uit Japan meegenomen en die moesten wij toen voor de Jappen afrijden. We moesten deze rijpaarden leren wennen aan een tuig met een slee. Elke dag, zes maanden lang. Mocht je mij uit die tijd kennen, herinner je je het paard Merah? Hij werd zo gek van het gerinkel van die stalen ringen in het tuig dat hij op hol sloeg. Hij was er vandoor gegaan, het sportveld over, de straat op, uitgegleden, met zijn hoeven tegen een boom gevlogen en gestorven. Merah is met militaire eer begraven. Wij moesten van de Jap wierookstokjes op het graf plaatsen.
De paarden moesten in beweging blijven en dankzij die ritjes kon ik stiekem mijn familie in de stad ontmoeten. Toen ik last van mijn nieren had kon ik van mijn familie koemis koetjing krijgen. Natuurlijk eerst moeten vragen aan de tolk, maar ik kreeg dankzij mijn kennis van de Japanse taal toestemming om mijn familie om koemis koetjing te vragen.
Ze waren niet mis, die Jappen. Ambonezen werden regelmatig doodgeschoten omdat ze gevlucht waren, of op familiebezoek waren gegaan. Iedereen was verplicht te kijken. Dat vond ik het ergste.
Daarna ben ik naar Batavia getransporteerd. Het 10de Bataljon. De dag tevoren bleek mijn vader naar Ambon te zijn getransporteerd. Hem heb ik nooit meer teruggezien.
Bij het 10de Bataljon was die gek. Sonai heet hij. (Altijd als ik SONY zie staan moet ik aan deze gemene kerel denken.) Hij liep op tennisschoenen met de karwats de barakken door. Als je niet slaapt gaat hij slaan. Na de oorlog hebben we deze Sonai om zeep geholpen.
Ik werd afgescheept naar Singapore.

Bloem – Vaders van betekenis, 133-134

[Jakarta 8 – Voedsel] 
[Jakarta 9 – Xde Bat.] 

Een stilte. Ik kan zowel oom Tjok als mijn vader horen ademen.
Mijn vader vervolgde: ‘Tot vier keer toe laat de Jap vuren. Maar die vent blijft staan. Ze kunnen hem niet raken. De Jap wordt kwaad natuurlijk. Hij roept: “Okee, jij niet, maar voor jou vijftig anderen”.
En wat denk je?
Onze commandant praat met mijn vriend. Adoeh, kassian toch, die jongens hebben niets misdaan, en toch moeten zij nu voor jou in de plaats! En dan zegt mijn vriend tegen de Jap, want hij is een goeie, mijn vriend toch: “Goed, ik doe het voor mijn kameraden, maar niet voor jou~”.
Hij vraagt een glas water. Gewoon water, uit de kraan.
Gelokgelokgelok.
Leg het glas.
En dan, betoel, hij bevéélt de Jap: “Kom maar”.
Weer is het stil. Een andere stilte. Uit respect.
‘Jantje heet hij’. Het is de stem van mijn oom Tjok. ‘Een Ambonees. Zijn moeder is van Ambon, en zijn vader is een Indischman, geloof ik. Klees heet die kerel. Zijn vader zit later ook bij mij. Tiende bataljon. Bij die wrede Jap, die Sonai, die na de oorlog veroordeeld is’.
‘Ja, een wrede kerel is dat. Hij heeft jou ook geranseld toch, Tjok. Weet je, hij is christen geworden eerst. Ik heb gehoord van oom Tes. Die Jap had zoveel respect voor de nonnen in het kamp. Hij vroeg hen, toen zat hij allang knijp hoor: “Welk geloof hebben jullie? Dat wil ik ook hebben”. Op zijn verzoek hebben ze hem gedoopt. Maar hij toch veroordeeld natuurlijk. Hij heeft te veel op zijn kerfstok immers. Een wrede vent is die Sonai. Maar voorlopig ... hij is katholiek geworden. Hij heeft toch wel ingezien misschien. Of spijt of zo’.

Bloem – Vaders van betekenis, 135-137

[Bandung 2 – P.W.] 

Dan begint oom Tjok te vertellen: ‘Je hebt er enkele onder onze jongens’, zegt hij, ‘die verzinnen van alles. Die ene kerel, hoe heet hij toch, zo’n magere sladood, een Indische jongen met groene ogen. Hij weet altijd te handelen. Hoe hij eraan komt, je weet het niet. Altijd heeft hij sigaretten, of hij heeft eieren’.
‘Zij zeggen, hij is zo’n halve vrouw, een liefje van de Jappen toch’.
‘Maar dat is niet te bewijzen. Ze zèggen het, maar wie weet het nou. Misschien zijn ze jaloers dat hij altijd eten heeft, en altijd kan ruilen. Toch is hij zo mager ja, na de oorlog heb ik hem gezien, hij is net een wandelend hoe heet het, je ziet die botten. Vel over been. Een lief gezicht. Dat wel. Als van een jong meisje’.
Mijn vader lijkt nu de cassetterecorder uitgezet te hebben, en hem dan dichter bij oom Tjok te hebben neergezet, waarna hij hem opnieuw heeft aangezet. Oom Tjok is beter te verstaan, en begint vlot te vertellen, zonder dat er een vraag van mijn vader nodig is.
‘Ja, veel geslagen ben ik. Ik ben driftig. Ik daag ze altijd uit. Ik wil niet buigen ¹]. Ik ben altijd dwars ik. Waarom moet ik luisteren naar de Jap. Ik wil niet ach. En je hebt er gekken tussen. Ze willen niet dat je zo bent. Ik laat niets merken. Ik geef geen kik’.
‘In Bandoeng, Depotbataljon, jij bent bijna dood toch’.
‘Ze krijgen mij niet kapot immers. Een keer had ik brieven naar huis gesmokkeld. Ik wil weten of Iboe in orde is. En Zus, is alles goed met haar? Ze woonde helemaal in Malang, toen noch. Ik hoor helemaal geen bericht over haar seg. Ongerust natuurlijk. Zit zij al in een kamp? Ik was verliefd toch. En zo raar, Zus en ik, hebben wij afscheid genomen. Ik zit met Zus in de taxi. En je weet hoe zij is. Preuts toch. Ik denk straks schieten de Jappen mij kapot. Wat dan, heb ik geleefd. Ik doe mijn arm om haar heen. Ze laat toe. Dan geef ik haar een zoen. Ze wordt kwaad Zus, ze wil niet. Zij geeft mij een pets in mijn gezicht. Ik schrik. Blauw, mijn wang. Maar ik denk: eigenlijk eind goed al goed. Als zij is zó, ik hoef niet bang zijn. Zij is van mij alleen. Maar ik wil wel weten toch, hoe het met haar is, en met mijn moeder en onze zusjes. Ik stuur brieven. En ik vraag om sigaretten, zeep, om spullen die wij nodig hebben toch. Maar die Jap, zij hebben hun spionnen overal. Ze hebben mijn brieven onderschept en ik moet, kleren uit, over de sjoeibak heen. Met baseballstok gaan zij tekeer. En die ene Jap slaat zijn klomp tegen mijn hoofd’.
‘Ja, ik heb gezien. We moeten kijken. Allemaal. Verplicht. Die keer, jij was bewusteloos. Ze stoppen, als zij zien jij bent knockout’
Het is een tijdje stil. Er wordt kroepoek gegeten. Niet zonder smakken. Zowel oom Tjok als mijn vader kan er wat van. Ik moet grinniken om hun taaltje. Als ze samen over vroeger vertellen spreken ze petjok. Zodra er Hollanders in de buurt waren deed mijn vader altijd zijn best om keurig Nederlands te spreken, wat hem moeite kostte, vooral de g en de h kon hij, als hij snel sprak, niet uitspreken zoals het hoorde. Waarschijnlijk zei hij daarom nooit veel als er Hollanders op bezoek waren. Men vond hem een wat stugge, weinig toeschietelijke man. Dat hoor ik nog wel eens van mensen die hem een keer op een officiële gelegenheid meemaken, van Hollanders die geprobeerd hebben een praatje met hem aan te knopen. Terwijl hij honderd uit praat als we, zoals mijn moeder dat zegt, ‘onder elkaar zijn’, en hij de zinnen zonder controle over zijn lippen kan laten rollen.
‘Die ene keer maar niet vertellen ach. Te erg’. Oom Tjok praat zacht.
‘Nee juist wel’. Mijn vaders stem klinkt aanmoedigend. ‘Zij wil alles weten, mijn dochter’.
Hier zet ik de recorder stop en spoel ik het bandje een stukje terug om mijn vaders opmerking opnieuw te horen.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Zij wil alles weten, mijn dochter.
Ik laat het mijn vader zeven keer herhalen.
¹] ‘Een Japanner buigt bij ieder contact met een ander. Hij buigt voor het altaar bij zijn bezoek aan een shinto- of boeddhistische tempel, hij buigt voor het portret van de keizer. Bij een ontmoeting op straat buigt hij vele malen, vooral de vrouwen doen dit. Een Japanner buigt bij alles, waarvoor hij “dank u” moet zeggen of waarvoor hij zich verontschuldigen moet. [Leven op de rand, 116-117, 391] 

Bloem – Vaders van betekenis, 171-172

[Jakarta 2 – Coen] 

‘Vertel maar niet, Tjok’.
‘Wat toch niet vertellen, Mek’.
‘Van die deze op jouw borst. Niet vertellen maar, aan Raya’.
‘Wat bedoel je?’.
‘Van die hier. In Adek-kamp’.
‘Oh, je bedoelt die gebeurtenis dat jij ...’
‘Niet vertellen maar ach, te erg misschien’.

Juist toen ik me afvroeg of het idee van de Indische vader die voortleeft misschien niet opging, ontdekte ik dat de foto’s, reprodukties, en zwart-witdia’s, hier voor mij op de bamboetafel, eerder wijzen op het mogelijke bestaan van iemand als Boudewijn van Smeir, dan dat ze het idee ontkrachten. Een aantal spullen uit de plastic tas dicteren mij zelfs de levensloop van Boudewijn van Smeir, de bastaardzoon van gouverneur-generaal Van Riemsdijk, die waarschijnlijk ergens eind 1775 geboren werd.
Enkele portretten, reprodukties van schilderijen, soms voorzien van een tekst, zijn ongenummerd, en veelal voorzien van een gedrukte tekst.
Jan Pieterszoon Coen, de stichter van Batavia, met één hand in de zij, een houding die door de Javaan (en daarmee ook door mijn familie en mijzelf en als gevolg van mijn opvoeding tevens door mijn twee zonen) als onbeschoft wordt ervaren, lijkt zich bewust te zijn van het getypte onderschrift: 1619-1623. De man die door zijn genie en ver vooruitziende geest den grondslag wist te leggen voor het koloniaal bezit van Nederland.
Deze man met de grote witte kraag, zijn goud geborduurde kleding, zijn linkerhand die een degen of een zwaard omklemt, legde dus, hoogstwaarschijnlijk nietsvermoedend, de grondslag voor het leven van Boudewijn van Smeir.
Voor mij ligt ook een foto van een nauwkeurig getekende plattegrond van Batavia omstreeks 1628, die aangeeft dat de stad toen niet meer was dan een kasteel en een fort langs de rivier de Tjiliwoeng, omringd door moeras, zee en oerwoud, *] en daaraan met een paperclip bevestigd zit een reproduktie van een pentekening van de stad met de afbeelding van kettinggangers die een vat voortslepen en Europeanen die, naar mijn idee, met een teveel aan dikke kleding rondstappen tussen ruiters die de orde lijken te bewaken.
Het verbaast me dat het zo lang duurde voordat de Europeanen hun westerse kleding aan het tropische klimaat aanpasten. Ook meer dan honderd jaar later zie ik op afbeeldingen van gouverneurs-generaal de fluwelen jasjes, de vele lagen kleding alsof ze daarmee poogden hun passies in toom te houden. Een rijkelijk contrast met een portret van een Javaanse. Er is geen naam, geen onderschrift bij dit mooie jonge meisje, de borsten onbedekt, die bezig is koffie te plukken. Aan de wijze waarop ze haar hand bij de tak houdt is te zien dat ze niet werkelijk koffie plukt, maar voor de Europese schilder waarschijnlijk al uren onbeweeglijk in de hete zon poseert. Toch lacht ze haar tanden bloot. Dit nog jonge meisje, misschien veertien, vijftien jaar, was vast niet weggelegd voor Boudewijn van Smeir, maar het is mogelijk dat zijn vader, Van Riemsdijk, als gouverneur-generaal haar ondanks zijn huwelijk niet kon weerstaan, en het meisje hem, gewillig of niet, gehoorzaamde.
*] [Oud Batavia I, 46-47] 

Bloem – Vaders van betekenis, 172-173

[Jakarta 7 – Pasar Gambir] 

Het is een hete broeierige dag. Gekleed in slechts mijn zwempak zit ik zoals altijd aan de bamboetafel. Mijn bezwete arm kleeft aan de tafel. Het zwempak zou ik graag uittrekken, maar het zou Made en Ketut ongetwijfeld storen. Hoewel de Balinese vrouwen nog niet zo heel lang geleden met ontblote borsten liepen, getuigt het nu van een gebrek aan respect voor de mensen om je heen als je je bovenlichaam in het bijzijn van anderen niet keurig bedekt.
Ze schuifelen om mij heen. Made snoeit de struiken. Ketut veegt, rust uit, en veegt weer. Ik hoor haar achter mij. ‘k Voel haar ogen. Ik denk dat ze mij van achteren bekijkt. Misschien vraagt ze zich af wat ik met die oude foto’s doe. Waarom ik ze zo aandachtig bekijk, en dan haastig begin te schrijven.
Meestal begin ik de dag met wat gebabbel in de keuken over haar familie, en wat ze de vorige avond gedaan heeft. Haar vader maakt prachtige vliegers van soms een meter hoog en drie meter lang, en alle kampongkinderen volgen hem juichend naar de sawa’s als ze op het eind van de middag gaan vliegeren. Er worden onderling regelmatig vliegerwedstrijden gehouden. En Ketut vertelde mij dat ze de grote drie meter lange vlieger verbranden als hij de lucht in is geweest. Dat hoort nu eenmaal zo. Als ik zeg dat ik dat jammer vind, omdat ik de vlieger graag nog bewonderd zou hebben haalt ze haar schouders op, en zegt: ‘Adatnja’. Ze gaat vrij regelmatig met haar vriendinnetje naar de bioscoop. Indonesische films, die ze mij dan met een glunderende blik navertelt. Mijn Indonesisch is te slecht om het verhaal in de details te volgen, maar ik geniet van haar gezicht en haar ogen die meepraten. Ze neemt altijd een grote zakdoek mee, zegt ze, en als de zakdoek na afloop goed nat is, is het een goede film geweest.

Bloem – Vaders van betekenis, 173-174

[Jakarta 3 – Portugese Kerk] 

Vandaag had ik niet de rust om te praten. Ik nam onmiddellijk plaats aan tafel, want in mijn bed had ik vluchtig naar de foto’s en de zwart-witdia’s gekeken en plotseling beseft, dat dit geen toeval kon zijn. De dia’s genummerd, beginnen bijna precies bij de geboorte van Boudewijn van Smeir.
De Portugese Buitenkerk. Ik zie het interieur van de kerk. Boudewijns moeder, een Mardijkse prostituee die een Javaanse moeder had zoals de koffieplukster van de reproduktie, en een zwerversachtige Mardijkse vader, afstammeling van de Portugezen die zich met Aziaten hadden vermengd, die als aantrekkelijke muzikale man waarschijnlijk bij veel meer vrouwen dan alleen bij die mooie Javaanse kinderen had gemaakt, was ondanks of juist door haar zondig beroep zeer gelovig.
Toch was het vooral de wens van Van Riemsdijk dat zijn bastaardzoon goed gedoopt zou worden. Na de doopplechtigheid in de Buitenkerk, die vroeger katholiek was, maar sinds de verovering door Jan Pieterszoon Coen van Jacatra protestant, *] liet hij de moeder het kind afnemen en werd Boudewijn door Van Riemsdijks Chinese pleegouders opgevoed.
Lars Amis, de prostituee, was blij dat zij niet langer door een kind gehinderd werd, en deed geen enkele poging de verblijfplaats van haar zoon te achterhalen. Boudewijn had zijn moeder nooit gezien, en zijn vader slechts een aantal keren zonder te weten dat die man met zijn fluwelen jas, de dikke kousen en gegespte schoenen zijn vader was.
*] [Oud Batavia I, 304-305] 

Bloem – Vaders van betekenis, 174-175

[Jakarta 2 – Tijgersgracht] 

Van Riemsdijk, die gedurende twee jaar gouverneur-generaal was, schreef zijn Hollandse zoon vol trots over het prachtige huis waarin hij woonde: ‘... wat nu mijn woonhuys op de Tijgersgracht betreft, hetzelfde staat op de beste plaats van de gragt, die aan weerskanten met canarye boomen, die seer dight en hoog groeijen beplant is, en jaarlijks even als de lindeboomen in de palamasiebaan gesnoeyt werden. Voor het huys, agter de canarye boomen staat een groot speelhuys, van boven met blauw geverwde cherappen of plankjes, even eens als de lijen in ’t vaderland, gedekt en op palen over de tijgersgragt, al waar de menschen die mijn spreken moeten, haar verblijf nemen.
Het huys is heel breed, de zijkamer (de ontvangkamer) voor aan de weg is zoo groot dat daar in wel veertig mejuffrouwen konnen geplaatst werden; met Engelsche schuyfraamen, en de vloer van zwarte en witte marmere steenen, een breede gang naast de kamer, meede met een schuyfraam, en dan komt de galerije of het binnenvertrek, die zij ligt ontfangt van een groote plaats, met twee deuren en vijf schuyframen, de vloer van blauwe arduyne steenen die honderden jaren goed blijven, voorts een kelderkamer met vijf trappen opgaande, die in de 40 voeten lang en circa 30 voeten breed is, wijders een gemakkelijke trap naar boven, daar men van vooren aan de weg een kamer heeft soo groot als de kelderkamer en een kleenderkamer daarnevens, sijnde agter die twee kamers een buyten gaanderije, soo lang als het huys breed is, en dertig voeten wijd, van boven met planken beschooten en pannen gedekt, en in de groote bovenkamer een deur, waardoor men na de gaanderije gaat, de kelder is soo groot en breet als de opkamer, en de vloer van zarksteenen, uyt het huys gaande na agteren, vindt men een gaanderije soo groot als de bovenste, op houten gedraaijde pylaren twee aan twee, kerkwerk, vervolgens een considerable groote plaats, in het midden open, dog aan wedersijden bebouwt met een ruyme kombuys of keuken, een gemakhuys, en verscheyde andere gebouwen, wijders de kombuys voor de slaven en diverse vertrekken, alle met een boven verdieping en woningen voor de slaven, en agter twee wagenhuysen en paardestallen, alwaar thans twintig fraaye koetspaarden, geappelde, kastangebruyne en swarte op stal staan, daaronder drie spannen, van vier paarden; en drie koetsen met glasen, waarvan een uyt het vaderland gekomen is, een Engelse koets, met gaas in steede van glas, drie wagens als berlijns, voor vier menschen, een fayeton, vier charetten en twee chaisen, bestaande het volk in een Europeese koetsier, twee Europese oppassers en een Europese kok, mitsgaders twee honderd mans en vrouwen slaven en haar kinderen, nog sijn in de thuynen zes paarden, die daar altoos blijven, en drie chaisen, en eenige karren en boerewagens, als meede verscheyde jagtjes en roeyschuyten om van de eene na de andere plaats te komen en laatstelijk een groot veehok, wel voorzien van kalkoenen, cappoenen, hoenders, eenden en duyven, waar bij sig de assurante huysmussen, die hier net zijn als in ’t vaderland, meede in menigte gevoegd hebben’.

Bloem – Vaders van betekenis, 218-220

[Jakarta 9 – Xde Bat.] 

Schriftje 4.
In het begin van de bezetting heb ik het geluk met mijn vrienden in hetzelfde kamp te verblijven. In het Adekkamp, het eerste kamp, een burgerkamp waar we geïnterneerd zitten, slapen we op een tikar. Daar krijg ik ruzie met de Jap omdat wij ons moeten laten kaalscheren, en ik ontdek dat mijn oom, die burger is, ook wordt opgeroepen om zich kaal te laten scheren.
‘Dat klopt niet’, zeg ik, ‘mijn oom hoeft niet, hij is burger’.
Ik krijg een tik van die Jap. ‘De Jap maakt nooit fouten’, zegt hij tegen mij. Maar later blijkt dat mijn oom toch niet mee hoeft. Hij heeft de zelfde voorletters als ik, daarom hebben zij zich vergist.
Dan weet ik al dat ik op mijn hoede moet zijn.
In het begin weet je niet hoe lang het zal duren. Je maakt een praatje hier, een praatje daar. Altijd heb je het over de oorlog. Je denkt: misschien zijn de geallieerden al hier, misschien al daar.
Ik geef mij op als ze mensen nodig hebben om te werken. Ik wil iets nieuws. In de ochtend eten we pap, in de middag ook pap, en in de avond een kommetje rijst met sajoer van kankoeng of postelein en soms een heel klein visje.
Het tweede kamp waar ik heen wordt gebracht, is een krijgsgevangenenkamp in Bandoeng waar ik ongeveer acht maanden zit. Daar eet ik in de ochtend pap, in de middag maïsbrood, en in de avond niet veel soeps natuurlijk.
Het derde kamp, het tiende bataljonkamp, is weer zoiets. Hier hebben we geen muziekinstrumenten meer, zoals in het begin, toen we nog een gitaar, een ukelele en een zelfgemaakte bas (van zo’n kistje maken we die dingen altijd) hadden.
Op een dag moeten we op een rij, broek naar beneden, vooroverstaan, en stopt een Japanse arts één voor één bij ons een bamboe-pen in ons achterwerk. Als er bloed aan zit ben je afgekeurd. Ik ben blij dat ik geen dysenterie heb, en mee mag. Ik wil altijd mee als er iets nieuws is.
We moeten lopen naar het station Senen. Degenen die niet verder kunnen omdat ze te moe zijn moeten hun spullen achterlaten, maar doorlopen moet. Ik heb een beetje kleding in een doek geknoopt, en de doek aan een stok.
De treinen waar we in moeten zijn geblindeerd, en de trein is overvol. Bij Priok moeten we er weer uit. Van het station moeten we naar de haven lopen, en daar worden we ingescheept.
Als je de eerste bent ga je het ruim in. En anders kom je op het dek terecht. We weten niet waar we naar toe gaan, maar een van de Jappen had gezegd: ‘Jullie gaan naar een koud land’.
Een van de krijgsgevangenen springt van de boot als we uitvaren. Hij probeert de kust te bereiken, maar een motorbootje achtervolgt hem, en hij wordt in een cel apart opgesloten.
Als we op volle zee zijn breekt er brand uit in de achtersteven. In een van de ransels. Alle ransels worden terstond in zee gegooid.
Na drie dagen, na het avondeten zit ik op het dek. Het is vol. Mijn oom, die ook aan boord is als krijgsgevangene, zegt: ‘wees maar voorzichtig, blijf maar bij mij.’
‘Nee oom’, zeg ik, ‘ik heb daar een plaatsje bij mijn vriend’. Ik wijs naar mijn vriend Jong Trompet. Ik ga terug en ben weer bij mijn vriend. Het is overvol op het dek, en er is weinig plek.
Ik hoor een ontploffing, en ik zie een Jap de lucht in vliegen. Er breekt paniek los. Ook de Jap is in paniek. Een Ambonese KNIL-officier roept dat er alleen maar een ketel gesprongen is, maar er klinkt een tweede torpedoschot. Er worden dieptebommen gegooid.
Eerst denk ik: gelukkig, we worden gered. Want daar denk je altijd aan, dat je gered gaat worden. Maar ik vind het toch wel gek. Waarom gaan ze ons torpederen als ze ons redden?
Alles wat los zit drijft al op het water. Olie en kisten op zee.
Ik pieker wat ik moet doen. Ik kan immers niet zwemmen. Mijn vriend, Jong Trompet, die ook niet kan zwemmen, zegt: ‘Kom mee, daar boven zijn reddingboten’. Jappen zijn bezig ze los te maken. Jong klimt omhoog, wil naar zo’n reddingsboot, maar krijgt een slag met de bijl van de Jap, en valt in het water. Ik zie hem vallen. Op dat moment sta ik nog bij de reling.
Zoveel geschreeuw om mij heen. Dan hoor ik plotseling een stem, als niet van hier: ‘Lex, spring maar in zee, je wordt gered’.
Ik laat mij heel rustig via de buitenboord-w.c.’tjes langs de reling zakken, de zee in. Als mijn voeten het water raken drijft er precies een kist voorbij, en ik grijp hem vast. Ik ben de eerste die mij hieraan drijvende houd, en ik gebruik mijn armen als roeispanen om zover mogelijk van het schip weg te drijven. Daarna volgen er nog elf krijgsgevangenen. Als we met twaalf man aan het vlot hangen komt er een dertiende, een Engelsman. Hij telt: ‘One, two, three, four ...’ Enzovoorts. Hij wil niet. Ik weet niet of hij het redt. Een oude man vraagt mij te bidden.
Ik zie romoesha’s als wespen in een reusachtig wespennest aan de bovenkant van het schip. Het ziet zwart van de mensen. Ik zie het schip in tweeën splijten en vervolgens zinken.
Een van de oudere heren van het vlot, ik ben namelijk de jongste, dat zie ik met één oogopslag, zegt dat we moeten proberen met de stroom mee langs de gezonken schuit te komen.
Kou voel je niet. Het ergste zijn de stemmen in het donker.
Tolong’.
‘Mama’.
‘Papa’.
‘Help me’.