Weten en geweten in de reclame, ook onder de gordel van smaragd
door Drs. P, Tiebosch Uitgeversmaatschappij bv, Amsterdam 1978.

Nieuw!, 78-79

[Jakarta 5 – Soos] 

Vaak hoor je over de verwarring en ontworteling van hen die plotseling in de Tropen belanden. Ik had over de opvang niets te klagen. Zelfs liepen er studievriendjes rond, waaronder een jaar- en zelfs ook een jaarclubgenoot, en enkele dierbare vrienden uit de Rotterdamse burgerij.
Alsof dat niet genoeg was, werd ik op uitnodiging en kosten van het bedrijf ook nog lid van de Sportclub en de Jachtclub. De Sportclub deed aan sport en de Jachtclub aan varen en zwemmen.
Een of hoogstens twee keer heb ik gebruik gemaakt van mijn lidmaatschap, toen had ik het wel gezien. Temeer daar de directie al spoedig tot het inzicht kwam dat ik eigenlijk in de Harmonie thuishoorde. Weliswaar was ik nog maar junior manager, maar ik had doctoraal gedaan; ik was dus een geleerde. Na een babbeltje met de secretaris werd ik voorgehangen en aangenomen.
Nu, in de Harmonie kwam ik graag. Ik raakte verslingerd aan de Amerikaanse biljarts. Gewoon biljart, met drie ballen, was me allang bekend, maar pool speel je op een onmetelijk laken met zes keurige gaten in de randen – een per hoek, en een in het midden van elke lange zijkant.
Er treden 15 gekleurde ballen in op, die bij het begin van het spel een gelijkzijdige driehoek helemaal opvullen. Ze liggen dan midden tussen de lange banden op een vaste plek.
Als alle gekleurde ballen (waarde 1 punt) door toedoen van de stootbal in de gaten zijn beland, komen de witte ballen eraan te pas, genummerd 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 12 en 20 – als ik het goed onthouden heb.
Nu ja, ik zal het niet te breedvoerig maken. Het komt erop neer dat je meer kans op boffen hebt dan bij een Europees biljart, dat er tevens ruim gelegenheid is voor vermakelijke pech en stommiteiten, dat je alles bij elkaar heel wat plezier beleeft.
Het is dus een erg sociaal spel, waarin je desgewenst ook nog bedrevenheid kunt ontwikkelen: we hadden een jaarlijks clubtoernooi.
Lunchen en borrelen waren ook plezierige handelingen. Je zat met vrienden (geheel naar keuze) in schommelstoelen, en het was er ruim, koel en beschaafd gezellig.
De Harmonie mocht dan wel deftig zijn, stijf en intolerant ging het er niet toe. Niet meer, moet ik misschien zeggen. Moest ik me tot één woord beperken, dan was het behaaglijk. Tot mijn zoetste herinneringen aan Indonesië behoort het beeld van zo’n party: de tuin, de milde avondlucht, de vorstelijke sterrenhemel, de welgemanierde ritseling der palmen, het sfeervolle gerabarber der gasten, de drankjes en dit alles besprenkeld met salonmuziek van een archaïsch strijkje – muzikanten die in een vorig tijdperk hier uit Midden-Europa waren aangespoeld.

Nieuw!, 97-98

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Om op kranten terug te komen, de Maleische mochten op een gegeven moment het land niet meer in, daar ze vervelend waren tegen Sukarno. Zo heeft het weekblad TIME hem ook eens op de ziel getrapt, die zetelde onder meer in zijn tenen. TIME had hem uitverkoren voor een cover story, en dat nummer werd met veel nadrukkelijkheid aangekondigd in de Indonesische pers. Maar toen het er was, zag hij dat het artikel hem niet spaarde. Ik was geabonneerd en kreeg het blad compleet in de bus, maar de losse kopers – er waren extra veel exemplaren geïmporteerd – moesten eerst een paar dagen wachten en kregen daarna een nummer met zijn portret buitenop en geen cover story er in, want die was door overheidspersoneel uit de hele partij gehaald.
Nog een anecdote. Sukarno had voor zijn paleis een grote kaart van Indonesië laten maken; geen gewone van papier of zo, maar een luxekaart. De eilanden waren dun goud, en zodanig tegen een verticaal fond bevestigd (blauw of zwart misschien wel) dat ze schijnbaar zweefden. Ziet u het voor u?
Op een dag kwam hij weer langs en bleef hij staan om het trots te bekijken.
En toen merkte hij dat de kaart aardrijkskundig veel te wensen overliet. Allerlei uitsteeksels ontbraken, eilanden hadden een verdacht strakke kustlijn en waren in feite allemaal te klein weergegeven.
Woedend belde hij de firma Begeer op, en deze stuurde verbaasd maar schielijk een man naar het paleis. De man zag het tableau en zei: ‘Maar zó hebben wij het niet afgeleverd. Onze kaart was precies goed, ik kan u de tekeningen laten zien.’
Paleismensen hadden in onbewaakte ogenblikken stukjes Java, Madura enz. afgeknipt, want goud is een hoop waard, ook als het een landtong of zoiets voorstelt.

Nieuw!, 156-157

[Jakarta 5 – Sociëteit de Harmonie] 

Wat verder kwam dan het Koningsplein. Hè, wat? Ja, ik bedoel natuurlijk Medan Merdeka, het uitgestrekte veld waaraan het Paleis lag, en het Museum, en een middelbare school, een bedroefd hotel en nog veel meer, en dat algemeen bekend stond onder de oude naam Koningsplein. Zo handhaafden zich ook de namen Molenvliet en Harmonie in het spraakgebruik, en droeg het vermaaksterrein Prinsenpark zelfs dat opschrift nog.
Nu volgde een korte straat, die helemaal binnenstad was geen tuinen voor de gevels maar trottoirs. Je had op de hoek het Britse Consulaat (dit dan nog wél met een soort veldje), verderop links een hotel met nog een restaurant van glorie, namelijk een rij magnifieke koningspalmen, waarna men de blik weer naar rechts moest wenden om de aloude Sociëteit De Harmonie (later Djakarta Club) te zien.
De Harmonie – wat een begrip! Eertijds een vesting van koloniale vrijetijdsbesteding: dure bals en andere feesten, het luidruchtige verkwisten van hoge salarissen, althans een percentage daarvan, het dartel schieten op voorbijkomende Chinezen als je de verhalen mocht geloven, streng gesloten kringen van maatschappelijk gelijkwaardigen ... een legendarisch, flamboyant verleden. Toen ik aankwam, in 1954, trof men er geen kastenstelsel en ook geen excessen aan. Wel een redelijke selectiviteit – anderen konden terecht bij de Sportclub en de Jachtclub – met bijbehorend comfort. De Amerikaanse biljarts bijvoorbeeld! Plaatsgebrek maakt mij onmogelijk etc. Al spoedig zat ik in een trouw spelersgroepje, met twee Javanen en een Nederlander. In die tijd schreef de publiciteitskwast Willem Oltmans dat Indonesiërs er niet binnen durfden. En de feestelijke avonden! Plaatsgebrek kan me niet weerhouden. Stel u voor: een royale tuin met palmen, struikage en zo meer, een bijna tastbaar heldere sterrenhemel, salonmuziek door een strijkje van Midden-Europeanen, hierheen uitgeweken in de jaren ’20, vrolijk gewoel, scherts, dans en consumptie in tropische, dus niet hinderlijke uitgaanskleding – maar goed, het is nu tegen zessen in de ochtend, we zijn de Harmonie gepasseerd en komen dus op Molenvliet terecht.

Nieuw! 157-158

[Jakarta 3 – Pantjoeran] 

[Molenvliet] Dat is een vrij vervelend kanaal, maar de weg ernaast is nu eenmaal de route naar de benedenstad. Als u even naar links wilt kijken: dat is het vermaarde Hotel des Indes. Het gaat een dubieuze toekomst tegemoet. En rechts van ons baden inheemsen in de Molenvliet, waar weer andere inheemsen hun behoeften in doen, of de was. Dat heeft u goed geobserveerd, meneer. Wij kijken daar niet meer van op. Bovendien moeten we terdege op de navigatie letten, want het is hier zelfs nu al druk.
Weggebruikers in Djakarta: personen- en vrachtauto’s, een tram, ossenkarren, rijwielen, ontelbare fietstaxi’s, ondefinieerbare voertuigen (geduwd door lieden of getrokken door paarden), voetgangers met of zonder bamboestaven, honden, katten en andere onbeheerde dieren.
Aan het eind van Molenvliet lag de statige Chinese Ambassade en begon de Chinezenwijk. De verkeersdichtheid werd ongeloofwaardig. Wat me van Glodok vooral bijstaat is fietstaxi’s bedolven onder kinderen die met ernstige zwarte oogjes rondkeken op weg naar school; winkels en stalletjes en kramen; de lucht van gedroogde vis; een krankzinnige die midden op straat placht te zitten en onvermoeibaar tierde; flarden Chinese opera uit luidsprekers; en niet te vergeten de maaltijden in de Rode Tafeltjes en andere fabuleuze restaurants.