Door Dr. L. de Jong, SDU Uitgeverij, ’s-Gravenhage 1969-1988.

Deel 11b.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 192-193

[Jakarta 7 – Gouvernement] 
[Jakarta 7 – Koninklijke] 

Dat zinde Imamoera niet. Hij was geen scherpslijper en hij werd door zijn onwetendheid ten aanzien van Indische verhoudingen eerder gestimuleerd tot voorzichtig dan tot kras optreden. Hij was nooit in Indië geweest, had er maar een geringe kennis van, verstond geen woord Maleis en wist van de Indonesische nationalistische beweging die een elite van ontwikkelden was gaan omvatten en steun ontving van een aanzienlijk deel van de inheemse bevolking, nauwelijks iets af, al had hij daaromtrent, naar wij aannemen, enige voorlichting ontvangen van de enige Indonesische adviseur die zich bij hem bevond: Raden mr. Soedjono, lid van de Parindra die in Tokio docent voor het Maleis was geweest aan de School voor Vreemde Talen. Hij, Imamoera, wenste met terughoudendheid op te treden. Het kostte zijn officieren moeite, hem er van te overtuigen dat hij in Batavia zijn intrek moest nemen in het paleis van de gouverneur-generaal – hij deed het, vergezeld van een kleine staf (een adjudant, een functionaris van de militaire politie, enkele bedienden en tolken, tezamen een dozijn personen), en voelde er zich niet thuis, ‘het was te groot, leek leeg’, schreef hij in zijn memoires. Het denkbeeld, in Batavia een grote overwinningsparade te houden, wees hij af – ‘hij was', aldus de Japanse historicus Mitsoeo Nakamoera, ‘een traditionele samurai wiens ethiek tot uitdrukking kwam in de gewone Japanse spreekwoorden die hijzelf dikwijls aanhaalde. Een daarvan is: ‘de sterke moet nooit laatdunkend zijn tegenover de zwakke’.
Toen op 10 maart het hoofdkwartier van het militair bestuur begon te functioneren (het werd gevestigd in het hoofdkantoor van de Bataafse Petroleum Maatschappij te Batavia), wijdde Imamoera de eerste bespreking aan de vraag wat het karakter diende te zijn van dat bestuur. Een aantal nogal jeugdige, fanatieke stafofficieren betoogde dat men beginnen moest met drastisch in te grijpen teneinde de bevolking te overtuigen van Japans onaantastbare macht – later zou de druk dan verminderd kunnen worden. Andere stafofficieren meenden dat men onder geen omstandigheden verder mocht gaan dan door Tokio was voorgeschreven. Dat laatste was ook Imamoera’s opinie. Drastische maatregelen, meende hij, waren allerminst noodzakelijk, integendeel: ‘naar zijn mening’, aldus Nakamoera, ‘was het nodig, de onjuiste indruk van Japanse agressiviteit uit te wissen om aan te tonen dat het beginsel van hakko-ichiu (‘de hele wereld onder één dak’) geen agressie betekende maar een ‘alomvattende familie’.’
Eén grote familie dus, maar dan voorshands wèl met een duidelijke pater familias: Japan. Dat sloot aan bij de richtlijn dat ‘een voortijdig aanmoedigen van inheemse onafhankelijkheidsbewegingen’ vermeden moest worden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 197-199

[Jakarta 4 – Des Indes] 

Het meest kwetsbare lid van die elite was de man aan wie in het kabinet waarvan de vorming niet was doorgegaan, de functie van minister van economische zaken was toegedacht: Hatta. Hij had immers niet alleen vóór het uitbreken van de oorlog in de Pacific herhaaldelijk en duidelijk tegen het Japanse imperialisme gewaarschuwd maar hij had ook na dat uitbreken, toen hij nog op Banda in ballingschap leefde, een artikel geschreven waarin hij gesteld had dat Japan de oorlog was begonnen met ‘een roversdaad’, vervolgens uiteen had gezet dat een Japanse overwinning voor de Indonesiërs ‘knechtschap’ en ‘slavernij’ zou betekenen, en geëindigd was met te schrijven: ‘Ook als wij zouden weten dat Japan waarschijnlijk winnen zal, blijft de plicht op ons rusten om voor onze bedreigde idealen op te komen. Liever staande sterven dan knielende leven ... Dit is de betekenis van deze strijd.’
Soetan Sjahrir, Hatta’s medeballing op Banda, had het een levensgevaarlijk artikel gevonden en Hatta had vervolgens getracht, publikatie te voorkomen. Dat was mislukt: zijn beschouwing was op 22 en 23 december '41 in het te Batavia verschijnende dagblad Pemandangan verschenen en wij kunnen ons niet anders voorstellen dan dat Hatta in Soekaboemi de eerste dagen van de Japanse bezetting in grote bezorgdheid doorbracht. Imamoera’s staf had evenwel van het artikel geen weet, integendeel: Hatta had in april '33 een bezoek aan Japan gebracht waar hij enkele toespraken had gehouden en door sommigen als ‘de Gandhi van Java’ was aangeduid – hij werd als gevolg daarvan door de Japanners als een mogelijke helper gezien. Op 22 maart vervoegde zich in Soekaboemi een officier van de gevreesde Kenpeitai bij hem, die wel verre van hem te arresteren, tegen hem zei dat de Japanse militairen in Bandoeng besprekingen met hem wilde voeren. Hatta hield die uitnodiging in beraad. Met wie pleegde hij vervolgens overleg? Met Sjahrir die zich evenals hij in Soekaboemi bevond en in dezelfde locatie: de Politieschool die hem als gedwongen verblijfplaats was toegewezen? Dat is hoogst waarschijnlijk maar wij weten er niets naders van en Hatta zwijgt erover in zijn memoires. Hoe dit zij, twee dagen later, 24 maart, kreeg hij een tweede uitnodiging die van aanzienlijk groter politieke betekenis was: of hij naar Batavia wilde komen voor overleg met de sous-chef van Imamoera’s staf, generaal-majoor Josjikazoe Harada. Hij ging daar onmiddellijk op in, nam de volgende dag plaats in de auto van de officier die de uitnodiging had overgebracht en reed met deze naar Batavia waar hij bij aankomst hartelijk werd verwelkomd door kolonel Nakajama en (tegen zijn zin) ondergebracht in het meest luxueuze hotel, het Hotel des Indes.
Nadat hij eerst een net costuum had gekocht, sprak hij op 26 maart met generaal Harada. Deze, zo deelde Hatta in ’64 aan de Amerikaanse (van Hawaii afkomstige) historicus George S. Kanahele mede, ‘zei mij dat hij op de hoogte was van mijn vroegere activiteiten als nationalist en wilde weten of ik bereid was met het militaire bestuur samen te werken. Ik antwoordde dat ik eerst wilde weten of het bedoeling van Japan was, Indonesië als een kolonie te behandelen. Harada zei neen en legde er de nadruk op, dat het doel van Japan was, alle onderworpen Aziaten te bevrijden van Westerse overheersing. Ik dacht hier over na en zei hem toen dat ik er accoord mee ging om samen te werken, maar alleen in de hoedanigheid van adviseur en niet als functionaris van het militaire bestuur’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 218-219

[Yogyakarta 2 – Pakoe Alam] 

Hoe gedroegen zich de vier Javaanse zelfbestuurders en de negen-en-zeventig regenten op Java en Madoera?
De vorst van Soerakarta, de Soesoehoenan, stelde zich na de komst der Japanners zeer afwijzend op jegens het Nederlands gezag. Gezien de moeilijkheden waarin de Nederlanders en de Indische Nederlanders waren komen te verkeren (ca. veertienhonderd hunner hadden hun toevlucht gezocht in de tuin van het gouverneurshuis), richtte de gouverneur tot de vorst het verzoek, voor een bespreking bij hem te komen – de vorst bleef weg, zonder opgaaf van redenen; zijn algemene houding was, zo vernam later mr. W. H. J. Elias, ‘even wankelmoedig en even voos als de toestanden aan zijn hof al jarenlang waren geweest.’ Wèl verscheen de zelfbestuurder van het vorstendom Soerakarta afgesplitste gebied, de Mangkoenegoro, ‘hetgeen’, aldus later de toenmalige controleur van de stad Soerakarta, ‘een zeer goede indruk bij ons allen maakte.’ Van daadwerkelijke hulp kwam evenwel niet veel terecht: de onder de zelfbestuurder staande regent jammerde wel met tranen in de ogen over het lot van al zijn Europese vrienden maar miste ... de moed om de behulpzame hand te bieden.’
Over de eerste reacties van de sultan van Djokjakarta en de Pakoe Alam (de zelfbestuurder van het van het sultanaat Djokjakarta afgesplitste gebied) op de komst der Japanners hebben wij geen gegevens.
De vier zelfbestuurders hadden elk bij hun troonsbestijging een verdrag ondertekend waarin zij de Nederlandse soevereiniteit hadden erkend. De Japanners maakten geen haast met het regelen van hun positie. Zij besloten, conform de instructies, de vier te handhaven, met dien verstande dat de Mangkoenegoro en de Pakoe-Alam hun legertjes verloren, dat alle vier zelfbestuurders afstand moesten doen van hun juridische bevoegdheden, dat zij een door de Japanners benoemde directeur Algemene Zaken naast zich kregen (als zodanig werd op voorstel van de sultan van Djokjakarta een van de inheemse bestuurders benoemd) en dat hun bestuur onderworpen werd aan het toezicht van een in Batavia gevestigd Japans Sultanaatsbureau. Ook hieven de Japanners het beginsel van de erfopvolging op: kwam een der zelfbestuurders te overlijden (dat was in juli '44 het geval met de Mangkoenegoro, wiens opvolger, aldus mr. Elias, ‘een stroman van de Japanners’ was), dan zouden zij bepalen wie de opvolger zou zijn.
Op die nieuwe grondslag maakte de Soesoehoenan eind juli '42 in Batavia zijn opwachting bij generaal Imamoera, waarbij over en weer tal van vriendelijke woorden werden gesproken, en op hem volgden drie dagen later de drie overige zelfbestuurders.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 223-225

[Bandung 2 – Legercommandant] 

In die tijd werd, zoals eerder in dit hoofdstuk uiteengezet, het gezag van de inheemse bestuurders aangetast of zelfs opgeheven door comité’s van Indonesische nationalisten. De Japanners maakten daar een einde aan: zij schakelden de regenten in, met dien verstande dat zij het ten tijde en ten bate van het Cultuurstelsel ingevoerde recht van erfelijke opvolging ophieven; op die grondslag werd van de regenten gevergd dat zij een loyaliteitsverklaring aan het Japanse gezag zouden ondertekenen, vermoedelijk een die min of meer gelijk was aan die welke in Batavia was voorgelegd en waarvan artikel 3 ongeveer luidde: ‘Ik zweer trouw aan het Japanse leger en beloof stipt en getrouwelijk alle mij door dit leger gegeven bevelen na te komen.’
Dat trouw zweren was in de Aanwijzingen van het gouvernement uitdrukkelijk verboden maar de voorgelegde verklaring werd, voor zover bekend, door alle regenten ondertekend.
Die van Midden- en Oost-Java werden vervolgens op 22 april in Soerabaja bijeengeroepen waar hun de benoemingsoorkonden werden uitgereikt, vermoedelijk door generaal Imamoera. Vast staat dat de generaal dit persoonlijk deed in Bandoeng, waar de regenten van West-Java samenkwamen in de vroegere ambtswoning van de legercommandant; daarop volgde een receptie en ook nog een bijeenkomst waar het hoofd van het militair bestuur van West-Java (een functie die dus in augustus werd opgeheven), een Japanse kolonel, meer dan een uur aan het woord was. Zijn toespraak werd door de regent van Bandoeng in het Maleis vertaald. ‘De strekking van (de) toespraak was’, aldus Gandasoebrata, ‘alle aanwezigen van het feit te doordringen dat Japan, als gevolg van zijn schitterende overwinningen ... in Indonesië en geheel Zuid-Oost-Azië, het machtigste land op de wereld was ... Japan was een door goden beschermd land en was de gehele geschiedenis door nooit verslagen ...De Japanners zouden de Indonesiërs helpen en tezamen zouden zij een gemeenschappelijke welvaart bereiken.
Ik keerde naar Poerwokerto terug met de indruk dat de Japanners in een overwinningsroes waren’.
Het was in de Nederlandse tijd maar zelden voorgekomen dat een regent door het gouvernement was afgezet, maar de Japanners gingen daar veelvuldig toe over. Uit de gegevens welke Heather A. Sutherland verzamelde voor haar in '73 gepubliceerde studie over de bestuurs-aristocratie op Java, blijkt dat er van 67 regentschappen (de 12 in de Vorstenlanden zijn niet meegeteld) maar 18 waren die van het begin tot het einde der bezetting dezelfde regent hadden – in 49 regentschappen werd de regent vervangen, in 15 van die 49 twee, in 3 drie keer. De helft van de nieuwe regenten had tevoren de functie van patih uitgeoefend, tot de anderen behoorden zestien regenten die uit andere regentschappen waren overgeplaatst, kwamen anderen uit de lagere rangen van het inheemse bestuursapparaat of uit de kringen van inheemse burgemeesters maar er waren onder hen, voor zover bekend (niet van allen zijn de gegevens beschikbaar), drie volledige buitenstaanders: een arts, een vroegere inspecteur van het ziekenhuiswezen en een onderwijzer. De Japanners braken dus in vèrgaande mate met de regels welke het Nederlandse gouvernement steeds had gevolgd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 226

[Jakarta 6 – Hooggerechtshof] 

Van het midden van de jaren ’20 af had Indië als onderdeel van het politie-apparaat de Politieke Inlichtingendienst gekend, de PID, die, rapporterend aan de procureur-generaal bij het Hooggerechtshof te Batavia, gefungeerd had als een politieke recherche. Deze had vooral de nationalistische groeperingen in het oog gehouden. Daarbij had zij o.m. gebruik gemaakt van inheemse spionnen die, als daar aanleiding toe was, de gangen van vooraanstaande nationalisten nagingen en zich ook wel in nationalistische groeperingen naar binnen trachtten te werken teneinde besloten vergaderingen bij te wonen.
Het Japanse militaire bestuur op Java ging er spoedig toe over, alle Nederlanders en Indische Nederlanders uit het politie-apparaat te verwijderen – de Indonesische politie-functionarissen werden gehandhaafd, zulks met inbegrip van diegenen die tot de PID behoorden. Deze dienst was het die nog voor de komst van de Japanse militaire politie, de Kenpeitai, naging of er personen waren die de door de Japanners uitgevaardigde verboden overtraden – hij werd na de komst van de Kenpeitai, mei '42, gereorganiseerd en onder directe Japanse leiding geplaatst. In elke stad of plaats van betekenis kreeg die PID eigen bureaus.
Velen van de nieuwelingen waren door de Japanners opgeleid aan de door hen spoedig heropende politieschool van het gouvernement die in Soekaboemi gevestigd was, maar naast die ene en enige politieschool welke Indië had gekend, kwamen er op Java (gegevens over de Buitengewesten hebben wij niet) politiescholen in alle residenties. Aannemelijk lijkt ons dat het aantal functionarissen van de PID belangrijk toenam. De Kenpeitai maakte zich met zijn wreed optreden spoedig gehaat, maar voor de Indonesische PID gold dat niet minder – de Japanners wisten dit onderdeel van het Nederlands gouvernementsapparaat volledig aan hun doeleinden ondergeschikt te maken. Wie het bijvoorbeeld waagde naar buitenlandse radio-uitzendingen te luisteren, moest vrezen dat hij door vaste of incidentele verraders bij de PID zou worden aangebracht.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 230-231

[Bandung 1B – Gemeente] 

Het toedienen van dergelijke fysieke straffen was bij de Japanners schering en inslag. De Japanse militairen behandelden de bevolking in bezet gebied zoals zij zelf in hun jeugd en vooral in de periode van hun militaire oefening behandeld waren. Voor het minste vergrijp gaven zij een klap op het hoofd – juist die klap werd in de inheemse wereld als bij uitstek kwetsend ervaren, omdat het hoofd als een heilig lichaamsdeel gold. Inheemse kinderen werden door hun ouders wel eens gestraft maar nooit met zulk een klap. Niet aldus de Japanners: met de gevoeligheid die op dit punt in de inheemse wereld bestond (Hatta had hun hier onmiddellijk en nadrukkelijk op gewezen), hielden zij geen enkele rekening. In de begintijd van zijn internering kon W.S.B. Klooster (‘Willem Brandt’), de vroegere hoofdredacteur van de Deli Courant, af en toe naar Medan gaan waar hij dan veel contact had met inheemsen en Chinezen, ‘en men klaagt’, schreef hij later, ‘steen en been niet alleen over de economische toestand maar vooral over het optreden der Japanners. Een oude inheemse oppasser van de Handelsvereniging Amsterdam zegt het aldus, en zijn klacht is typerend en symptomatisch: ‘Toean, ik ben vijf-en-twintig jaar bij de Blanda’s' in dienst geweest en ik heb wel eens fouten gemaakt, maar nooit heeft iemand mij onheus bejegend. Nu doe ik hetzelfde werk voor Nippon en ik word elke dag in mijn gezicht geslagen of getrapt. Ik heb er genoeg van, ik ga naar de kampong terug.’
Op de beginperiode der Japanse bezetting terugziende rapporteerde in augustus '46 een Nederlands bestuursambtenaar van Zuid-Sumatra: ‘De wreedheden die door de Japanse heren tegen mensen werden bedreven, waren beestachtiger dan de wreedste sado-koetsier onder ons bewind had durven doen tegen dieren. De Japanse officieren rammelden zelf hun eigen soldaten af op een manier die men tevoren onmogelijk zou hebben geacht ... Kolfslagen, uitgedeeld aan inlanders die een gegeven bevel niet spoedig genoeg uitvoerden, waren kleinigheden ... Een gevangen genomen inheems militair werd onder beestachtig schoppen en slaan naakt uitgekleed en aan handen en voeten gebonden op een manier dat de bloedsomloop in ’s mans polsen en enkels volkomen gestremd was. Daarna werd hij, hardhandiger dan vroeger een postzak zou behandeld zijn, in een kamer van mijn kantoor gesmeten en daar naakt, dus blootgesteld aan de vele muskieten, drie dagen en nachten zonder eten of drinken opgesloten gehouden.’
‘De Japanners’, noteerde Bouwer in Bandoeng begin januari '43, ‘hebben het nieuwe jaar ingezet met de afranseling van ongeveer honderd betja-voerders, bestuurders van de driewielige persoons-bakfietsen, op het plein voor het Gemeentehuis. Op Oudejaarsavond liet een dronken Japanse officier een portefeuille met circa f 600 er in alsmede zijn sabel in een betja liggen. De bestuurder deponeerde de sabel in een sloot langs de kant van de weg en ging er met het geld vandoor. Bij wijze van represaille arresteerden de Japanners vrijdagmorgen j.l. (Nieuwjaarsdag) ongeveer honderd willekeurige betja-bestuurders die bijeengedreven werden en vervolgens door een detachement met bamboestokken gewapende Japanners werden afgeranseld. Gelukkig Nieuwjaar!’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 240-242

[Jakarta 6 – Postkantoor] 
[Jakarta 7 – N.I.R.O.M.] 

Ook de radio werd onder strikte controle geplaatst. Op Java werd het bedrijf van de Nederlands-Indische Radio-Omroep Maatschappij, de Nirom, door functionarissen van de Nippon Hoso Kiokoe, de Japanse Omroep-Maatschappij, overgenomen en kwamen er naast uitzendingen in de inheemse talen (die in het Nederlands verdwenen eind '42) uitzendingen in het Japans, hoofdzakelijk een weergave van programma’s die in Japan werden uitgezonden. Voor de Japanners op Java werd één keer per dag gedurende een half uur nieuws in het Japans uitgezonden, voor de inheemsen één keer per dag vijf minuten nieuws in eenvoudig Japans, drie keer per dag drie kwartier nieuws in het Maleis en twee keer per dag een half uur in het Javaans en op West-Java (er waren op Java zeven zenders in gebruik) twee keer per dag drie kwartier in het Soendanees. Veelvuldig werden voorts per radio lessen in de Japanse taal gegeven en ook werd les gegeven in het zingen van Japanse liederen. Van veel belang was bij dit alles dat de Japanners in alle steden en grotere plaatsen op Java en in de Buitengewesten met een Japanse vlag getooide luidsprekerhuisjes installeerden, de ‘zingende torens’, op Java in '42 enkele honderden maar in '44 waren het er enkele duizenden geworden. Het gevolg was dat niet alleen de bezitters van een radio (er waren in '40 door Europeanen ca. 50 000, door Chinezen en Arabieren ca. 20 000 en door inheemsen ca. 32 000 toestellen officieel aangegeven) maar ook vele anderen de radio-uitzendingen konden volgen.
Het luisteren naar Geallieerde radio-uitzendingen werd, zoals al vermeld, verboden. Op Java werden in april '42 drie en in mei twee Nederlanders geëxecuteerd omdat zij betrapt waren op het luisteren naar uitzendingen uit Australië en uit Londen. ‘Hun familieleden’, aldus een Japans bericht in de pers, ‘treuren nu om hun misdaad doch een eenmaal begane misdaad kan niet hersteld worden. Het Japanse leger is als een liefhebbende vader voor hem die zijn bevelen opvolgt. Uw geluk in de toekomst zal geheel afhangen van uw trouw aan het Japanse leger. Vergeet niet dat zij die de bevelen van het Japanse leger niet opvolgen, ... onherroepelijk in het ongeluk gestort worden.’
In mei '42 verscheen op Java in de pers het bericht dat alle radiotoestellen opnieuw geregistreerd moesten worden en op 16 juni kwam een verordening uit die bepaalde dat men in de steden vóór eind juni en buiten de steden vóór eind juli met zijn toestel naar een postkantoor moest gaan, waar het dan, zoals dat heette, werd ‘gecastreerd’: soms kwam om de instelknop voor de kortegolf-zenders een stuk isolatieband te zitten waarop twee Japanse lakzegels waren aangebracht, soms werden in het toestel onderdelen doorgeknipt, soms werd op de golflengteschakelaar een druppel lood gesoldeerd zodat hij op een bepaald punt niet verder draaide. Afdoende was dat ingrijpen niet: de ‘castratie’ vond nogal eens op ondeskundige wijze plaats en zij kon, zelfs als er gebruik was gemaakt van lakzegels, ongedaan worden gemaakt. ‘De vreemdste dingen zijn gebeurd’, noteerde Bouwer in Bandoeng midden '42 in zijn dagboek. ‘Toen iemand zijn toestel na de bewerking probeerde, kon hij alleen maar op de korte golf luisteren. Alle langegolf-banden waren losgeknipt. In andere gevallen zijn de kortegolf-banden tot 60 meter doorgeknipt, zodat de eigenaars der toestellen nog naar New Delhi, Calcutta, Bombay en Sydney kunnen luisteren ... Overigens kan men door betrouwbare Indonesische monteurs zijn toestel voor f 5 weer laten herwijzigen ... Heb vandaag m ’n radiotoestel teruggekregen, er tot laat mee geëxperimenteerd en ontdekt dat ik er nog mee naar de buitenlandse stations kan luisteren, o.m. New Delhi, Bombay, Calcutta, Tananarive (Madagascar) en ‘die Suid-Afrikaanse Uitzaai-Korporatie’, laatstgenoemd station met relay’s van de BBC in Londen. Voldoende dus om op de hoogte te blijven.’
Ook de Japanners zelf betwijfelden of het ‘castreren’ van de radio’s voldoende effectief was. Af en toe werd gelast dat de toestellen opnieuw ‘gecastreerd’ moesten worden. Voorts werd eind '43 de lengte van binnen-antennes beperkt en in juni '45 werd bepaald dat men zijn toestel alleen met verlof van de Japanse autoriteiten van de hand mocht doen.
Dat er, alle Japanse verboden ten spijt, toch naar Geallieerde uitzendingen werd geluisterd, werd herhaaldelijk (maar wij weten niet, hoe vaak) aan de Kenpeitai of aan de PID bericht, soms op getypte lijstjes welke, aldus later een Nederlander die ingeschakeld was bij de Japanse radio-uitzendingen in het Engels, zo begonnen: Hierbij een lijst van mensen die naar Geallieerde uitzendingen luisteren’; sommigen hadden data en uren achter de namen getypt, en zij waren als volgt ondertekend: ‘Spion X 13’, of ‘Y 5’, of ‘Detective (naam van een Indonesiër)’, sommige waren in het Maleis en sommige in het Engels, en ik herinner mij er een of twee die (in het Maleis) eindigden met ‘Weg met de Britten, de Amerikanen en de Nederlanders’ en hen op een smerige wijze uitscholden.’
Niet alleen de pers en de radio maar ook de bioscopen werden aan een strikte Japanse controle onderworpen. Aanvankelijk werden alleen Japanse films vertoond welke de Japanse legers hadden meegebracht – alle bioscopen kregen Japanse namen. Films, afkomstig uit landen waarmee Japan in oorlog was, mochten niet langer worden vertoond. Het bioscoopjournaal bracht van begin tot eind Japanse propaganda. Ook werden van begin '43 af door twee Japanse filmbedrijven Japanse films bewerkt voor een Indonesisch publiek.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 253

[Jakarta 3 – Majoor Chinees] 

Vóór de Japanse bezetting was op Java onder de Chinezen (wij zullen in het hier volgende het verschil tussen Indische en ‘recente’ Chinezen verwaarlozen) een kleine groepering naar voren gekomen die zich niet met de Chinees-Nationalistische regering te Tsjoengking maar met het Nanking-bewind verbonden voelde en dus aan Japans zijde stond, en die groepering had met Japanse steun te Batavia een eigen dagblad kunnen uitgeven, de Hong Po. Alle overige Chinese dagbladen werden, evenals alle Chinese periodieken, door het Japanse militaire bestuur verboden, alleen de Hong Po mocht onder Japanse controle blijven verschijnen. Spoedig greep het militair bestuur in tegen de leidende figuren in Chinese kring die voordien Tsjiang Kai-sjek hadden gesteund of nauw met het Nederlands-Indisch gouvernement hadden samengewerkt. In Batavia werden op 20 maart de z.g. majoor der Chinezen en enkele andere vooraanstaande Chinezen gearresteerd en zes dagen later gaf het hoofd van het militair bestuur, generaal Okazaki, de lagere militaire bestuursinstanties opdracht, lijsten van Chinezen op te stellen die verdacht werden van een anti-Japanse gezindheid. Het verder ingrijpen liet Okazaki spoedig over aan het hoofd van een Bureau Chinese Zaken dat onderdeel werd van zijn staf, en dat hoofd liet eind april '42 in een van de gevangenissen te Batavia meer dan honderdveertig Chinezen opsluiten, onder wie de hoofdredacteuren van alle niet pro-Japanse Chinese dagbladen, het Volksraadslid H. H. Kan en de advocaat mr. Phoa Liong Gie (Phoa was zijn familienaam) die zich in '34 met een aantal Chinese jongeren had losgemaakt van Kans partij, de Chung Hwa Hui, het Chinees Verbond in Nederlands-Indië, dat geheel door vermogende Chinezen (‘de Packard-groep’) werd gedomineerd. Van alle arrestanten werd het vermogen in beslag genomen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 258-260

[Jakarta 6 – Roomschen] 

In Batavia werden de predikanten en geestelijken, onder wie de apostolisch vicaris van Batavia, mgr. P. J. Willekens, in de tweede helft van maart '42 bijeengeroepen om van een Japanse officier te horen te krijgen dat van hen een gemeenschappelijke verklaring werd verwacht waarin zij zich zouden uitspreken ten gunste van Japan. Toen die verklaring op zich liet wachten, werden de betrokkenen begin april opnieuw bijeengeroepen, nu om schriftelijk drie vragen te beantwoorden: ‘Wat is het nut van uw godsdienst? Wat doet u in uw godsdienst? Wat moet er gedaan worden om deze landen gelukkig te maken?’ Terwijl elk voor zich een antwoord trachtte te formuleren, hield een Japanse korporaal toezicht, maar, aldus later een der predikanten, ‘niet al te streng, zodat bijv. Monseigneur de gereformeerde predikant kon voorzeggen.’ Uiteraard was vooral het antwoorden op de derde vraag een delicate zaak – de tolk evenwel die alle antwoorden in het Japans moest vertalen, een ouderling van de Gereformeerde Kerk, ‘wist deze zaak zo te traineren dat ze tenslotte in het vergeetboek raakte. In ieder geval hebben wij er nooit meer iets van gemerkt.’
Later in '42 weigerde Mgr. Willekens steun te verlenen aan de AAA-beweging. Bij de protestantse kerken was daar ook geen animo voor, desniettemin kwam onder Japanse druk, maar pas na geruime tijd, een christelijk comité tot stand dat van die beweging deel ging uitmaken.
Toen de niet eerder opgepakte Nederlanders op Java eind '42 geïnterneerd werden, bleven de Nederlandse predikanten en priesters op vrije voeten – zij mochten met een witte band met rode bal om de arm, een soort Japanse vlag dus (die band moesten allen dragen die buiten de internering vielen), hun arbeid voortzetten, hetgeen er wel eens toe leidde dat zij door vrouwen die in eerste instantie nog niet geïnterneerd waren maar wier mannen al waren opgesloten, voor landverrader werden uitgemaakt. Mgr. Willekens, aldus de zojuist geciteerde predikant, ‘zei over deze rode bal: ‘Och, we moeten het maar beschouwen als een klein pokje. Het staat niet elegant, maar het geeft een zekere immuniteit.’ ‘
Die immuniteit was niet onbeperkt. Eind januari '43 werden de predikanten in Batavia opnieuw door de Japanners bijeengeroepen om er zich over te beraden of zij wilden deelnemen aan de Japanse propagandistische radio-uitzendingen naar Australië – zij zouden, werd beloofd, vrij zijn in wat zij zouden zeggen. De predikanten weigerden (twee werden gearresteerd, van wie één weer spoedig vrijkwam), Mgr. Willekens achtte het prudent, het Japanse verzoek in te willigen.
Nadien bleven de Nederlandse kerkelijke voorgangers niet lang in vrijheid. Nadat midden '43 acht predikanten en drie leden van kerkbesturen gearresteerd waren (van dezen bezweken resp. vijf en één in gevangenschap), werden zij in september '43, wellicht mede op aandrang van Islamietische groeperingen die invloed op de Japanners hadden, allen geïnterneerd, met uitzondering van Mgr. Willekens die als apostolisch vicaris de vertegenwoordiger was van het Vaticaan dat door de Japanse regering ontzien werd. Omstreeks mei '42 was hij korte tijd geïnterneerd geweest. Nadien werd hij door de Japanse autoriteiten op Java verscheidene malen opgeroepen om zich voor een nieuwe internering aan te melden maar hij legde die oproepen naast zich neer en kwam, zo vaak er Japanners bij hem verschenen om hem op te halen, in vol ornaat te voorschijn, weigerend met hen mee te gaan. Ook zijn Nederlandse secretaris wist hij tegen internering te beschermen. Men kon Mgr. Willekens, schreef mr. W. H. J. Elias, ‘dagelijks op de fiets door de stad zien gaan’. Veel moeite gaf hij zich om ten behoeve van arrestanten bij de Kenpeitai of van veroordeelden door Japanse rechtbanken bij hogere Japanse autoriteiten te interveniëren.
De uitschakeling van de Nederlandse kerkelijke voorgangers betekende geenszins dat er een einde kwam aan het christelijk kerkelijk leven: zowel in de katholieke kerk als in vele protestantse kerkgenootschappen waren al vóór de Japanse bezetting inheemsen in de leiding opgenomen (het diocees Semarang had een inheemse bisschop), trouwens: vele Indische Nederlanders, vaak trouwe kerkgangers, werden niet geïnterneerd. De kerkdiensten werden dan ook voortgezet, doorgaans in het Nederlands. Dat werd op Java in de tweede helft van '43 verboden – in Batavia volgde men dat verbod pas in oktober '44 op.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 268-271

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Soekarno’s vergaande collaboratie met de Japanners is, zoals nog blijken zal, een feit geweest en anders dan Hatta heeft hij zich bovendien herhaaldelijk in de meest virulente termen tegen de Verenigde Staten en Groot-Brittannië gekeerd. Beide feiten kwamen na de Tweede Wereldoorlog zijn internationale positie niet ten goede en wij houden het voor waarschijnlijk dat op Java velen zich herinnerden dat hij ostentatieve steun had verleend aan een regime dat honderdduizenden arbeiders, romoesja's, te gronde had doen gaan, sommigen in de mijnen van Java, de meesten ver van dit eiland, bijvoorbeeld aan de Birma-spoorweg. Hij had er dus belang bij, het zo voor te stellen dat het begin van zijn samenwerking met de Japanners op Java (in feite: de voortzetting van de samenwerking waartoe hij al op Sumatra was overgegaan) berustte op een afspraak met Hatta die zich veel minder geëxponeerd had, en met Sjahrir die als enige van hen drieën met een onbevlekt blazoen de Japanse bezetting doorstond. Sjahrir op zijn beurt zag het, zo vermoeden wij, in de moeilijke situatie waarin de jonge Indonesische republiek zich in de eerste jaren na haar oprichting bevond, als nuttig om Soekarno’s prestige op te vijzelen – hij was het die als eerste van die afspraak gewaagde. ‘Wij (Sjahrir, Soekarno en Hatta) kwamen overeen dat zij (Soekarno en Hatta) legaal al het mogelijke zouden doen om de nationalistische strijd een grotere speelruimte te geven en tegelijkertijd in her geheim het revolutionair verzet te ondersteunen’ – een verzet dat, zoals wij nog zullen aantonen, een beperkt karakter heeft gedragen. Van enige ‘afspraak’ wordt, zoals men zag, door Hatta geen melding gemaakt.
Dan: zowel in Soekarno’s als in Sjahrirs naoorlogs relaas ontbreekt een factor van groot belang, nl. Soekarno’s overtuiging dat Japan niet meer verslagen zou worden. Kunnen wij er van uitgaan dat de Kadts weergave van Sjahrirs mededeling op dit punt betrouwbaar is? Wij menen van wel. Hatta schrijft hetzelfde en er is nog een tweede belangrijke aanwijzing voor. Toen Soekarno begin '43 bezoek ontving van twee Indonesische studenten in de medicijnen en een in de rechten, volgelingen van Sjahrir, die hem fel verweten dat hij in zijn samenwerking met de Japanners veel te ver ging, ontstond, zo vernam de Australische historicus Legge in '69 van een van de drie, een lange gedachtewisseling, ‘waarbij Soekarno als zijn mening uitsprak, dat de Japanners waarschijnlijk de oorlog zouden winnen’. Pas in '44, na de geslaagde Amerikaanse landingen op de Gilbert en de Marshall-eilanden, kwam Soekarno tot de conclusie dat de Japanners zouden verliezen – hij had zich toen evenwel zo met huid en haar aan hen uitgeleverd dat hij in het publiek zijn samenwerking met hen voortzette en de Verenigde Staten en Groot-Brittannië even fel bleef aanvallen als hij tevoren had gedaan. Zowel het naoorlogse relaas van Soekarno als dat van Sjahrir achten wij dus onbetrouwbaar, ja misleidend – als meer in overeenstemming met de feiten zien wij slechts Sjahrirs relaas, zoals dat door de Kadt is vastgelegd, en de aangehaalde passage uit Hatta’s memoires.
Op 10 juli, daags na zijn gesprek met Hatta en Sjahrir, had Soekarno in het vroegere paleis van de gouverneur-generaal zijn eerste gesprek met Imamoera die kolonel Nakajama en zijn persoonlijke tolk, een jeugdige, op Java geboren Japanner, naast zich had. ‘Wat is de bedoeling van de Japanse regering met Java in de toekomst?’ zou Soekarno volgens Imamoera’s herinneringen gevraagd hebben – wij nemen aan dat Soekarno niet gevraagd heeft naar Japans bedoelingen met Java maar met Indonesië. Imamoera hield zich in zijn antwoord aan de richtlijnen uit Tokio. ‘Of’, zei hij, het een hoge mate van autonomie zal worden toegestaan of onafhankelijkheid op voorwaarde van een federale regering met Japan of volledige onafhankelijkheid: dat is een zaak van de Japanse regering en die moet door Zijne Majesteit beslist worden. Ik, de opperbevelhebber van een expeditieleger, heb niets te zeggen in deze zaak. Bovendien zal, naar mijn mening, deze zaak niet ter sprake komen voor het einde van deze oorlog. Ik vermoed dat het Japanse militaire bestuur tot dan zal voortduren. Eén ding echter wat ik duidelijk kan zeggen is, dat de welvaart en het welzijn van de inheemsen zeker bevorderd zullen worden. Zij zullen verlof krijgen om op ruime schaal deel te nemen aan de staatszaken en veel posities in de regeringsbureaus zullen door hen bezet worden.
Volgens Soekarno’s relaas aan Cindy Adams deed Imamoera ook enkele mededelingen over Soekarno’s positie, volgens Imamoera zelf deed hij dat in de vorm van instructies aan Nakajama die het contact met Soekarno diende voort te zetten: hij, Imamoera, wist precies welke opvattingen Soekarno er op nahield, hij wilde geen dwang op Soekarno uitoefenen, deze was vrij te beslissen of hij met de Japanners wilde samenwerken 'of de houding wilde aannemen van een toeschouwer’ – hij mocht evenwel niets tegen Japan gaan ondernemen.
Enkele dagen later vernam Imamoera Soekarno’s antwoord: hij was bereid, ‘het volk te leiden in de Japanse richting voor de zaak van het Indonesische welzijn maar met dien verstande, dat hem na het einde van deze oorlog geen beperkingen (zouden) worden opgelegd.’
Dat was voor Imamoera aanvaardbaar. Soekarno had op hem, hij had op Soekarno een uitstekende indruk gemaakt – zij zouden elkaar, voordat Imamoera in november Java verliet, nog enkele keren ontmoeten en ‘door deze gesprekken kreeg ik’, schreef Imamoera, ‘de indruk dat hij een man was met een ijzeren wil. Zijn gedachten en hartstocht voor de onafhankelijkheid zouden hem nooit verlaten ... Ik bewonderde hem zeer.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 283-285

[Bandung 1A – Sociëteit Concordia] 

In Bandoeng verschenen de eerste bezettingstroepen (troepen die deel uitmaakten van de Sjoji-brigade welke op 1 maart het vliegveld Kalidjati had veroverd en op de 7de door de stelling bij Lembang was heen gebroken) op maandag 9 maart. Het waren hoofdzakelijk Japanners met daarnaast een aantal Koreaanse en Formosaanse militairen – velen van hen waren opgegroeid in primitieve verhoudingen. De bewoners van het noordelijke, Europese gedeelte van de stad werden gedwongen hun woningen te verlaten, meer dan wat kleren mochten zij niet meenemen. De meesten van de binnengerukte militairen werden daags daarna, nadat de Japanse bevelhebber zich en zijn staf had geïnstalleerd in de grootste sociëteit, op centrale punten samengebracht en de verdreven bewoners mochten naar hun huizen terugkeren. Het was er een chaos. ‘Gordijnen’, aldus later mr. Elias', ‘hebben als dekens gediend. Op de vloer en op de tapijten liggen etensresten, ledige blikken, rijst; veel huisraad en meubelen zijn totaal vernield. In kasten en in de tuin liggen de uitwerpselen opgehoopt. Rijst hebben de soldaten in het closet trachten te wassen. Gas lieten zij branden onder ledige pannen en electrisch licht kenden zij niet; veelal zijn het blijkbaar boeren geweest die nog nooit met de gemakken der westerse beschaving in aanraking waren geweest.’
Dat de strijdmacht van Nederland en zijn bondgenoten door militairen van dit slag verslagen was, leek onbegrijpelijk. Peilloos diep was de teleurstelling. Hoe viel die snelle nederlaag te rijmen met de optimistische toon en de veelal ook optimistische inhoud van de communiqués welke het Algemeen Hoofdkwartier in die ene week waarin op Java gevochten was, had uitgegeven? Velen voelden zich bedrogen, ja verraden. Waar waren de Britten, waar de Amerikanen gebleven? Bijzonderheden die men vernam over de gebrekkige verzorging van de troepen van het Knil en over de wanorde die zich veelal bij de operaties had gemanifesteerd, leidden tot bittere verwijten tegen de legerleiding en, in het algemeen, tegen alle officieren: hoe hoger geplaatst, des te meer, zo werd gezegd, hadden dezen gefaald.
Er was niet alleen angst voor de toekomst maar ook, bij velen, diepe bezorgdheid over het lot van vaders, zoons, andere familieleden, vrienden, die beroepsmilitair of reservist waren. Waren zij gesneuveld? Gewond? Alle verbindingen waren verbroken en in Bandoeng wist men niet wat elders op Java, daar niet wat in Bandoeng geschiedde. Vrijwel geen Nederlandse of Indisch-Nederlandse familie was er die niet in de zorgen zat over leden die vermist werden. De Nirom zond op Japans bevel nog dagelijks uit – zij werd onmiddellijk ingeschakeld voor het opsporen van vermisten. Wie de radio aanzette, hoorde tot midden april lange, door het Rode Kruis samengestelde, lijsten voorlezen met de namen van personen die hun adres bekendmaakten of wier adres gezocht werd. ‘Daar er geen nieuws aanwezig is, vervolgen we’, zei dan de omroeper, ‘met vrolijke klanken’ – ‘vreselijke klanken’, vond een Nederlandse die op Midden-Java woonde.'

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 291-292

[Bandung 4 – G.G.] 

In ons vorige deel vermeldden wij dat gouverneur-generaal van Starkenborgh, nadat hij in de nacht van 21 op 22 februari Batavia had verlaten, in Bandoeng zijn intrek nam in de villa van de Chinese miljonair H. H. Kan, lid van de Volksraad, dat hij vandaar op 8 maart naar Kalidjati trok en dat hij op de 9de in de ambtswoning van de resident verslag van wat zich in Kalidjati had afgespeeld, uitbracht aan enkele hooggeplaatsten: de drie nog in Bandoeng aanwezige leden van de Raad van Nederlands-Indië (twee waren naar Australië gevlogen), de voorzitter van de Volksraad, mr. J.A. Jonkman, de directeuren van de departementen van algemeen bestuur en de hoofden van enkele belangrijke diensten. Hij keerde ’s avonds naar Kans villa terug, vergezeld van zijn marine-adjudant en zijn intendant en voorts van de directeur van zijn kabinet, dr. P.J.A. Idenburg, een van de referendarissen der Algemene Secretarie, dr. E.O. baron van Boetzelaer, de gouverneur van de provincie West-Java, mr. B.J.G. Hogewind, en de twee medewerkers van de Dienst van Oost-Aziatische Zaken die hem wegens hun kennis van het Japans naar Kalidjati hadden vergezeld, H. Hagenaar en dr. A.F.P. Hulsewé. Voor hen allen, acht personen, was Kans vjlla ruim genoeg: elk kreeg een eigen kamer. Op 10 maart plaatsten de Japanners een militaire wacht voor de villa maar deze werd in zoverre niet geïsoleerd dat telefoonverkeer met andere personen in Bandoeng mogelijk bleef. De villa had een zwembad en een grote tuin.
Van Starkenborgh was van mening dat hij, nu de algemene capitulatie een feit was, zijn gezag niet langer diende uit te oefenen. Aanwijzingen gaf hij niet meer en werd hij er telefonisch om gevraagd, dan weigerde hij ze te verstrekken – wèl vond hij dat hij in voorkomende gevallen advies kon geven. Ook weigerde hij bezoekers te ontvangen aangezien de Japanners daartoe verlof zouden moeten verlenen – hij wilde hun geen gunsten vragen.
Begin april ging een zekering in de schakelkast van de villa het begeven, hetgeen er toe leidde dat een van de lampen een tijdlang afwisselend aan- en uitging. De Japanse schildwacht meende dat dit morseseinen waren – het gevolg was dat van Starkenborgh en allen die zich bij hem bevonden, op 6 april naar de Soekamiskin-gevangenis, die even buiten Bandoeng lag, werden overgebracht en daar in aparte cellen opgesloten. Aan Japanse kant was inmiddels komen vast te staan dat de gouverneur-generaal beschouwd moest worden als opperbevelhebber, als militair dus, en dat hij derhalve in een krijgsgevangenenkamp moest worden opgesloten. Daartoe werd hij op 16 april met een aantal hoge militairen per trein naar Batavia getransporteerd, ‘waar ik’, zo vertelde hij in '48 aan de Enquêtecommissie, ‘bij aankomst een vrij grote menigte heb gezien, die ook mij gezien heeft’ – nadien wisten velen onder de Nederlanders en Indische Nederlanders dat hij in Batavia was aangekomen, ‘geruchten verspreiden zich in Indië snel.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 300-303

[Semarang 2 – Residentiekantoor] 
[Surabaya – Gevangenis]
 
[Yogyakarta 2 – Residentie] 
[Yogyakarta 2 – Gevangenis] 

Eind maart [‘42] ging van Imamoera’s staf het geheime bevel uit dat Nederlanders en Indische Nederlanders louter in de lagere overheidsrangen gehandhaafd mochten worden en dat alle hogere functionarissen met inbegrip van de rechters en de leden van het politiekader, alsook alle andere vooraanstaande Nederlanders en Indische Nederlanders opgesloten moesten worden. Dit bevel leidde in de loop van april op heel Java tot ingrijpen tegen de betrokkenen. Hun internering werd op 23 april bekend gemaakt in de pers en daarbij werd als motief vermeld dat, zoals uit een gevonden stuk zou zijn gebleken, de leden van het Afvoer- en Vernielingskorps in Soerabaja op ‘donderdag 20 maart 1942’ (20 maart was in ’42 een vrijdag) zouden zijn bijeengekomen voor onderling beraad – de Japanners hadden de datum van het gevonden stuk vervalst of in hun achterdocht verkeerd gelezen: de betrokken bijeenkomst had op donderdag 20 maart 1941 plaatsgevonden.
Niet uit alle streken beschikken wij over bijzonderheden. [...]
Op Midden-Java werd de gouverneur M.F. Winkler, op 20 april in Semarang naar de gevangenis gebracht en op hem volgen twee dagen later vijf-tot zeshonderd Nederlanders en Indische Nederlanders, die opgeroepen waren, aan bijeenkomsten in het gouvernementskantoor en in de sociëteit deel te nemen. Velen hadden die oproep niet vertrouwd ‘en gingen natuurlijk al met angstige voorgevoelens’, zo schreef daags daarna een Nederlandse vrouw in haar dagboek. Zij die aan de Japanse oproep gehoor hadden gegeven, werden alvorens afgevoerd te worden, toegesproken door enkele uit hun internering vrijgelaten NSB’ers. [...]
Op Oost-Java werden uit de Nederlandse en Indisch-Nederlandse groepen ook de onderwijzers gearresteerd. In Soerabaja stormden op 22 april tientallen Japanse militairen met gevelde bajonetten het gebouw van de Raad van Justitie (in Nederland het gerechtshof) binnen, ‘de rechters en advocaten werden’ schreef later een in het gebouw aanwezige inspecteur van politie, ‘in hun toga uit de rechtszalen gesleurd’ en kwamen met andere arrestanten (van wie de bestuursambtenaren opgeroepen waren, aan een bijeenkomst in het kantoor van gouverneur C.C.J. Hartevelt deel te nemen en het politiekader de aanzegging had gekregen, in het hoofdbureau van politie de Japanners trouw te zweren) in de gevangenis aan de Werfstraat en in de hulpgevangenis Boeboetan terecht. [...]
Ook in Djokjakarta namen de Japanners de egards in acht. Hier verzamelden zich op 23 april op oproep ruim tachtig personen in het huis van de gouverneur, dr. L. Adam. Zij werden er met dranken en sandwiches ontvangen, waarna een Japanse officier verscheen om mee te delen dat allen geïnterneerd zouden worden. Vrachtauto’s brachten hen na een tocht door de stad, ‘waarbij’, aldus een der controleurs, ‘de bevolking in verslagen stilte toekeek’, naar de strafgevangenis. Daar was ‘het voedsel vreselijk’, en groeide ook grote bezorgdheid doordat, naar men vernam, de Japanners in plaatselijke bladen bekendmaakten dat sommigen van de opgeslotenen vóór hun opsluiting plannen voor een opstand zouden hebben beraamd. Gouverneur Adam werd ernstig mishandeld; hij werd door de Kenpeitai o.m. onderworpen aan de beruchte waterproef (zijn mond en neus werden vol water gegoten zodat hij bijna stikte) en zijn armen en zijn gezicht werden, aldus een tweede controleur, ‘volkomen zwart geslagen’; ‘na elke mishandeling’, aldus een derde, ‘liep hij steeds ... rechtop naar zijn cel terug’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 303-304

[Bandung 2 – Oosteindeweg] 

Niet allen die in april gearresteerd waren, werden vastgehouden: de vrouwen die hier en daar ook opgepakt waren, vele Indische Nederlanders onder de arrestanten en diegenen die een maandsalaris hadden gehad van minder dan f 300, werden na enige tijd vrijgelaten, soms al na twee dagen. De bestuursambtenaren onder die vrijgelatenen konden overigens hun werk niet hervatten – zij moesten zich als ontslagen beschouwen. Wachtgeld kregen zij niet uitbetaald. Andere vrijlatingen volgden later: bijvoorbeeld van functionarissen van de PTT, van de spoor- en tramwegen en van de waterschappen (dat laatste in verband met de irrigatiewerken die in aanleg waren) – allemaal personen van wie gebleken was dat het bezettingsbestuur hun ervaring en kunde niet kon missen; zij moesten als ‘ballenjongens’, d.w.z. met een witte armband met rode bal er op, hun werkzaamheden hervatten.
Hoeveel personen in totaal werden vastgehouden, is niet precies bekend maar het waren er stellig verscheidene duizenden, van wie velen een gezin en een vriendenkring in grote bezorgdheid achterlieten.
Het Koninkrijk der Nederlanden,13, 167-168: ‘Wij willen’, schreven wij, ‘de term ‘ballenjongens’ vervangen door de minder minachtende term welke ook door dr. van de Velde gebruikt is: de Nipponwerkers’. Daaraan willen wij nu toevoegen dat wij met het gebruik van deze term niets negatiefs ten aanzien van de betrokkenen als groep hebben willen aangeven. Er hebben zeer velen toe behoord die zich bewust waren dat zij door de voortzetting van hun werk de steunkassen ontlasten. Bovendien leek die voortzetting van belang opdat men, als eenmaal de bevrijding daar was, bepaalde posten nog in handen zou hebben.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 308

[Jakarta 6 – Leeuw] 

Ook op andere wijzen werd getracht, de herinnering aan het Nederlands gezag uit te wissen.
Nederlandse gedenktekenen werden verwijderd: in Batavia het standbeeld van Jan Pieterszoon Coen (wij maakten er al melding van) en het monument van gouverneur-generaal van Heutsz.¹) Voorts verdwenen er het gedenkteken van de Slag bij Waterloo en van de eerste radioverbinding tussen Nederland en Indië *]. Nederlandse straatnamen werden gewijzigd: in Batavia bijvoorbeeld ging de Van Heutsz Boulevard Djalan Imamoera (Imamoera weg) en de Oranje Boulevard Djalan Raya Sjowa (Grote Sjowa weg) heten – in Bandoeng evenwel, waar de Japanse resident een betrekkelijk gematigde figuur was, werden dergelijke wijzigingen pas in maart '45 doorgevoerd. ²)
¹) Deze monumenten waren voordien door een bekisting resp. met rieten matten aan het oog onttrokken.
²) Omgekeerd werden op vijf punten op Java waar zich in de week van 1 tot 8 maart '42 belangrijke oorlogsfeiten hadden voorgedaan, Japanse gedenktekenen opgericht. Het officiersverblijf bij het vliegveld Kalidjati waar op 8 en 9 maart de capitulatiebesprekingen hadden plaatsgevonden, werd in '43 in zijn oorspronkelijke staat hersteld en in het hotel Isola bij Bandoeng, waar het vooruitgeschoven hoofdkwartier was geweest van generaal Pesman, commandant van de Groep-Bandoeng, werd 8 december ’43 (de tweede verjaardag van Pearl Harbor) een oorlogsmuseum geopend waar men o.m. het ambtscostuum van gouverneur-generaal van Starkenborgh en het uniform van legercommandant ter Poorten kon zien.
*]. Het ‘Blote billen monument’ op het Tjitaroemplein in Bandoeng.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 312-313

[Bandung 3 – Pensioen] 

Voor een deel van die Nederlanders en Indische Nederlanders deden die moeilijkheden zich nog niet in maart en april voor doordat het gouvernement er eind februari toe was overgegaan, behalve de salarissen over die maand twee maanden salaris extra uit te betalen – een voorbeeld dat door veel Europese bedrijven was gevolgd. Wie zijn salaris in handen kreeg, kon zich dus even redden maar voor diegenen wier salaris op een bankrekening werd bijgeschreven of die postwissels plachten te ontvangen (Indië kende geen girodienst), gold dat niet, want in alle gebieden waar het Japanse militaire bestuur ging functioneren, werden de banken gesloten en werd de uitbetaling van postwissels gestaakt.
In april werden de moeilijkheden voor diegenen die in overheidsdienst waren of een overheidspensioen plachten te ontvangen, acuut. Alle betalingen werden op 1 april stopgezet. Nederlandse diensten die nog in het bezit waren van voldoende kasgelden, mochten geen uitbetalingen verrichten. Zij die in overheidsdienst waren, kregen dus geen cent meer, evenmin de vrouwen van diegenen die in december '41 gemobiliseerd waren (op Java was dat het geval geweest met ca. twintigduizend verlofgangers) – vrouwen van wie velen door allerlei vertragingen in de militaire administratie sinds die mobilisatie in het geheel geen tegemoetkoming hadden ontvangen. Dan de gepensioneerden: Indië kende ca. zes-en-tachtigduizend alleenstaanden of gezinnen die met een overheidspensioen moesten rondkomen: ca. veertigduizend, onder wie ruim twintigduizend inheemsen, van een burgerlijk pensioen dat gemiddeld f 1000 per jaar bedroeg, zes-en-veertigduizend van een militair pensioen – hier werd de grootste groep gevormd door de ca. dertigduizend gepensioneerden van het Knil die gemiddeld een pensioen ontvingen van iets minder dan f 600 per jaar. Begin april nu werd bekendgemaakt dat al die pensioenen voortaan niet uitbetaald zouden worden. Dat wekte een zo grote verontrusting dat het Japanse militair bestuur op Java, waar veruit de meeste pensioengerechtigden woonden, op 8 april deed weten dat de gepensioneerden zich geen zorgen behoefden te maken. Het was een loze mededeling: de uitkering van de pensioenen werd niet hervat en dat geschiedde evenmin nadat de gepensioneerden opgeroepen waren, zich aan te melden.
Op 15 maart maakte het Japanse militaire bestuur op Java bekend dat van 1 april af de Japanse salarisschalen moesten worden toegepast en dat, als uitvloeisel daarvan, niemand een hoger maandsalaris mocht ontvangen dan f 500 (tegelijkertijd werden de huren verlaagd: met 25% voor de laagste tot 50% voor de hoogste). Gemiddeld kwamen de Japanse schalen neer op een korting met meer dan een derde – daarbij herinneren wij er aan dat zich in maart en april op de passars op Java waar men zijn dagelijkse inkopen moest doen (veelvuldiger dan vroeger, omdat een deel van de inheemse straatkooplieden de woningen van Nederlanders en Indische Nederlanders ging mijden), de prijzen aanzienlijk stegen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 313-314

[Bandung 4 – Assistent-Resident] 

Deze maatregelen betekenden dat vrijwel alle Nederlandse en Indisch Nederlandse gezinnen in financiële moeilijkheden kwamen te verkeren en veel van die gezinnen al in de loop van april zelfs in nood. Sommigen waren reeds toen afhankelijk van diverse vormen van clandestien of openlijk hulpbetoon, anderen trachtten zich zelf te redden. Menige man begon een bedrijfje – een controleur in Bandoeng bijvoorbeeld, die van 9 maart af eenvoudig van zijn werk wegbleef, richtte eind maart met iemand die verstand van paarden had, een transportbedrijf op dat zich, toen hij begin december geïnterneerd werd, tot de grootste transportonderneming ter plaatse ontwikkeld had – ‘in mijn glorietijd’, schreef hij na de oorlog, ‘had ik driehonderd man [inheems] personeel en zes Europese assistenten’ en waren er dagen ‘dat ik met meer dan 100 gehuurde wagens werkte.’ De assistent-resident van Bandoeng, een Indische Nederlander die na zijn arrestatie in april werd vrijgelaten, stelde zich in verbinding met een naburige onderneming waar koffie en kinine was aangeplant en waar zich een melkerij bevond met ca. 30 koeien, en werd als beheerder aangesteld; twee ontslagen controleurs kon hij er tewerkstellen – korte tijd later werd hij door de Japanners benoemd tot Hoofd Pestbestrijding te Garoet tegen een toegezegd salaris van f 500 per maand. Hij hoopte dat salaris in de eerste plaats te gebruiken voor steun aan ‘de vele vrouwen van bestuursambtenaren die hier in Bandoeng waren gestrand en geen bron van inkomsten hadden’, maar daar kwam niet veel van terecht: in plaats van f 500 werd hem per maand slechts f 200 uitbetaald (dit werd pas in augustus '43 het officiële maximum-salaris voor allen die in loondienst waren). In Batavia zette een ontslagen inspecteur van politie een bedrijfje op voor het vervaardigen van rubberschoenen die hij door inheemse helpers liet verkopen. Anderen gingen zelf rond. ‘Rechterlijke ambtenaren’, aldus Elias, ‘verkopen geneesmiddelen langs de deuren. Ambtenaren van het Binnenlands Bestuur leuren met houtskool en maizena.’
Zo zijn er stellig vele andere mannen geweest die een activiteit ter hand namen welke enige inkomsten opleverde. Talrijke vrouwen trachtten hetzelfde te doen, gingen optreden als naaister of vervaardigden lekkernijen. ‘Velen’, aldus weer Elias, ‘weten er iets bij te verdienen door het verkopen van eigengemaakte sambals, jams, borstplaat. Weer anderen gaan met een hele kruidenierswinkel achter op de fiets de huizen af.’ Welk een verandering! ‘In Indië dat geen Europese venters kende, komen nu dagelijks tien, twintig vrouwen, jongens en kleine kinderen met koopwaar de tuin binnenlopen.’
Wie niet het geld bijeen kon krijgen dat voor het dagelijks levensonderhoud nodig was, begon met het verkopen van eigendommen, in de eerste plaats overtollige kleding of overtollig huisraad. ‘Ons beetje geld’, aldus in haar herinneringen een in Malang wonende vrouw van een Indische Nederlander die lerares was geweest aan de Handelsschool, ‘verdween als sneeuw voor de zon ... Wij begonnen kleding te verkopen; het waren nog goede kleren als avondtoiletten en mooie middagjurken die we toch niet meer gebruikten. Langs de huizen liepen inlanders die alles opkochten, natuurlijk goedkoop, om dan alle artikelen weer heel duur van de hand te doen. Zij hadden op deze wijze hun broodwinning; betrekkingen bij de Europeanen waren verkeken. Wij waren de dupe, want we werden op een afschuwelijke manier afgezet; de inlandse opkopers wisten natuurlijk heel goed dat wij, de achtergebleven vrouwen zonder man en zonder werk, dat geld nodig hadden. Maar al doende leert men. Eerst waren we blij met een paar gulden voor een heel pak kleren. Later ... begonnen we eisen te stellen en lieten een opkoper weggaan als hij te laag bood. Soms hadden we geen cent meer in huis; dan zagen we de man toch wel met angst weggaan en waren we intens blij als hij terugkwam en er wat bovenop deed.
... Op den duur werd dit bieden en pingelen onze dagelijkse bezigheid.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 317-318

[Bandung 1A – Javasche Bank] 

De Japanse liquidateuren van de opgeheven banken concentreerden zich op het innen van uitstaande vorderingen. Uiteraard viel bij allen die geïnterneerd waren, niets te halen, maar op de Chinezen en Arabieren die hun zaken konden voortzetten, werd grote pressie uitgeoefend om hun bankschulden af te lossen. Voor de betrokkenen was dat niet onaantrekkelijk: schulden in guldens konden zij aflossen met Japanse biljetten welke een veel te hoge nominale waarde hadden gekregen (de yen, die vóór de oorlog in het internationaal betalingsverkeer 44 cent waard was geweest, was in oktober '42 aan de gulden gelijkgesteld) en waarvan in '44 en '45 menigeen ging beseffen dat zij na de oorlog nauwelijks het papier waard zouden zijn waarop zij gedrukt waren. Er kwam bij de Nanjo-bank zoveel geld binnen dat in de tweede helft van '43 een eerste liquidatie-uitkering van 30% kon worden gedaan aan allen die op de opgeheven banken vorderingen hadden, bijvoorbeeld in de vorm van banksaldo’s. Die uitkeringen geschiedden slechts aan Indonesische, Chinese, Arabische en andere als niet-vijandelijk aangemerkte natuurlijke of rechtspersonen en verschuldigde belastingen werden er van afgetrokken. Nederlandse rechthebbenden kregen niets – zij werden, integendeel, benadeeld doordat een deel van de waarden die zij bij de banken in bewaring hadden gegeven, zoals juwelen, gouden en zilveren voorwerpen en tafelzilver, tegen veel te lage prijzen op veilingen werd verkocht. ‘Voor effecten’, aldus na de oorlog drs. H. J. Manschot, president van de heropgerichte Javase Bank, ‘bleken de liquidateuren gelukkig niet de minste belangstelling te hebben, zodat het effectenbezit van Nederlands Indië, hetwelk geheel was geconcentreerd in de z.g. Oorlogskluis van de Javase Bank te Bandoeng, onaangetast is gebleven.’ Ook de bankgebouwen en andere onroerende goederen die eigendom van de geliquideerde banken waren geweest, bleven intact.
Na de oorlog bleek dat de Japanners op Java bij de in totaal zeventien geliquideerde banken (zij berekenden voor de kosten van liquidatie ruim f 1 mln) ruim f 52 mln aan kasmiddelen in beslag hadden genomen en dat het bedrag van de eerste liquidatie-uitkering ongeveer gelijk was geweest aan de afbetalingen op vorderingen der banken, zodat het saldo op de liquidatie-rekening bij de Nanjo-bank niet veel lager was dan de in beslag genomen kasmiddelen, nl. ruim f 51 mln. ‘Voorzover men’, schreef Manschot, ‘kan spreken van een goede zijde van de liquidatie der banken, dan dient hierop te worden gewezen, dat door de liquidatie de Japanners belang hadden bij een in stand houden van de administraties en archieven der banken, hetgeen, in aanmerking nemende wat bij scheepvaart- en oliemaatschappijen en andere grote bedrijven op dit gebied is geschied, ongetwijfeld de redding van dit waardevolle bezit is geweest’ – de administraties en archieven van die andere Europese maatschappijen werden namelijk vernietigd, raakten zoek of kwamen in een chaos te verkeren.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 318-319

[Jakarta 1 – Rotterdam] 

Al door het feit dat de meeste verbindingen verbroken waren, hadden de Nederlandse export- en groothandelszaken, toch al gehinderd door het feit dat de banken gesloten waren, in de eerste periode van de bezetting weinig te doen. Bij verscheidene zaken werden voorraden goederen door Japanse legeronderdelen overgenomen – men kreeg dan te horen dat men bij het Japanse militaire bestuur een rekening kon indienen. De Nederlands-Indische Vereniging van Importeurs en Groothandelaren, oftewel de Nivig, ging er zich moeite voor geven dat die rekeningen zouden worden betaald. Daar kwam weinig van terecht. ‘Wij hebben geïnformeerd’, aldus begin mei een circulaire der vereniging (die met boodschappers rondgebracht moest worden, aangezien de posterijen nog niet werkten), ‘naar de mogelijkheid van betaling der door de legerautoriteiten afgenomen goederen. Hierop werd het antwoord ontvangen dat bij wijze van uitzondering aan kleinere firma’s rekeningen van niet te hoge bedragen voldaan zullen worden, doch over het algemeen moet er niet op worden gerekend dat importeurs voor hun leveranties aan de Japanse autoriteiten betaling zullen krijgen.’
Ongeveer een week na het uitgaan van deze circulaire kregen de Nederlandse importeurs en groothandelaren in Batavia de opdracht om op 18 mei om drie uur ’s middags in het gebouw van de Intematio (de Internationale Krediet- en Handelsvereniging Rotterdam) te verschijnen en alle sleutels van hun pakhuizen mee te brengen. ‘Toen aldaar’, aldus later C. D. Ricardo, procuratiehouder van het handelshuis Jacobson van den Berg, ‘een grote schare importeurs aanwezig was, staande in een halve cirkel voor een tafel, gingen twee Japanners achter die tafel zitten (de importeurs moesten blijven staan) en lazen in het Japans een soort proclamatie voor; een der Japanners gaf hiervan een zeer gebrekkige Engelse vertaling. Het kwam er in het kort op neer (voorzover verstaanbaar) dat deze beide Japanners meedeelden dat zij waren benoemd tot Nippon administrators, dat zij alle goederen onder zich namen (daarom moesten alle sleutels ingeleverd worden) en dat zij voortaan de baas waren; wie zich niet stipt aan hun instructies hield of iets deed zonder hun voorkennis, zou de ernstige gevolgen daarvan ondervinden.’
Daarmee waren de Nederlandse import- en groothandelszaken hun voorraden kwijt. Bij verschillende zaken werden bovendien de kasmiddelen en een deel van het kantoormeubilair in beslag genomen en allen kregen opdracht, het innen van vorderingen te staken. ‘Voorzover wij’, aldus Ricardo in oktober '42, ‘over enkele gegevens beschikken, kan gezegd worden dat de gang van zaken bij onze andere kantoren’ (Jacobson van den Berg had vestigingen in de Buitengewesten) ‘zo mogelijk nog troostelozer is geweest dan op Batavia. Van Medan, Padang en Menado hebben we geen berichten; alleen een telegram uit Medan, van een Brits-Indische relatie, dat onze mensen gezond zijn.’
Niet alleen bij de import- en groothandelszaken maar ook bij de Europese middenstandszaken, bij gouvernementsbedrijven en bij particulieren werden kasgelden, roerende goederen en vorderingen op derden in beslag genomen. De roerende goederen werden veelal door de Japanners verkocht. Een door hen bij gehouden kaartsysteem toonde na de oorlog aan dat, afgezien nog van wat bij de banken was geschied, alleen al op Java en Madoera in totaal f 12 mln. aan kasgelden in beslag was genomen, f 25 mln. aan vorderingen geïnd en voor f 94 mln. aan goederen was verkocht; daar kwamen nog ontvangsten van f 12 mln. bij die de Japanners niet hadden kunnen specificeren.
Het kwam allemaal neer op roof op grote schaal.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 323-325

[Bandung 1B – Gemeente] 

In de Buitengewesten kwam het niet tot een verplichte registratie van de leden van niet-Indonesische bevolkingsgroepen, op Java wèl. Zij werd daar op 11 april '42 bekendgemaakt in de pers: verordening no. 7 van de Japanse opperbevelhebber, Imamoera dus, bepaalde dat alle Europeanen en Vreemde Oosterlingen van zeventien jaar en ouder zich moesten aanmelden bij de gemeentehuizen waar zij een verklaring van gehoorzaamheid aan het Japanse leger zouden moeten ondertekenen en een registratiebewijs, een pendafiaran (wij zullen het naar analogie van het in '41 in bezet Nederland uitgereikte registratiebewijs als ‘persoonsbewijs’ aanduiden), in ontvangst zouden nemen. Op dat persoonsbewijs zou een foto geplakt worden – die zou men moeten meenemen. De in het Indonesisch gestelde verklaring van gehoorzaamheid bleek in het Nederlands aldus te luiden: ‘Met een oprecht hart zweer ik volstrekte trouw en onderwerp ik mij volledig aan alle bevelen van het Japanse leger.’ Die registratie leek een positieve kant te hebben: ‘Wie’, aldus artikel 4 van verordening no. 7, ‘zich niet laat registreren en geen trouw zweert aan het Japanse leger, diens maatschappelijke positie en diens leven zullen niet beschermd worden.’ Liet men zich registreren, dan zou dus van die bescherming sprake zijn. Die indruk werd versterkt doordat men voor de registratie moest betalen: elke Europese man f 150, elke Europese vrouw f 80, elke Vreemd-Oosterse man f 100, elke Vreemd-Oosterse vrouw f 50. De registratieplicht strekte zich ook uit tot de burgers van met Japan verbonden staten maar zij kregen het aan hen uitgereikte persoonsbewijs kosteloos.
Dat persoonsbewijs bevatte na invulling een hinderlijke menigte gegevens: onder A het volgordenummer van uitgifte in de plaats waar men zich had laten registreren; onder B de naam, de leeftijd en het geslacht; onder C het woonadres; onder D de landaard (bijvoorbeeld: ‘Nederlander’, ‘Duitser’, ‘Chinees’, ‘Arabier’), de geboorteplaats en de indicatie die men had gekregen op de z.g. rassenlijst; onder E de werkkring (in het geval van gehuwde vrouwen: de werkkring van hun echtgenoot); onder F de duur van het verblijf in Indië; onder G de huwelijkse staat en eventueel het aantal kinderen en hun geslacht. Rechts op het persoonsbewijs kwamen onder elkaar de foto, de duimafdruk en een ruimte voor het eventueel aantekenen van de afbetalingen op het registratiebedrag.
Onze algemene indruk is dat de meeste Nederlanders en Indische Nederlanders aan het van hen gevergde ‘trouw zweren’ niet te zwaar hebben getild, o.m. omdat van een feitelijke eedsaflegging geen sprake was – velen zagen de gehoorzaamheidsbelofte bovendien als in de lijn liggend van de algemene aanwijzing van het gouvernement dat men onder de bezetting zijn werk diende voort te zetten en geen daden van geweld tegen de bezetter moest ondernemen. Anderen waren van mening dat alle middelen geoorloofd waren om de bezetter te bedriegen. De journalist W.Ch.J. Bastiaans vernam in Batavia dat de gereformeerde predikant gezegd had dat men ‘in tijd van leugens en bedrog de bezetter met gelijke munt terugbetalen’ mocht.
Het registratiegeld moest, zo berichtten de bladen in de tweede helft van april, vóór 10 mei voldaan zijn. Dat was velen onmogelijk – aanvaard werd dat men het bedrag in maximaal tien termijnen betaalde; daarvoor moest men dan zijn duimafdruk plaatsen en twee getuigen moesten hetzelfde doen. Het registratiegeld werd echter ook wel door grote handelsfirma’s (naar wij aannemen, vooral ook door Chinese) betaald ten behoeve van hun employé’s. ‘Zo ziet men’, aldus Elias, ‘in de maand mei een grote file van betalers voor het gemeentehuis’ (in dit geval: van Bandoeng) ‘samengedrongen tussen hekken van latwerk. De langzaam voort schuifelende menigte is als een kudde schapen in handen van de scheerder.’
Hoeveel Nederlanders en Indische Nederlanders zich in totaal op Java (en Madoera) moesten laten registreren, weten wij niet precies – een orde van grootte van ca. honderdduizend lijkt ons niet onwaarschijnlijk en dat moeten, aangezien veel mannen krijgsgevangenen waren, in meerderheid vrouwen zijn geweest. Het kan zijn dat de Japanners er op gerekend hebben dat zij uit de groepen der Nederlanders en Indische Nederlanders aan registratiegelden een bedrag van de orde van grootte van f 10 mln zouden ontvangen en uit de groepen der Vreemde Oosterlingen (Chinezen, Arabieren, Brits-Indiërs e.a.) een bedrag van de orde van grootte van f 35 mln.
Hoeveel zij in werkelijkheid ontvangen hebben, is niet bekend. In Bandoeng kwam overigens in november '42, aldus Bouwer, ‘een grote fraude met registratiegelden aan het daglicht ... Indonesische registratie -‘ambtenaren’ hebben grote sommen in eigen zak doen verdwijnen. Het is niet bekend, hoeveel er verduisterd is, doch een Indonesische inspecteur van politie raamde het totaal op ‘om en nabij de f 100 000’. Ik heb tijdens de registratie trouwens zelf kunnen aanschouwen hoe slordig er met het geld werd om gesprongen. Nergens werden de ontvangen bedragen aangetekend. Kassa’s of geldkisten waren er niet. Meestal ging het geld in een of ander laadje van een schrijfbureau of tafel, soms ook in een naast de ‘ambtenaar’ staande prullenmand.’
Nog geen week later tekende dezelfde dagboekschrijver aan: ‘Er is ook nog aan het licht gekomen dat er vele valse registratiekaarten in het bezit van de ‘vreemdelingen’ zijn die voor het luttele bedrag van f 15 door verschillende Chinezen en Indo-Europeanen werden nagemaakt, kompleet met alle stempels en duim afdrukken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 328

[Bandung 3 – L.O.G.] 
[Surabaya – Gevangenis]
 

Elders op Java werden, evenals in Batavia, de algemene arrestaties met tussenpozen uitgevoerd – in eerste instantie bleef dus een deel van de Nederlandse mannen en jongens op vrije voeten. Zij die dat in Garoet nog waren, werden in juli naar Bandoeng ontboden. ‘Elk’, aldus later de controleur van Garoet, dr. J. Bakker (in april niet opgepakt omdat hij een functie had bij de luchtbescherming), moest een koffer met de meest noodzakelijk dingen meenemen. Ik nam afscheid van vrouw en kroost en meldde mij bij het LOG te Bandoeng. Dit was het tot interneringskamp ingericht Landsopvoedingsgesticht (het tuchthuis voor jeugdigen). De helft van de mannen ging weer naar huis, de rest werd geïnterneerd. Niemand snapte er iets van. Later bleek mij dat de regent een lijstje had moeten opmaken van de nog niet opgepakte mannen. Tevens moest hij 50% daarvan uitkiezen die voor directe internering in aanmerking kwamen. Een delicate taak! Enfin, ik kwam terug en iedereen vond het raar. Wat een geroddel! Niemand van de lieftallige Europese dames die je feliciteerde. Jaloezie en laster waren in ruime mate mijn deel.
In Soerabaja werden de in juli opgepakten in de oude gevangenis aan de Werfstraat opgesloten. Het gesticht had grote cellen welke vroeger voor maximaal negentien Javanen bestemd waren – nu werden in elke cel omstreeks vijftig Nederlanders gepropt. Een assistent-inspecteur van de Stoomvaart Maatschappij Nederland werd met een-en-vijftig lotgenoten naar een van die cellen gebracht. ‘Toen wij er’, schreef hij, ‘opgejaagd en geslagen door de inlandse cipiers voor stonden, keken wij elkaar aan en zeiden: ‘Neen, dat is onmogelijk’. Doch het moest en toen bleek het mogelijk’.
Niet al deze arrestanten werden vastgehouden: van diegenen die minder dan f 300 per maand hadden verdiend (de grens die ook in april had gegolden), werden velen vrijgelaten en anderen werden korte tijd later overgebracht naar het kolonisatiegebied Kesilir bij Java’s uiterste zuidoostpunt.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 349

[Bandung 3 – Interneringen] 

Elders op Java namen de interneringen, aansluitend op de voor Batavia geldende verordening no. 33, meer tijd in beslag.
In Bandoeng, waar in januari en februari '42 veel vrouwen met hun kinderen naar toe getrokken waren, werd in oktober (in de maand dus waarin op de 13de een grote razzia op mannen plaatsvond) bekendgemaakt dat alle volbloed Nederlandse vrouwen, kinderen en boven zestigjarige mannen in november, voorzover zij er niet al woonden, naar een villawijk, de Tjihapit-wijk, moesten verhuizen, ‘maar’, schrijft dr. van Velden, ‘velen weigerden te gaan. De internering geschiedde tamelijk ongeorganiseerd en met veel meer strubbelingen dan elders’ – het duurde hier enkele maanden, nl. tot maart '43, voordat de leden van de betrokken groepen allen in de Tjihapit-wijk ondergebracht waren: ca. zevenduizend personen.
De andere mannen uit Bandoeng en de gezinnen met zieken, tezamen ca. negenhonderd personen, kwamen in een tweede wijk van Bandoeng terecht, de Rama-wijk. In een derde, de Kareës-wijk, namen begin december de vrouwen en kinderen uit de rest van West-Java en uit het westelijk deel van Midden-Java hun intrek, uiteindelijk ca. zesduizend personen – zij hadden, na eerst in scholen en hotels te zijn geconcentreerd, naar Bandoeng slechts wat handbagage mogen meenemen.
Woningen en een barak in Tjimahi (het Baros-kamp) werden in december de gedwongen verblijfplaats van ca. twaalfhonderd vrouwen en kinderen uit die plaats en haar omgeving.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 349-350

[Semarang 3 – Interneringskamp] 
[Semarang 3 – Ambarawa] 

Ook in Semarang vond de internering eind ’42 plaats; hier kwamen in het stadsdeel Lampersari-Sompok uiteindelijk ca. achtduizend vrouwen en kinderen terecht, van wie sommigen uit andere plaatsen op Midden-Java en uit Soerabaja waren overgebracht. Andere vrouwen en kinderen uit Midden-Java, o.m. uit Djokjakarta, tezamen uiteindelijk ca. tienduizendvijfhonderd personen, werden òf in Ambarawa geïnterneerd in een al door het Nederlands gouvernement afgekeurde oude kazerne en een eveneens afgekeurd militair hospitaal (zesduizend personen) òf in de kazerne in het dicht bij Ambarawa gelegen Banjoebiroe (vierduizendvijfhonderd personen). Daarentegen kwamen ca. vijfhonderdvijftig vrouwen en kinderen uit Soerakarta in de bergen boven Ambarawa in hooggelegen, goede barakken van het Knil terecht en andere vrouwen en kinderen uit delen van Midden-Java in woningcomplexen bij landbouwondernemingen.
Op Oost-Java werden ca. zevenduizend vrouwen en kinderen eind ’42 en begin ’43 geïnterneerd in een goede stadswijk van Malang.
De laatsten die op dit deel van het eiland hun vrijheid verloren, waren de vrouwen en kinderen te Soerabaja: in januari ’43 de gezinnen die niet in hun eigen levensonderhoud hadden kunnen voorzien en steun hadden ontvangen, pas in de periode mei-september ’43 de overige gezinnen. Hier werden uiteindelijk in totaal ca. zesduizend personen in de Darmo-wijk bijeengebracht, een van de beste van de stad.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 350-351

[Surabaya 4 – Koeteistraat] 

Ook in Semarang vond de internering eind ’42 plaats; hier kwamen in het stadsdeel Lampersari-Sompok uiteindelijk ca. achtduizend vrouwen en kinderen terecht, van wie sommigen uit andere plaatsen op Midden-Java en uit Soerabaja waren overgebracht. Andere vrouwen en kinderen uit Midden-Java, o.m. uit Djokjakarta, tezamen uiteindelijk ca. tienduizendvijfhonderd personen, werden òf in Ambarawa geïnterneerd in een al door het Nederlands gouvernement afgekeurde oude kazerne en een eveneens afgekeurd militair hospitaal (zesduizend personen) òf in de kazerne in het dicht bij Ambarawa gelegen Banjoebiroe (vierduizendvijfhonderd personen). Daarentegen kwamen ca. vijfhonderdvijftig vrouwen en kinderen uit Soerakarta in de bergen boven Ambarawa in hooggelegen, goede barakken van het Knil terecht en andere vrouwen en kinderen uit delen van Midden-Java in woningcomplexen bij landbouwondernemingen.
Op Oost-Java werden ca. zevenduizend vrouwen en kinderen eind ’42 en begin ’43 geïnterneerd in een goede stadswijk van Malang.
De laatsten die op dit deel van het eiland hun vrijheid verloren, waren de vrouwen en kinderen te Soerabaja: in januari ’43 de gezinnen die niet in hun eigen levensonderhoud hadden kunnen voorzien en steun hadden ontvangen, pas in de periode mei-september ’43 de overige gezinnen. Hier werden uiteindelijk in totaal ca. zesduizend personen in de Darmo-wijk bijeengebracht, een van de beste van de stad.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 352-353

[Bandung 4 – J.B. Bouwer] 

Voor Nederlandse vrouwen was het nauwelijks mogelijk zich aan de opgelegde internering te onttrekken, a fortiori wanneer zij kinderen hadden. Wie onderdook, had hulp nodig – die kon men eigenlijk alleen vinden bij Indische Nederlanders maar dezen hadden het zelf al moeilijk en bovendien was er een gerechtvaardigde angst voor strenge strafmaatregelen door de Kenpeitai. Onderduikers zouden bovendien, als zij zich buitenshuis vertoonden, onmiddellijk opvallen. ‘Sommigen’, aldus dr. van Velden (maar dat kunnen er niet velen zijn geweest), kozen een uitweg door een echt of schijnhuwelijk met een Japanner of andere niet-Europeaan aan te gaan ‘of in Japanse restaurants of bordelen te gaan werken’ – van die uitweg maakten evenwel eerder Indisch-Nederlandse dan Nederlandse vrouwen gebruik.
Voor Nederlandse mannen was het onderduiken al even moeilijk. ‘Enkele mannen’, aldus dr. van Velden, ‘zijn er in geslaagd zich tot het eind schuil te houden’ – een van hen was de door ons al meermalen geciteerde dagboekschrijver J.B. Bouwer. Hij, een journalist, correspondent van het Amerikaanse persbureau United Press en van de Amerikaanse omroepmaatschappij CBS (Columbia Broadcasting System), was gehuwd met een Indisch-Nederlandse vrouw die niet geïnterneerd werd. Toen hij eind maart '42 in zijn woonplaats Bandoeng hoorde dat de Kenpeitai hem zocht, nam hij een andere naam aan en in juli '42 besloot hij, zich zoveel mogelijk schuil te houden. Hij had een reëel inzicht in het oorlogsverloop en in de strategie die de Geallieerden zouden volgen: op 10 augustus '42, toen hij via de radio vernomen had, dat de Amerikanen op Guadalcanal waren geland, schreef hij in zijn dagboek dat de Geallieerden, naar hij aannam, Java pas zouden heroveren als zij Japan hadden verslagen, ‘hetgeen wel eens een paar jaar zou kunnen duren.’ Achter de tuin van het huis waarin hij woonde, was een stuk oerwoud: daar verborg hij zich, telkens wanneer er gevaar dreigde. Zijn vrouw stond hem met grote moed en vindingrijkheid terzijde. Zij wist enig geld te verdienen waardoor zij zichzelf en haar man, en van februari '45 af ook hun eerste kind, kon onderhouden. Op 11 augustus '45, vier dagen voor het bericht van Japans capitulatie, werd zij nog gearresteerd - haar gevangenschap duurde niet lang.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 369-371

[Jakarta 5 – de Koning] 

In de tweede week van augustus '42 ontvingen, gelijk vermeld, ruim negenduizend Europeanen steun – dit waren, naar wij aannemen, hoofdzakelijk Indische Nederlanders. Toen evenwel de Nederlanders geïnterneerd waren, gingen, wat de Europeanen betrof, de steunuitkeringen louter naar de Indische Nederlanders toe: ruim elfduizend in de twee laatste weken van januari en de eerste week van februari '43, ca. tienduizendvijfhonderd in maart '43; in die perioden steunde het GESC bovendien ca. vijftienhonderd Indonesiërs (vermoedelijk zijn dit in hoofdzaak Ambonnese en Menadonese ex-militairen van het Knil geweest) en een kleine vierhonderd Chinezen. Het geld dat voor de rechtstreekse steunverlening nodig was, werd gedeeltelijk door de gemeente verstrekt op basis van vijf cent per persoon per dag. Op die basis kreeg het GESC in de genoemde perioden in '43 een gemeentelijke subsidie van ca. f 18 000 per maand. Het had voor zijn werk evenwel veel méér geld nodig: volgens de begrotingen voor januari en voor februari '43 (meer gegevens zijn er niet) in januari ruim f 15 000, in februari bijna f 18 000 méér – en wij zijn er van overtuigd dat die meer-uitgaven in de periode vóór de internering van de Nederlanders groter zijn geweest dan erna: het werk was toen uitgebreider.
Naast de subcomités welke wij eerder noemden, was er nog een opgericht: het financiële. Het kwam in oktober '42 tot stand – hoe het precies was samengesteld, weten wij niet, maar in elk geval maakten de drie leden van het dagelijks bestuur: Kramer, Manschot en Gutwirth, er deel van uit. Vooral door de bemoeienissen van Gutwirth die talrijke relaties had, kon dit subcomité gelden opnemen bij kleine, door Europeanen gedreven handelszaken die toen nog niet door de Japanners waren overgenomen, en vooral bij vermogende Chinezen. Al die gelden werden geleend – zij zouden na de oorlog, verhoogd met 6% rente per jaar en op goudbasis (niemand wist wat dan de waarde zou zijn van de Indische gulden) terugbetaald worden. Er werden schuldbekentenissen ten laste van het gouvernement voor afgegeven die in de regel door Manschot waren ondertekend; deze was daartoe gemachtigd door de president van de Javase Bank, van Buttinga Wichers, met wie men, al was hij geïnterneerd, contact had kunnen opnemen, en het feit van die machtiging werd meegedeeld aan een ieder voor wie de handtekening van Manschot niet voldoende was. Dat er clandestien geld werd geleend, werd midden '43 door de Kenpeitai ontdekt – nadien was het niet meer mogelijk. Volgens het eerder geciteerde, uit februari '44 daterende Kenpeitai-rapport over het verzet op Java was toen op regeringsgarantie in totaal f 95 999 opgenomen.
Duidelijk is dat Kramer de bijna f 200 000 uit de kas van het Comité van Stads- en Landwachten, die hij tenslotte naar zijn buitenhuis had overgebracht, niet voor het GESC-werk ter beschikking heeft gesteld. Hij had dat geld voor andere doeleinden bestemd: voor de financiering namelijk van een breed-opgezette illegale beweging die op Java allerlei activiteiten ter hand moest nemen welke de komst der Geallieerden zouden bespoedigen, en aan dezen na hun landing steun zou kunnen verlenen.
Als voorzitter van het Algemeen Landbouw Syndicaat had Kramer een zekere bewegingsvrijheid – af en toe kon hij naar Buitenzorg, Bandoeng en Soekaboemi, eenmaal kon hij naar Semarang reizen. Hoewel dat door de Japanners verboden was, nam hij dan soms geld mee ten behoeve van de steunorganisaties die buiten Batavia waren ontstaan, geld van het GESC, en uit de kas van het GESC gaf hij ook bedragen aan de grootste steunorganisatie welke in Semarang tot stand was gekomen. Enige medewerkers van het GESC gingen evenwel vermoeden dat hij tevens allerlei illegale groepen financierde – zij, niet wetend van de bijna f 200 000 die hij had verborgen, namen aan dat hij dat deed met geld van het GESC. ‘Dat vermoeden bij enigen van ons’, aldus in april '47 de vroegere secretaresse van het GESC-bestuur, ‘was voor de heer Gutwirth vrijwel zekerheid. Vandaar ook dat hij middelen beraamd heeft om hieraan op tactvolle wijze een einde te maken. Immers, indien dit vermoeden juist zou blijken te zijn, dan werd onze voor de Nederlandse gemeenschap onontbeerlijke steunorganisatie daardoor ernstig in gevaar gebracht. Derhalve keurden wij het optreden van de heer Kramer, hoe goed ongetwijfeld en in het belang van de Geallieerde zaak ook bedoeld, beslist niet goed.’
Er kwam dus wrijving tussen Gutwirth en Kramer. Gutwirth wenste dat Manschot en hij een vetorecht zouden krijgen over alle uitgaven die Kramer wilde doen, en Kramer die de gelden van het GESC in het geheel niet nodig had om steun te verlenen aan illegale groepen, weigerde die bevoogding te aanvaarden. Dit conflict was nog onopgelost toen Kramer eind december '42 door de Kenpeitai werd gearresteerd. *] Op zijn illegale werk komen wij in het volgende hoofdstuk, op de verdere ontwikkeling van het GESC in hoofdstuk 10 terug. Hier willen wij ons beperken tot de opmerking dat de risico’s die Kramer voor het GESC schiep, niet gelegen waren in het vermeende feit dat hij voor het GESC bestemde gelden voor illegale doeleinden ter beschikking stelde, maar hierin dat hij, de voorzitter van het GESC, tevens (en geheel los daarvan) optrad als financier van illegaal werk.
*] Kramer is op 21 juli 1943 in de gevangenis overleden. [Jansen – In deze halve gevangenis, noot 394] 

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 364, 372-273

[Semarang 2 – Van Oort] 

Op Java kwamen [in 1942] veel Nederlanders, Indische Nederlanders, inheemse oud-Knil-militairen en gezinnen van inheemse Knil-militairen in moeilijkheden te verkeren door [dat] [...] de banken en de postspaardienst werden gesloten, postwissels werden niet meer uitbetaald, de betaling van pensioenen werd gestaakt, alle salarissen werden drastisch verlaagd, het Nederlandse bedrijfsleven werd door Japanners overgenomen en/of geliquideerd, Nederlanders en Indische Nederlanders moesten relatief hoge bedragen betalen om in het bezit te komen van een persoonsbewijs en aan allen die in ’41 meer dan f 3000 per jaar hadden verdiend of een vermogen bezaten van f 25000 of meer werd een extra belastingaanslag opgelegd.
Velen konden zich, gelijk al vermeld, enige tijd redden door een handeltje te beginnen of eigendommen te verkopen – anderen werden geholpen door hun werkgevers. Bij verscheidene bedrijven (o.m. de Bataafse Petroleum Maatschappij, De Koninklijke Paketvaart Maatschappij, de Internatio, het handelshuis Lindeteves Stokvis, De Nederlands-Indische Gas Maatschappij, de Factorij van de Nederlandse Handelmaatschappij, de andere Nederlandse banken) was men er in geslaagd een deel van de kasmiddelen achter te houden – die bedrijven waren in staat, de employés die zij hadden moeten ontslaan, financieel te helpen; in veel gevallen waren zij het die eind april en begin mei de gelden ter beschikking stelden die voor de registratie nodig waren. Al vóór eind april evenwel was hier en daar al andere hulp op vrij grote schaal nodig gebleken.
Die hulp werd verleend door de kerken, door gemeentelijke organen, door al of niet met deze samenwerkende particuliere comités en, op Oost-Java o.m. door het Rode Kruis. [...]
In Semarang begon een vrouwelijke arts, M. van Oort-Lau, in april ’42 met de steunverlening, oorspronkelijk alléén (ze kon enkele weken later op haar erf driemaal in de week rijst laten uitdelen aan twee- tot driehonderd behoeftigen), spoedig met hulp van twee Nederlanders, enige tijd later met medewerking van drie pastoors. Haar eigen erf, het katholieke en het protestantse weeshuis werden distributiepunten, ‘elke week’, schreef zij in ’47 in haar rapport ter zake, ‘kwamen er meer inschrijvingen; het maximum is geweest negentienhonderdzestig mensen, uitsluitend Europeanen, hoofdzakelijk Indo’s’ (Indische Nederlanders), ‘soldatenvrouwen en kinderen, allen zonder enige bron van inkomsten’. Ook een tehuis voor daklozen werd door mevrouw Van Oort georganiseerd, ‘waar er tenslotte tachtig tot honderd woonden, ook geheel uit mijn rijstfonds onderhouden’.[...]
Inmiddels was zij er toe overgegaan om levensmiddelen, sigaretten, geld en medicijnen bijeen te brengen die onder leiding van een Madoerees een nabij gelegen krijgsgevangenenkamp werden binnengesmokkeld. Via die Madoerees bereikte haar het verzoek, de krijgsgevangenen ook nieuws over het oorlogsverloop te leveren. ‘Ik heb toegestemd: wij luisterden zelf elke avond en zo maakte ik ongeveer tweemaal per week een strookje getypte berichten klaar, een compilatie van berichten van BBC, San Francisco en Sydney’. In december werd zij wegens het doen overbrengen van die berichten door de Kenpeitai gearresteerd; ‘ik moest beloven het nooit meer te doen (sic) en werd weer vrijgelaten na ongeveer een uur verhoor’. Zij zette het doorgeven van berichten voort en werd midden januari ’43 opnieuw gearresteerd, nu naar Batavia overgebracht en daar door de Japanse militaire rechtbank tot vijf jaar gevangenisstraf veroordeeld. Dit was het einde van haar hulpactie.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 374

[Surabaya 3 – Rode Kruis] 

Naast de genoemde vereniging was in Soerabaja het Nederlands-Indische Rode Kruis actief.
Het bestuur van deze vereniging, gevestigd in Bandoeng, had eind april ’42 het werk neergelegd, hopend dat in Batavia verlof zou worden verkregen voor het hervatten; daarvan kwam niets terecht, mede doordat de officiële gedelegeerde van het in Genève gevestigd Comité International de la Croix Rouge, de Zwitser W. Weidman, in Batavia consul-generaal van Zwitserland, niet bereid was enig risico te nemen – deze functionaris heeft ook ten behoeve van de krijgsgevangenen en geïnterneerden niets van betekenis ondernomen*].
De Zwitserse consul te Soerabaja daarentegen, ir. M.E. Keller, en zijn Zweedse collega A. Wiesländer, hielden de plaatselijke afdeling van het Rode Kruis de hand boven het hoofd en op hun voorspraak vond de Japanse marinecommandant goed dat het Rode Kruis aan de krijgsgevangenen op Oost-Java alle mogelijke hulp verstrekte – ook werd het gemachtigd om, toen het interneringskamp in Kesilir eenmaal een feit was, ten behoeve van dat kamp alles bijeen te brengen wat het nodig had; hetzelfde geschiedde ten behoeve van de in Soerabaja ingerichte interneringsoorden, waaronder de Darmo-wijk. Van belang was voorts dat het informatiebureau van dit Rode Kruis tot eind ’42 in het geheim ongeveer 56000 namen van krijgsgevangenen en geïnterneerden wist te verzamelen. Tenslotte kon deze Kruisorganisatie, voordat zij in mei ’43 opgeheven werd (Keller was kort tevoren gearresteerd), van Soerabaja uit in tien plaatsen op Midden- en Oost-Java afdelingen oprichten waarvan die te Malang, geleid door de arts J.H. Soesman, bij uitstek actief is geweest. Soesman mocht met verlof van de Japanners zijn Rode Kruis-comité, waarin ook een Japans officier zitting had, omzetten in een Centraal Steun Comité dat voor behoeftigen goedkope woningen zocht, tehuizen voor daklozen oprichtte, gaarkeukens in bedrijf hield en zorg droeg voor de nodige medische voorzieningen. Het Comité, dat onder andere ca. tweeduizend gezinsleden van oud-militairen van het Knil opving, verzamelde voor zijn arbeid, die het tot augustus ’44 kon voortzetten, ca. f 150 000 in, vooral ook bij vermogende Chinezen.
*] zie ook [Bouwer – Het vermoorde land, 271-272] en [Van Heekeren – Batavia seint: Berlijn, 85-86].

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 377-378

[Bandung 1B – Gemeente] 

In Bandoeng, zo noteerde Bouwer op 10 november, werden de toestellen op de eerste inleveringsdag ‘bij tientallen’ naar het gemeentehuis gebracht. ‘Het is een harde slag voor de mensen. Met vrijwel alle ontvangers kon na de ‘behandeling’ toch wel naar de buitenlandse stations worden geluisterd. Daarop hebben de mensen geleefd. Het maakte alles zoveel gemakkelijker te dragen. Natuurlijk zal het nieuws desondanks zijn weg naar de mensen wel vinden, maar het verliest ongetwijfeld aan betrouwbaarheid. En de Japanners zijn vastbesloten het clandestiene luisteren uit te roeien. Zij die dus nog kunnen luisteren met een niet-ingeleverd, verzegeld en mishandeld toestel dan wel met een ongeregistreerde ontvanger, zullen bijzonder voorzichtig moeten zijn met het verspreiden van hetgeen zij horen.
... De plaatselijke politie, werkend volgens bepaalde lijsten, is gisteren en vandaag de huizen al langs geweest om toestellen op te halen bij mensen die aan het bevel nog geen gevolg hadden gegeven. Doch voor dit alles gebeurde, hebben wij nog kunnen horen, hoe sterke Amerikaanse en Engelse legers in Noord-Afrika zijn geland ... Het heeft de scheiding van radiotoestel dubbel zo pijnlijk gemaakt.’
Bouwers geregistreerde toestel werd op de 11de door de inheemse politie in beslag genomen (hij behield het ongeregistreerde dat hij in zijn tuin had verborgen). ‘Er werd geen huiszoeking gedaan. Nog drieduizend toestellen zijn zoek’, schreef hij op de 14de; dat laatste had hij blijkbaar van een politieman of van een andere relatie vernomen. Dat er op de derde of zesde dag na de 8ste november waarvoor de inlevering voorgeschreven was, in Bandoeng nog zoveel toestellen (daargelaten of het inderdaad drieduizend zijn geweest) niet waren ingeleverd, tekent de weerstand tegen de Japanse maatregel. Heeft de politie al die toestellen nadien in beslag genomen? Het is niet bekend, maar Bouwer is zeker niet de enige geweest die een ongeregistreerd toestel bezat. Trouwens, sommigen konden uit losse onderdelen een apparaat in elkaar zetten waarmee men weer naar de Geallieerde uitzendingen kon luisteren. Dat neemt niet weg dat, naar men moet aannemen, de meeste Nederlanders en Indische Nederlanders hun radiotoestel kwijtraakten. Met grote spijt! Inderdaad, die verbinding met de vrije wereld was een grote steun geweest. Die steun viel nu weg.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 466-467

[Bandung 4 – Muloschool] 

Nu ons overzicht van het verzet en de illegale activiteiten in Nederlands-Indië voltooid is, willen wij dieper ingaan op de structuur en de werkwijze van het al vele malen genoemde Japanse orgaan dat verzet en illegaliteit bestreed: de Kenpeitai, de Japanse militaire politie. Het orgaan had in de door de Japanse marine bestuurde gebieden (Borneo en de Grote Oost) een andere naam: de Tokkeitai, maar dat verschil willen wij verder verwaarlozen.
In de meeste staten is het steeds de enige functie van de militaire politie geweest om binnen de strijdkrachten de orde te handhaven. De Duitse Feldgendarmerie trad evenwel in een bezet land als Nederland daarenboven menigmaal als hulporgaan van de Duitse politie op. Verzet en illegaliteit werden daar overigens tegengegaan door politie-organen: de Sicherheitspolizei und SD, die vaak de Ordnungspolizei inschakelde, en door de militaire contraspionage, Abwehr III. In Japan was voor de Kenpeitai het handhaven van de orde onder de militairen een neventaak geworden – haar hoofdtaak was het opsporen en uitschakelen van alle groepen en individuen die weigerden, ‘de keizerlijke weg te volgen.’
Op Java en elders in Indië hadden de Japanse strijdkrachten een eigen informatiedienst, de Beppan. Geholpen door talrijke medewerkers die f 40 tot f 80 per maand ontvingen, verzamelde deze inlichtingen van allerlei aard waarbij haar functionarissen in burger gekleed waren. Arrestaties verrichtte zij niet – dat was werk van de Kenpeitai en van de door deze gecontroleerde Indonesische Politieke Inlichtingendienst, de PID. Er zijn aanwijzingen dat de Kenpeitai op Java in de loop van '45 enkele taken heeft overgedragen aan het departement van Openbare Veiligheid alsmede aan een nieuwe, onder Singapore ressorterende militaire inlichtingendienst, maar die aanwijzingen zijn niet volstrekt duidelijk en in elk geval is de Kenpeitai ook op Java tot Japans capitulatie blijven functioneren.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 466-467

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

Japanse orgaan dat verzet en illegaliteit bestreed: de Kenpeitai, de Japanse militaire politie. [...]
In Japan was voor de Kenpeitai het handhaven van de orde onder de militairen een neventaak geworden – haar hoofdtaak was het opsporen en uitschakelen van alle groepen en individuen die weigerden, ‘de keizerlijke weg te volgen.’ [...]
Het hoofdkwartier van de Kenpeitai op Java was, gelijk al vermeld, in Batavia gevestigd in het gebouw van de Rechtshogeschool (haar vrouwelijke gevangenen werden in het daarnaast gelegen vroegere Franse consulaat, haar mannelijke soms in het er tegenover gelegen politiebureau opgesloten).

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 467-468

[Bandung 4 – Muloschool] 

In Bandoeng zetelde de Kenpeitai in een ontruimd katholiek broedertehuis, in Semarang en Soerabaja in het gebouw van de Raad van Justitie, in Soerakarta in een hotel, in Malang (meer gegevens hebben wij niet) in de Christelijke muloschool.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 468-469

[Bandung 4 – Kenpeitai] 

De Kenpeitai had vele helpers: zij werd, gelijk al vermeld, met Indonesiërs uitgebreid, zij had tolken in dienst (Japanse burgers, Chinezen, Indonesiërs, ook enkele Nederlanders) en zij maakte op grote schaal gebruik van verraders, die ook wel als cel-spion optraden; verraders vond ze onder alle bevolkingsgroepen die in de archipel woonden, en onder hen waren, wat de Indonesiërs betrof, zowel eenvoudigen als hooggeplaatsten.
Naast vaste verraders waren er incidentele die per bewezen dienst betaald werden: zo werd eind maart '43 op Java bekendgemaakt dat elke Indonesiër die een ondergedoken Nederlander verried, de zeer hoge beloning van f 500 zou krijgen – wie daarentegen inlichtingen kwam verstrekken over een onderschept briefje, een afgeluisterd telefoongesprek of een afgeluisterde radio-uitzending, werd veelal met f 1 afgescheept en dat lage bedrag moet men, dunkt ons, niet zien als aanwijzing dat de Kenpeitai niet in die inlichtingen geïnteresseerd was, maar dat er velen waren die dat soort gegevens kwamen aanbieden.
Hoeveel verraders waren er? G.H. de Heer die van mei '42 tot augustus '45 tolk was geweest bij de Kenpeitai-Bandoeng, kon in februari '46 aan de Nefis de namen geven van negentien Indische Nederlanders die incidenteel of regelmatig verraad hadden gepleegd, en zei toen voorts dat ‘vele Inlanders’ en ‘enkele Chinezen’ hetzelfde hadden gedaan. In een in '85 geschreven studie schatte F. de Rochemont dat de informanten van de Kenpeitai voor 80% Indonesiërs, voor 10% Chinezen en voor 10% Europeanen (daaronder dus ook Indische Nederlanders) waren geweest. Wat de Indische Nederlanders betrof, bevonden zich onder hen enkele (door hun internering in Ngawi verbitterde) NSB’ers. Wat de Indonesiërs betrof: in Soerakarta werd rondverteld dat daar ‘tot grote angst van de bevolking’, wel duizend Javaanse spionnen rondliepen, ‘die een dubbeltje per dag kregen om iemand aan te brengen.’ Wij voegen hieraan toe dat men ook enkele van de op Java gevormde Japanse semi-militaire formaties als informatiebronnen van de Kenpeitai dient te beschouwen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 481-482

[Jakarta 7 – Rechtshogeschool] 

Wat bij de Japanse militaire rechtbank voor rechtspraak doorging, had met rechtspraak volgens normale begrippen weinig of niets te maken. De rechtbank bestond uit drie officieren – de voorzitter, gelijk vermeld, was hoofd van de dienst die de bezwarende gegevens had verzameld: de Kenpeitai. Als officier van justitie trad eveneens een officier op en ook de verdediger was een officier, meestal dezelfde die de door de Kenpeitai opgestelde aanklacht voorlas en toelichtte. Hoger beroep was niet mogelijk. Voorzover de beklaagden het konden volgen (alleen het Japans en het Indonesisch waren toegestaan), trof het z.g. proces hen als een schimmenspel. Veelal bestond het z.g. bewijsmateriaal louter uit evident afgeperste bekentenissen, die evenwel in de ogen van de militaire rechters een overtuigend bewijsmiddel waren. Eén bewijsmiddel werd voldoende geacht – was een verdachte blijven ontkennen, dan kon hij op grond van de bekentenis van één medeverdachte veroordeeld worden. Trouwens, als er in het geheel geen bekentenissen waren, dan kon vonnis gewezen worden louter op grond van een van de Kenpeitai afkomstige verklaring. In Benkoelen, waar alle Nederlandse ex-BB’ers van de residentie eind oktober '43 voor een speciale Japanse militaire rechtbank verschenen, zat de officier die tegelijk aanklager en verdediger was, het grootste deel van de tijd te slapen. Inderdaad, in heel veel gevallen stonden de vonnissen al vast voordat de rechtbank in zitting bijeenkwam. Hoe begrijpelijk is de reactie van kapitein de Lange die, nadat hij de doodstraf tegen zich had horen uitspreken, als eerste woorden tegen zijn medegevangenen zei: ‘Dit is geen rechtspraak!’
ILW Jakarta 7 Koningsplein executieterreinVan geen enkele van de vele zaken die aan de Japanse militaire rechtbanken in de archipel zijn voorgelegd, hebben wij een gedetailleerde beschrijving – naar de houding die diegenen aan de dag legden die zich voor die rechtbanken moesten verantwoorden, kan men slechts gissen. Hoeveel doodvonnissen die rechtbanken hebben geveld, weten wij slechts voor die te Batavia: 493. De meesten van die bijna vijfhonderd terdoodveroordeelden zijn te Antjol, aan de noordoostkant van Batavia gelegen, onthoofd.
[Het voormalige executieterrein is ereveld geworden voor alle terechtgestelden, dus ook voor hen die op andere plaatsen zijn geëxecuteerd: Kuburan Belanda, Ancol]

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 482

[Jakarta 3 – Gevangenis] 

Lang niet in alle gevallen werd door de Japanse militaire rechtbanken de doodstraf opgelegd – dat bleek al eerder in dit hoofdstuk. Hoevelen tot gevangenisstraffen werden veroordeeld, is niet bekend. Onze algemene indruk is dat het meestal lange straffen waren: levenslang of een periode van tien of vijftien jaar. Achteraf is gebleken dat dit vaak op een doodstraf neerkwam, want de toestanden in de gevangenissen waarin men de straf moest uitzitten, waren deplorabel. Door de Japanners werd nauwelijks toezicht op de gevangenissen uitgeoefend, de algemene schaarste aan levensmiddelen die zich ging aftekenen, leidde er toe dat slechts hongerrantsoenen werden verstrekt, onder het slecht-betaalde Indonesische gevangenispersoneel kwam veel corruptie voor, menig personeelslid schepte er behagen in, de Nederlandse en Indisch-Nederlandse gevangenen extra-slecht te behandelen en in menige gevangenis hadden de Indonesische zware misdadigers die er opgesloten zaten of werden, een zekere machtspositie kunnen opbouwen ten nadele van alle overige gevangenen.
In en bij Batavia waren vier gevangenissen: Boekit Doeri, Glodok, Struiswijk en Tjipinang. De eerste drie werden in '42 gebruikt als interneringsoord voor een deel van de in Batavia opgepakte mannen en Struiswijk bovendien in '44 als krijgsgevangenenkamp voor officieren – wij komen er in de hoofdstukken 8 en 9 op terug. Tjipinang daarentegen werd een gevangenis waarin veroordeelden terechtkwamen. Tjipinang was een oude gevangenis. Hoeveel werkelijke en vermeende illegale werkers er in totaal gevangen hebben gezeten, is niet bekend.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 515-517

[Woordenlijst Romusha] 

Romoesja is een Japans woord dat zoiets als ‘werksoldaat’ betekent en de recrutering van die ‘werksoldaten’ op Java is slechts de voortzetting geweest van wat de Japanners elders in Azië hadden gedaan: ook in Korea, in Mandsjoerije en in bezet China hadden zij regelmatig grote groepen inheemse arbeiders gevormd die onder toezicht van militairen aan het werk waren gezet. Sommigen van die arbeiders waren tot dat werk gedwongen, anderen hadden er zich voor aangemeld op grond van de toezegging dat zij goed betaald en behoorlijk behandeld zouden worden voor arbeid die, aldus de Japanners, als een eer moest worden beschouwd: de glorie van het Japanse leger moest ook op die ‘werksoldaten’ afstralen. In het Indonesisch heetten zij op Java in de propaganda ‘pradjoerit ekonomie’, ‘economische soldaten’.
Aanvankelijk was op Java van die propaganda geen sprake. Er lagen bruggen in het water, wegen waren versperd, op vliegvelden waren vernielingen aangericht en dat moest allemaal zo spoedig mogelijk worden hersteld. Soms eisten de Japanse militairen dat de inheemse bestuurders hun daartoe voldoende werkkrachten zouden leveren, soms hielden zij razzia’s. Wij gaven daar al een voorbeeld van in hoofdstuk 5: voorbeeld van een inheemse klerk die, in maart '42 van Batavia naar Buitenzorg fietsend, van zijn fiets gesleurd was en gedwongen was, mee te helpen bij het herstel van een vliegveld: ‘hij had gedurende een maand onder streng toezicht gewerkt, meer slaag dan eten en geen betaling ontvangen. Het had hem eindelijk mogen gelukken te ontsnappen ... Zijn geval was er een uit duizenden.’
Met het houden van dergelijke razzia’s is het Japanse leger doorgegaan: waren arbeidskrachten nodig voor werk op Java of elders, dan werden dessa’s afgezet en alle mannen en jongens onder gewapend geleide afgevoerd. Vooral in '42 en in de eerste helft van '43 is dat het geval geweest. In de eerste maanden van '43 werd een deel van de gegrepenen naar Sumatra overgebracht om daar ingezet te worden bij de aanleg van de z.g. Pakanbaroe-spoorweg: een spoorwegtraject dat aansluiting moest geven op de bestaande lijn naar Padang. Was die verbinding tot stand gekomen, dan zouden de Japanners van Singapore versterkingen naar de Sumatraanse westkust kunnen sturen zonder dat hun transportschepen zich in de gevaarlijke Indische Oceaan zouden behoeven te wagen. Begin '43 werden de eerste romoesja’s op Sumatra’s oostkust aan het werk gezet om er in het moerassige gebied, waar veel malaria heerste, te beginnen aan het opwerpen van een spoordijk. In maart '43 nu werden de leerlingen van de derde klas van een school voor voortgezet onderwijs te Djokjakarta, jongens dus van veertien of vijftien jaar, bij het uitgaan van de school door Japanse militairen omsingeld, naar het station gevoerd en met talloze anderen in vergrendelde goederenwagons naar Batavia getransporteerd: een reis van een dag; zij kregen niets te eten of te drinken. In Batavia bleken zich ca. achtduizend romoesja’s te bevinden. Dezen gingen met twee schepen naar Singapore onderweg – een van de schepen werd getorpedeerd, ca. vierduizend romoesja’s verdronken. De resterende vierduizend kwamen begin april '43 in Pakanbaroe aan. Van een van de uit Djokjakarta afkomstige leerlingen kreeg later een krijgsgevangene van het Knil (een van de velen die aan de romoesja’s werden toegevoegd) het volgende relaas te horen: ‘Meteen bij aankomst wordt door de Japanners een machtswellust-demonstratie gehouden voor het front van de pas aangekomen romoesja’s. Acht van hen worden aangewezen om een rails op te tillen. Zij zijn er niet toe in staat. De Japanner vermindert het aantal, steeds met twee man, tot er vier overblijven. Uiteraard zijn ook zij niet in staat de rails op te tillen ... Deze vier man worden ter plaatse met een samoerai-zwaard onthoofd. De Japanse commandant deelt de aangetreden romoesja’s mee, ‘dat dit luie romoesja's te wachten staat.’ Dan begint het harde leven langs de spoorbaan: weinig eten, geen kleding, geen daggeld en geen geneeskundige verzorging. De barakken voor hun huisvesting moeten zij zelf bouw en. Zo lang deze nog niet gereed zijn, wordt in de openlucht geleefd ... Kleding wordt niet verstrekt, evenmin muskietengaas ... De meesten sterven aan ondervoeding, dysenterie, malaria en tropenzweren.'
In totaal werden ca. twee-en-twintigduizend romoesja’s bij de aanleg van de Pakanbaroe-spoorweg ingezet van wie de meesten van Java afkomstig waren, sommigen uit de Buitengewesten, enkelen zelfs uit Frans-Indo-China. Er waren in augustus '45 nog ca. vijfduizend in leven en van dezen bezweken na Japans capitulatie nog velen aan de gevolgen van hun inzet.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 541-542

[Jakarta 7 – Station] 

De rijstrantsoenen (wij hebben er maar weinig gegevens over) gingen plaatselijk in hoge mate verschillen. In Bandoeng werd het eind oktober '43 ingestelde rantsoen van 200 gram per persoon per dag midden december tot 160 gram verlaagd. In februari '44 was het dagrantsoen in Djokjakarta 75 gram, in maart was het in Djakarta 115 gram, later in dat jaar eerst 200, van 1 oktober af 160 gram – en daarbij weten wij niet eens of al die officiële rantsoenen (zij werden van begin '44 af verdeeld door de tonarigoemi's) steeds verkrijgbaar waren.
Wèl weten wij drie dingen: dat droogte er toe leidde dat de padi-oogst in '44, met '43 vergeleken, met 1,2 min ton daalde (van 8,1 tot 6,9 mln ton), dat de Japanners voor eigen gebruik op Midden-Java in het oogstjaar '44-'45 meer dan twee-en-een-half maal zoveel rijst vorderden als in het oogstjaar ’43-’44, en dat de prijzen op de zwarte markt voortdurend stegen. In Djokjakarta moest men in februari '44 in de zwarte handel voor een kilo rijst f 1,55 betalen, in Soerabaja in augustus f 1,90, in Pati (Midden-Java) in september f 0,70, in Bandoeng in januari '44 f 0,60, in augustus f 0,95 ('de verkopers’, noteerde Bouwer in Bandoeng, ‘houden zich aan hun eigen en niet aan de officieel vastgestelde prijzen. Voor minder dan hun eigen prijzen staan zij hun waren niet af en vernietigen ze desnoods. En niemand doet er iets tegen’), in oktober f 2, in december f 3, in Djakarta in februari '44 f 1,70, in juni f 0,85, in oktober f 1,80, in november f 3,60.
De Indisch-Nederlandse schrijfster Beb Vuyk die in Soekaboemi woonde, stuurde in die tijd elke maand een inheemse helper, Simin, met geld en voedsel naar haar schoonmoeder in Djakarta. ‘De laatste tijd’, zo schreef zij in haar aantekeningen, ‘konden we alleen gekookte rijst sturen, het vervoer van rauwe rijst is verboden. Wie gesnapt wordt, dwingen de Japanners de smokkelwaar op te eten. Simin zag op het station een man en een vrouw met de bajonet op de buik gedwongen worden handenvol rauwe rijst te slikken. Het waren geen echte smokkelaars, alleen maar mensen van buiten die voor hun hongerige familie in de stad een paar liters rijst meebrachten.
... De dagelijkse zorgen om aan eten te komen zijn zo groot dat we zelden aan de toekomst denken. Zelfs hier in de bergen is eten een probleem, hoewel ons huis tussen de rijstvelden ligt en mama een sawah bezit. Eén vijfde van de opbrengst moet ingeleverd worden, de taxatie vindt plaats voor ze oogstbaar is. Die taxatie is altijd te hoog, waardoor we soms meer dan een derde van de oogst kwijt zijn. Twee jaar geleden ben ik gaan klagen bij het onder-districtshoofd. ‘Denk niet dat ik u onrechtvaardig behandel, mevrouw’, zei hij, en toen, eerst naar achteren omziend met een gebaar dat nu bij velen een gewoontebeweging is geworden: ‘Officieel moet ik een vijfde van de getaxeerde opbrengst vorderen, en daarnaast heb ik ook officieel, maar in het geheim, de opdracht om zo hoog te taxeren dat niet meer dan de helft ... overblijft’ – deze momentopname (betrekking hebbend op eind '42!) onderstreept, in welke mate het feitelijk gebeuren kon afwijken van de officieel bekendgemaakte regels.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 581-583

[Jakarta 4 – des Indes] 

Wij memoreerden het bedrog dat door Japanse kampcommandanten in Japan en op Formosa werd gepleegd. Wat bewijst het anders dan dat de betrokken Japanners heel wel wisten hoe de behandeling van krijgsgevangenen naar de opvattingen van Japans vijanden behoorde te zijn?
Eenzelfde, zo mogelijk nog stuitender bedrog werd gepleegd toen de Japanners, met verlof van de autoriteiten in Tokio, in juni '43 op Java en Formosa en in '44 in Singapore filmopnamen maakten die bij vertoning de indruk zouden wekken dat het Japans krijgsgevangenen aan niets had ontbroken.
De opnamen op Java werden gemaakt met de bedoeling kopieën van de gemonteerde film per parachute boven Australië af te werpen. (Dit voornemen is niet uitgevoerd.) De film kreeg als titel ‘ Australia Calling' – Nederlandse, Britse en Australische krijgsgevangenen alsmede vrouwen en kinderen van Nederlandse krijgsgevangenen werden gedwongen er hun medewerking aan te verlenen. Er werd eerst een aantal Australische officieren en minderen gelast, in diverse scènes op te treden. Zij begonnen met te weigeren. Toen kregen zij in het kamp waarin zij zich bevonden en waar een Wing Commander van de Royal Australian Air Force kampoudste was, geen eten. Zij bleven weigeren. Vervolgens lieten de Japanners weten dat, als zij volhardden, de Wing Commander ter dood gebracht zou worden en het gehele kamp niet meer te eten zou krijgen. De Australiërs gaven hun verzet op. In de scènes die vervolgens opgenomen werden, waren Australiërs als koks in de keuken van het Hotel des Indes te Batavia bezig eten te bereiden; andere Australiërs zwommen rond in een modern zwembad, speelden tennis, hielden een cricket-match, maakten gebruik van het golfterrein bij een luxueus hotel dat zich in de bergen bij Soekaboemi bevond. Ook zag men opnamen van Australiërs die in een modern ziekenhuis werden verpleegd (een lag er op een operatietafel) en van Knil-krijgsgevangenen die hun vriendinnen of hun vrouwen en kinderen in de armen sloten. Weer andere krijgsgevangenen kregen enveloppen uitgereikt waarbij bankbiljetten uit twee te voorschijn kwamen (in de andere bevonden zich proppen papier), en kregen vervolgens, aldus het commentaar bij de film, bier voorgezet (er zat bier in twee glazen, in de andere zat thee). Ook werd een opname gemaakt in een kledingmagazijn in Bandoeng waar twee zorgvuldig gepermanente Nederlandse meisjes voor verkoopsters speelden en enkele Australische militairen, die men eerst door de straten had zien lopen, voor z.g. vriendinnen kleding kochten. Tenslotte werd nog op een veld bij de ziekenbarakken van het kamp waarin de Australiërs opgesloten waren, een herdenkingsplechtigheid gefilmd waarbij ca. vijfhonderd gevangenen aanwezig waren. Staande voor een kruis dat er indrukwekkend uitzag, hield de Japanse generaal, onder wie de krijgsgevangenenkampen op Java ressorteerden, generaal-majoor Masatosji Saito, een toespraak – het kruis was van bordpapier en het prikkeldraad bij het veld was met takken gecamoufleerd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 600-601

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

Berucht werden de z.g. kampinspecties en de collectieve straffen.
Wat die inspecties betreft: de Japanners, uit zichzelf al achterdochtig (extra-achterdochtig doordat zij de normale gesprekken tussen krijgsgevangenen al niet konden volgen), hadden de behoefte, telkens te controleren of krijgsgevangenen in het bezit waren van goederen die zij niet mochten bezitten, zoals papier, een potlood, niet-goedgekeurde boeken. Elk van die inspecties werd een massale roofpartij: de schrijfbehoeften en de boeken die niet van een Japans stempel waren voorzien, werden in beslag genomen, maar ook horloges, gouden ringen en alles waarvan de kampcommandant vond dat de krijgsgevangene het niet persé nodig had: een tweede paar schoenen, een tweede stel kleding. Bij zulk een inspectie moesten de gevangenen zich in de regel op het appèlterrein opstellen – pas als de inspectie was afgelopen, konden zij zich er van vergewissen wat van hun schaarse (en dus bij uitstek kostbare) bezittingen nu weer verdwenen was.
Collectieve straffen werden toegepast wanneer de pleger van een bepaalde overtreding niet bekend was. Dat is herhaaldelijk gebeurd. Hier willen wij slechts één voorbeeld vermelden, dat zich begin april '42 afspeelde in een van de kazernecomplexen in Bandoeng waar toen ca. tienduizend krijgsgevangenen opgesloten waren. Er was een briefje over het prikkeldraad gegooid – wie had dat gedaan? De Japanse kampcommandant gelastte dat alle gevangenen zich op het appèlveld moesten opstellen. Gevraagd werd wie de overtreding had gepleegd. Niemand meldde zich. ‘We moesten’, aldus een krijgsgevangene, ‘in de houding staan en tussen de rijen liepen Jappen door, die met de kolf van het geweer sloegen en stompten, als de houding niet stram genoeg was. Eten werd niet verstrekt, de zon ging onder, de lange nacht stonden we daar en ieder vroeg zich af hoelang dit nog zou duren of, zoals ik (die altijd verteld had, dat ik geen uur kon staan), wanneer hij flauw zou vallen. Dat gebeurde alom en dan kwam de Jap hard stompen met de kolf van het geweer om te zien of het wel echt was. Nu, soms was het echt en soms niet en dan kon de betrokkene weer in de rij gaan staan.
De zon kwam op: geen eten, geen drinken en het werd warmer en warmer.
Toen we vier-en-twintig uur hadden gestaan, dachten we dat dat een mooi moment was om het te beëindigen. Niets daarvan. Pas na zes-en-twintig uur, nadat nog steeds niemand zich gemeld had, konden we inrukken.’
Andere collectieve straffen waren dat het drinkwater gerantsoeneerd werd, of dat de rantsoenen werden ingehouden, of dat de zieken op appèl moesten gaan staan, of dat alle gevangenen op scherpe stenen moesten knielen, of dat zij langer moesten doorwerken, of dat het tot een algemene ranselpartij kwam – niemand wist wat hem in zulk een situatie boven het hoofd hing.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 621-622

[Bandoeng 2 – Krijgsgevangenen] 

Op Java werden de krijgsgevangenen in eerste instantie samengebracht in locaties, niet ver van de punten waar zij zich bevonden toen de verschillende capitulaties (op 9 maart ’42 die van het Knil, enkele dagen later die van de Britse, Australische en Amerikaanse militairen) geregeld waren. Nadien vond een concentratie plaats in vier gebieden: Batavia, Bandoeng-Tjimahi, Soerabaja en Malang, waarbij bovendien de Britten, Australiërs en Amerikanen van de Knil-militairen werden gescheiden en bij die laatsten een scheiding werd aangebracht tussen de inheemsen enerzijds en de Nederlanders anderzijds. Die Nederlanders en Indische Nederlanders kwamen op Java in ’42 en later in enkele tientallen complexen terecht: kampementen van het Knil (waarvan er alleen in Batavia vier en in het gebied van Bandoeng-Tjimahi tien waren), militaire hospitalen en noodhospitalen, koeliekampementen, havenloodsen (in Batavia en Soerabaja), scholen, gevangenissen (twee in Batavia), een tuchthuis (het Landsopvoedingsgesticht te Bandoeng) en een groot tentoonstellingscomplex (het ‘Jaarmarktkamp’ te Soerabaja).

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 623-624

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

De stemming in die kampen was in de begintijd geprikkeld. ‘De onderofficieren en minderen gedroegen zich’, aldus later luitenant-kolonel H. Poulus, kampoudste in een van de grootste kampen te Bandoeng waar aanvankelijk ca. twaalfduizend krijgsgevangenen dicht opeengehoopt gelegerd waren, ‘bepaald vijandig tegenover officieren, onder de subalterne officieren heerste in het algemeen een vijandige stemming ten opzichte van de hoofdofficieren en over het geheel werden als schuldigen van de plaatsgevonden debacle beschouwd de Legercommandant en zijn staf. Handhaving van de discipline was ... welhaast onmogelijk. Hierbij kwam nog dat velen zich beriepen op de tot veel verwarring en misverstand aanleiding gegeven hebbende proclamatie van de opperbevelhebber ..., nl. dat het Koninklijk Nederlands Indische Leger als eenheid had opgehouden te bestaan. Hieruit werd de conclusie getrokken dat er geen leger meer was en mitsdien ook de norm en op het gebied van militaire verhoudingen, rangen, discipline enz. zouden hebben opgehouden van kracht te zijn.’
Het kwam in enkele kampen tot gevechten tussen officieren en minderen. Die werden door de Japanners verboden – dezen deden weten dat ongehoorzaamheid jegens officieren beschouwd zou worden als een misdaad jegens de Japanse overheid en zwaar zou worden bestraft. Wat voor straffen die Japanse overheid in de geest had, wist men niet – het bleef verscheidene krijgsgevangenen moeilijk vallen, weer een militaire discipline te aanvaarden. Ontvluchtingen waren niet zeldzaam – uit de kampen bij Bandoeng waren midden april al bijna honderd krijgsgevangenen ontsnapt. Ook dat ontsnappen werd uitdrukkelijk verboden. Hielp dat? Maar ten dele – sommigen bleven er op broeden, anderen lieten zich in elk geval niet de gelegenheid ontnemen om, zodra het donker was, ergens onder de kampomheining door te kruipen teneinde de nacht bij hun vrouw door te brengen; zij keerden dan terug voordat het weer licht was.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 626

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

De marineman en de twee minderen van het Knil, resp. matroos H. Karssen en de kanonniers A. Hielkema en J.W. Merkus, werden in de ochtend van de 22ste april [1942] bij de poort van het betrokken kamp aan drie in de grond gestoken palen gebonden. Kampoudste overste Poulus, zijn kampementscommandanten en het hoofd van de medische dienst werden bij de Japanse kampcommandant, kapitein Kawakoetsoe, ontboden en kregen daar via de tolk te horen dat zij de executie van de drie vluchtelingen moesten bijwonen. ‘Nadere bijzonderheden’, aldus later Poulus, ‘werden niet meegedeeld ... Na raadpleging van de tolk, die als een uitstekend Japankenner bekend stond, werd dezerzijds de overtuiging verkregen dat het hier een ver doorgevoerde comedie betrof, die de bedoeling had de krijgsgevangenen te intimideren ... Niettemin wilde ik een poging doen om toch nog voor de betrokkenen gratie te vragen, doch er werd mij geen gelegenheid gegeven om iets in het midden te brengen’.
De drie ontvluchte militairen werden van de palen losgemaakt en met de armen op de rug vastgebonden aan de prikkeldraad-omheining. Op korte afstand van hen moesten Poulus en de overige Knil-officieren zich opstellen.
‘Nadat de gevangenen geblinddoekt waren werd de tolk in de gelegenheid gesteld, hun te vragen of zij nog iets hadden mee te delen. Van deze gelegenheid werd door alle drie gebruik gemaakt en hun laatste mededelingen zijn door de tolk genoteerd. Tevens verzocht Karssen om hem zijn blinddoek af te nemen, welk verzoek door de Japanner werd ingewilligd. Vervolgens stelden de manschappen van het executiepeloton zich met gevelde bajonet tegenover de gevangenen op en begonnen op een sein van de bevelvoerende Japanse officier onder het uitstoten van dierlijke kreten een soort krijgsdans uit te voeren. Op dat moment riep matroos Karssen ... die zag aankomen wat er gebeurde, uit: ‘Leve de koningin, hoera!’, waarmee door de beide anderen ... werd ingestemd met ‘Hoera!’... Onmiddellijk daarop werden zij door de dansende en gillende Jappen van het het executiepeloton op beestachtige wijze met de bajonetten doorstoken en afgemaakt. Toen bij dit lugubere schouwspel enkele van de aangetreden Nederlandse commandanten het hoofd afwendden, werd hun door kapitein Kawakatsoe op schreeuwende toon beduid dat zij ernaar moesten blijven kijken, de aanwezige officier van gezondheid flauw. De middelste van de drie geëxecuteerden (naast Karssen) bleek ... nog niet dood. Een Japanse luitenant trad op hem toe, haalde met een onverschillig gebaar lachend zijn pistool uit het holster en maakte hem met een schot door het hoofd af op een wijze waarop men een dolle hond zou afmaken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 629-631

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

In de kampen in Bandoeng (en vermoedelijk ook in de andere kampen op West-Java) werd begin mei bekendgemaakt dat alle [rang]distinctieven moesten worden ingeleverd: het was een impuls in de richting van anarchie. ‘Zeer schril’, aldus in zijn rapport overste Poulus, ‘trad in die dagen aan het licht, dat innerlijke discipline en zelfbedwang slechts bij betrekkelijk weinigen in zodanige mate aanwezig waren, dat... volledig staat op hen kon worden gemaakt. Met zeer veel omzichtigheid en met toepassing van andere methoden dan onder normale omstandigheden gebruikelijk, moest getracht worden in deze chaos enige orde te scheppen en te geraken tot een toestand, waarbij althans de meest elementaire normen ... wederom eerbiediging zouden vinden. Dat zulks tenslotte tot op grote hoogte is gelukt, is mede te danken aan de (helaas betrekkelijk weinige) goedwillende, innerlijk gedisciplineerde officieren, onderofficieren en manschappen, die door hun persoonlijk voorbeeld ... mij in deze ondankbare en moeilijke taak terzijde hebben gestaan.’
In het grote kamp waar Poulus kampoudste was, traden aanvankelijk tegenstellingen aan de dag doordat de ene groep militairen over meer geld, d.w.z. over een grotere krijgskas, beschikte dan de andere en daarvan gebruik kon maken om de lage rantsoenen aan te vullen met datgene wat groepen fourageurs, die met verlof van de Japanners op sommige dagen het kamp mochten verlaten, in Bandoeng wisten te kopen. Iedere groep kookte voor zichzelf. Poulus vorderde toen alle krijgskassen op om er één kampfonds mee te vormen, maar niet alle werden ingeleverd en ‘pogingen om het kampfonds te versterken met vrijwillige bijdragen van krijgsgevangenen en leningen tegen schuldbekentenis hadden weinig succes.’ Pas na enige tijd lukte het hem, greep te krijgen op de situatie: er werd een centraal keukenbedrijf opgericht en de Japanse kampcommandant vond goed dat de levensmiddelen die ter aanvulling van de rantsoenen nodig waren, door vaste leveranciers zouden worden geleverd. Tot het herstel van de discipline droeg bij dat Poulus na de executie van Karssen, Hielkema en Mercus en nadat hij zich persoonlijk garant had gesteld dat ontvluchtingen in de toekomst voorkomen zouden worden, van kapitein Kawakatsoe verlof had gekregen, een kamppolitie in het leven te roepen. Zij zond patrouilles uit om vluchtende krijgsgevangenen op te vangen (die patrouilles speurden vooral bij de stations rond) en droeg in het kamp bij tot handhaving van de orde. Poulus had die kamppolitie overigens ‘zodanig gekozen en georganiseerd ..., dat zij zou kunnen optreden als stootploeg ingeval bij de komst van Geallieerde strijdkrachten ... (die toen nog naïevelijk als spoedig verwachtbaar werd beschouwd) een collectieve poging tot uitbreken doelmatig en verantwoord zou zijn te achten.’
Ten dele al in april maar vooral in mei '42 gingen talrijke krijgsgevangenen, hun lethargie overwinnend, zich in hun kampen moeite geven om weer iets zinvols te doen. Officieren vormden groepjes om zich te beraden over een nieuwe opzet van het Knil, gelovigen zochten steun bij elkaar (ds. Hamel gaf in een van de kampen te Soerabaja, waarheen hij uit Magelang was overgebracht, elke avond katechisatie), er werden muziekgezelschappen gevormd, er kwamen cabarets tot stand, er werden vooral ook lezingen gegeven – in het kamp van overste Poulus kwam zelfs een soort literaire faculteit tot stand op initiatief van een Limburger die leraar Nederlands was geweest. ‘Hij benoemde’, aldus Rob Nieuwenhuys, ‘zich zelf tot rector magnificus ... en wist de plechtige opening ... heel aardig te versieren. Hij bracht er iets carnavalesks in door een pedel met rinkelbelletjes op te voeren die Latijnse zinnen uitsprak en die statig .binnen schreed, gevolgd door een stoet van hoogleraren met papieren mutsen op, de rector aan het hoofd.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 631

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

In Juni [1942] werden de grote kampen in Bandoeng gedeeltelijk ontruimd: uit het grootste werden ca. vierduizend-achthonderd Nederlandse krijgsgevangenen naar Tjilatjap overgebracht en een kleine groep technici (van hen wilden de Japanners nagaan waar zij als Nippon-werkers konden worden gebruikt) en alle Indisch-Nederlandse krijgsgevangenen, samen ca. vijfduizend man, verdwenen naar Tjimahi. Naar Tjimahi gingen ook bijna alle krijgsgevangenen uit de kleinere kampen in Bandoeng (een deel van de officieren bleef achter), en wel te voet. ‘Het bericht’, aldus later een officier die eerst in het Landsopvoedingsgesticht opgesloten was geweest, ‘verspreidde zich snel en alle vrouwen ... stroomden toe om nog eenmaal hun mannen te zien. Ze werden echter door de begeleidende Jappen met rotanzwepen van de straat geranseld. Mijn vrouw die trachtte mij wat geld te geven, werd voor mijn ogen afgeranseld. Ik marcheerde door, want tegenstand zou executie en dood betekend hebben.
In ons gezelschap was Wim Kan en de enige vrouw die kans zag ons op de acht kilometer lange mars voortdurend in het oog te houden was Corry Vonk’.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 645

[Surabaya 2a – Eerste jaarmarkt] 

Hoe was de stemming in de kampen?
Wij hebben er maar weinig gegevens over.
Het kan wel niet anders of degenen die hun vrouwen en kinderen op Java wisten, leden zwaar onder de scheiding: alleen hoogst riskante clandestiene contacten waren mogelijk, normaal contact per brief was, zoals al vermeld, niet toegestaan en bezoek was verboden. Daarop werd, voorzover ons bekend, slechts eenmaal een uitzondering gemaakt, nl. in de kampen te Soerabaja op 8 juli '42 (de 8ste van elke maand werd toen nog, met de herinnering aan Pearl Harbor, als feestdag gevierd). ’s Morgens in alle vroegte’, aldus ds. Hamel (die uit Magelang naar Soerabaja was overgebracht), ‘zagen we reeds door spleten in de bamboe-omheining, hoe de vrouwen zich op straat verzamelden in lange rijen, ieder grote hoeveelheden torsend van de meest uiteenlopende zaken. Van tijd tot tijd kreeg er een een klap of een schop van een Japanse soldaat, als de strakke formatie van de rij naar zijn mening werd verbroken. Lange, lange uren hebben zij daar staan wachten, die honderden vrouwen, vol spanning en toch vol goede moed.
... Toen de poort werd geopend, moesten zij eerst de wacht passeren die alles onderzocht en maar al te dikwijls een aantal artikelen stal.’
Sommigen kwamen vergeefs, want lang niet elke vrouw wist in welk van de kampen in Soerabaja zich haar man of zoon bevond.
Wij vermelden in dit verband dat in september in Soerabaja een van de kampen, in een school gevestigd, werd opgeheven: de gevangenen moesten naar het z.g. Jaarmarktkamp lopen. Hun bagage moesten zij dragen. Ds. Hamel zag bij die gelegenheid een gevangene voor het vertrek achter elkaar een blik boter opeten en zag de man in snikken uitbarsten toen hij één van zijn drie koffers niet kon meetorsen (‘het is moeilijk te geloven dat er werkelijk zulke mensen bestaan’). Ook werd hij getroffen door het onderling hulpbetoon, ‘het sterkst’, schrijft hij, ‘heerste deze saamhorigheid onder de jongens van de marine.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 648-649

[Woordenlijst – Special Party] 

Waarom de Japanners de hoogste Amerikaanse, Britse, Nederlandse en Australische militairen die zij in het Nanjo-gebied krijgsgevangen hadden gemaakt (marineofficieren met de rang van kapitein-ter-zee of hoger, leger- en luchtmachtofficieren met de rang van kolonel of hoger), in een aparte groep, de ‘Special Party’, bijeen hadden gebracht, is een vraag die men niet op grond van Japanse stukken kan beantwoorden. In vroegere oorlogen was het evenwel niet ongebruikelijk dat gevangenen die een positie van bijzondere betekenis hadden bekleed, een speciale behandeling kregen, en het is mogelijk dat de Japanners in ’42 meenden dat zij bij de door hen verwachte vredesonderhandelingen met de Verenigde Staten en Groot-Brittannië, met de Special Party een bijzondere troef in handen zouden hebben. Tot die Special Party behoorden overigens ook de hoogste burgerlijke autoriteiten die hun in het Nanjo-gebied in handen waren gevallen, zoals de Amerikaanse gouverneur van Goeam, de Britse van Hongkong en de Britse High Commissioner van Malakka, alsook een aantal lagere militairen: adjudanten en oppassers van de hoogste. De groep kwam uiteindelijk tot stand op Formosa waar zij in apart kamp werd opgesloten. Wat de hoge Nederlandse autoriteiten betrof, werden daar uit Sumatra, gelijk reeds vermeld, generaal Overakker en kolonel Gosenson heengevoerd, alsook de gouverneur van Sumatra, A.I. Spits en een officier van de generale staf, generaal-majoor H.J.S. de Fremerij, en uit Java eind december ’42 eerst gouverneur-generaal Van Starkenborgh, legercommandant Ter Poorten, zes-en-veertig andere hoge militairen en vier-en-twintig adjudanten en oppassers en in september ’43 een tweede groep van vier officieren (onder wie de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal) en acht-en-twintig oppassers – van dezen waren er bij de eerste groep maar weinigen geweest en daar was door de leden van de Special Party op Formosa bezwaar tegen gemaakt. Uiteindelijk ging de Special Party ruim vierhonderd personen tellen, onder wie honderdacht Nederlanders: twee-en-vijftig hooggeplaatsten, zes-en-vijftig adjudanten en oppassers.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 717

[Bandung 2 – P.W.] 

Na de opheffing van de kampen in Malang, Tjilatjap en Soerabaja, waren er nog krijgsgevangenen in Batavia (het vertrekpunt voor de transporten naar Birma, Thailand en Japan, later naar Sumatra en Singapore) en op de Bandoengse hoogvlakte, nl. in Bandoeng en in Tjimahi.
Bandoeng had drie kampen: een voor Nederlanders en Indische Nederlanders (het kamp van het XVde bataljon), een voor de Britten, Australiërs en Amerikanen en een voor Ambonezen en Menadonezen (die geweigerd hadden heiho te worden). De kampoudste uit het kamp van het XVde bataljon, luitenant-kolonel Poulus, was in juni ’42 naar Tjilatjap verplaatst en zijn functie was toen overgenomen door de verdediger van Tarakan, luitenant-kolonel S. de Waal. De Waal evenwel werd in februari met enkelen van zijn officieren door de Japanners gevangengezet (zulks op grond van de Japanse verdenking dat in zijn kamp radioberichten circuleerden en dat contact was gelegd met het kamp der Ambonezen en Manadonezen) en Poulus, inmiddels naar Bandeng teruggevoerd werd weer kampoudste. De wijze waarop de Japanners met zijn kamp omsprongen, karakteriseerde deze na de oorlog in zijn rapport als ‘Japs’, d.w.z. onberekenbaar, hardhandig, vernederend en slaafs, met momenten van betrekkelijke vrijheid, afgewisseld door perioden van ware terreur’ – feitelijk Japans commandant was een sergeant voor wie, aldus Poulus, ‘het afranselen van hoofdofficieren ... een bijzondere delicatesse was’. Al deze moeilijkheden ten spijt konden Poulus en zijn helpers hun kamp redelijk organiseren. De te krappe rantsoenen werden aangevuld met bijvoeding die gefinancierd werd uit een Voedingsfonds – voor dat fonds, gedeeltelijk gevormd uit bijdragen van officieren en minderen, kon Poulus (zoals het Gemeentelijk Europees Steuncomité in Batavia had gedaan) clandestien aanzienlijke bedragen lenen van organisaties en particulieren, naar wij aannemen vooral van Chinezen. Ook kreeg het fonds inkomsten uit winsten van diverse bedrijven en van toko’s, restaurantjes en bars die binnen het kamp waren opgericht. Er kon veel aan sport worden gedaan en er werden toneel-, cabaret- en muziekuitvoeringen gegeven, veelal in samenwerking met de Britse krijgsgevangenen. De medische verzorging was, ‘de omstandigheden in aanmerking genomen, bepaald goed te noemen’.
Midden december ’43 werd ontdekt dat Poulus clandestien leningen was aangegaan. Hij werd mishandeld en het gehele Voedingsfonds werd door de Japanse sergeant in beslag genomen en moest onmiddellijk besteed worden (zodat ‘in enkele dagen tijds een enorme hoeveelheid levensmiddelen, rokerij, vruchten en alle mogelijke prullaria het kamp binnenkwam’). Vervolgens werden Poulus en enige andere officieren naar Tjimahi gevoerd waar zij, na afgerammeld te zijn, werden opgesloten, en werden alle krijgsgevangenen uit Bandoeng, behalve de Britten en de Amerikanen, naar Batavia getransporteerd waar zij in het kamp van het Xde bataljon werden opgesloten. Het Knil-kampgedeelte werd enige tijd later als burger-interneringskamp opnieuw in gebruik genomen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 721

[Bandung 2 – P.W.] 
[Bandung 3 – Opvoedings Gesticht] 

Eind oktober [1944] werd het kamp in de gevangenis [Struiswijk in Batavia] opgeheven en werden de officieren landinwaarts getransporteerd naar het kampement van het 1ste bataljon te Bandoeng, waar ook de officieren uit het kamp te Tjimahi terechtkwamen. Kampoudste werd er toen kolonel Vooren, die tijdens de Japanse invasie territoriaal commandant op Zuid-Celebes was geweest en die de Japanners verzuimd hadden aan de Special Party toe te voegen. Er kwamen in zijn kamp in totaal bijna dertienhonderd Knil- en meer dan driehonderd Britse officieren terecht, maar ook ca. zeventig minderen en zelfs bijna honderd burgers. Al die gevangenen hadden veel te weinig ruimte tot hun beschikking en leden honger – nòg minder ruimte evenwel en nòg lagere rantsoenen kregen zij van april ’45 af, toen zij naar het Landsopvoedingsgesticht werden overgebracht, waar zij ca. tweeduizend minderen aantroffen: ruim dertienhonderd van het Knil en ca. zeshonderdvijftig Britten.
Het LOG, dat gebouwd was om maximaal driehonderd jeugdige delinquenten te huisvesten, kreeg nu in totaal drieduizendzevenhonderd krijgsgevangenen binnen de muren: sommigen sliepen in slaapzalen of andere ruimten, anderen in open galerijen, nog anderen buiten de gebouwen in de openlucht. Er waren uiteraard veel te weinig kranen en wc’s, daarentegen waren er kleren- en wandluizen te over.
Eind juli werden uit het LOG ruim achthonderd krijgsgevangenen, bijna allen Britten, naar Batavia, t.w. naar het kamp van het Xde bataljon, verplaatst. De Japanners hadden daar allerlei werkkrachten nodig, vooral technici. Het in Priok gevestigde assemblagebedrijf van General Motors werd door hen gebruikt om personenauto’s tot semi-vrachtauto’s om te bouwen. Bruikbare werkkrachten konden zij onder de inheemsen niet vinden, vandaar dat zij besloten hadden om, in afwijking van hun algemene beleid, nu toch weer een groep krijgsgevangenen bij de kust onder te brengen. In het LOG moest ieder opgeven of hij een rijbewijs bezat. ‘Nadat’, aldus een Nederlandse krijgsgevangene (hij had eerder op Haroekoe gewerkt) ‘vrijwel het gehele kamp de desbetreffende vraag met ‘ja ’ beantwoord had’ (alles was beter dan om in het LOG te blijven!), ‘moesten alle bezitters aantreden. Vervolgens werd een splitsing gemaakt tussen hen die korter en hen die langer dan acht jaar in het bezit van een rijbewijs waren geweest. Zij die tot laatstgenoemde groep behoorden, werden door de Jap als autotechnici aangeduid, immers: wie acht jaar achter het stuur zit, moet verstand hebben van auto’s.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 734-735

[Semarang 3 – Kalibanteng] 
[Surabaya 4 – Kembang Kuning]
 

Zoals de militairen van de Koninklijke Marine en van het Knil het tijdens de Japanse bezetting aanzienlijk moeilijker hebben gehad dan de militairen in Nederland tijdens de Duitse, zo hebben ook de Nederlandse staatsburgers (Nederlanders èn Indische Nederlanders) in Indië het aanzienlijk moeilijker gehad dan de burgerij in Nederland. Daar zijn in vijf jaar bezetting delen van de bevolking in grote nood komen te verkeren (de vervolgden, de door het oorlogsgeweld getroffenen en, in de hongerwinter, de bewoners van de niet-agrarische gebieden in het westen des lands) – in Indië is die nood algemener geweest, heeft hij langer geduurd en heeft hij naar verhouding veel meer mensenlevens gevergd. Doordat bijna alle Japanse stukken die op de internering betrekking hebben, alsook veel kamparchieven verloren zijn gegaan, zijn de gegevens over de aantallen geïnterneerden onvolledig. Wat beschikbaar was, heeft dr. D. van Velden in haar breed-opgezette, in '63 verschenen studie De Japanse interneringskampen voor burgers gedurende de Tweede Wereldoorlog bijeengebracht' – m welnu, volgens haar cijfers zijn in Indië in totaal ca. zes-en-negentigduizenddriehonderd Nederlandse en Indisch-Nederlandse burgers geïnterneerd en zijn van hen in een internering die voor de meesten omstreeks drie volle jaren heeft geduurd, ca. dertienduizendhonderdtwintig bezweken, oftewel 13,6%.
Het is mogelijk dat die cijfers te laag zijn. De Nederlandse regering heeft na de oorlog gesteld dat er in Indië ruim honderdduizend geïnterneerden zijn geweest ¹) – vast staat dat de Japanners aan het Internationale Rode Kruis in de loop van de oorlog hebben doorgegeven dat er ca. acht-en-negentigduizend geïnterneerden waren en dat van hen ca. zestienduizend-achthonderd waren gestorven: 17%.
Misschien is het verstandig er van uit te gaan dat er ca. honderdduizend geïnterneerden zijn geweest en dat de internering aan één op de zes het leven heeft gekost.
¹) In 1955 is de Nederlandse regering er bij de onderhandelingen met Japan die er toe geleid hebben dat een bedrag van f 38 mln aan smartegeld ter beschikking kwam, er van uitgegaan dat er ca. honderdtienduizend geïnterneerden waren geweest, van wie één op de vijf zou zijn gestorven – wij gaan liever van de iets lagere cijfers uit die dr. van Velden acht jaar later publiceerde. Het toegekende smartegeld kwam er op neer dat een oud-geïnterneerde ruim drie dubbeltjes kreeg (huidige waarde misschien een rijksdaalder) per dag dat de internering had geduurd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 754-755

[Semarang 3 – Kamp] 

De Japanse kampstaven waren zeer klein: bij de kleinere kampen waren er een of twee Japanners, bij de grote wat meer, maar ook bij een vrouwen- en kinderkamp als de Tjideng-wijk te Batavia waar zich tenslotte meer dan tienduizend geïnterneerden bevonden, werden het er toch nooit meer dan tien. Hoe zij zich gedroegen, hing in veel opzichten af van de persoonlijkheid van de Japanse kampcommandant. [...]
Tjideng had van april '43 tot april '44 een commandant die, aldus een ex-geïnterneerde in april '46, ‘er altijd voor gezorgd heeft dat alle orders van Headquarters zo mild mogelijk werden doorgegeven. Hij vond bij aanvraag van permits dit feitelijk altijd goed ... Hij is altijd fatsoenlijk geweest.’ [...]
Ruim een jaar eerder evenwel kreeg bij datzelfde Medan een van de kampleiders van het mannenkamp Belawan Estate van de Japanner die hij op het stijgend aantal sterfgevallen had gewezen, te horen: ‘Laat ze maar doodgaan.’ Zo ook in het kamp te Ambarawa, waar begin '45 ca. tweeduizend bejaarde mannen van West- en Midden-Java werden geconcentreerd. ‘Het aantal sterfgevallen was’, aldus later D.M.G. Koch (oprichter van het tijdschrift Kritiek en Opbouw), ‘al onmiddellijk zeven à acht per dag en steeg geleidelijk tot veertien. Toen ging ik naar de Japanse commandant om hem te vragen, de voedselvoorziening te verbeteren. Hij antwoordde dat, zodra wij het tot vijftien sterfgevallen per dag zouden hebben gebracht, hij er eens over denken zou voor beter voedsel te zorgen. Als de bevrijding drie maanden later gekomen was, zou het gehele kamp uitgestorven zijn.’
In het vrouwen- en kinderkamp Halmaheira (een van de kampen te Semarang) deed een Japans kamphoofd zijn intrede die zo hard sloeg, ‘dat hij’, aldus een geïnterneerde, Eliza Thomson, ‘onmiddellijk de bijnaam 'Satengah mati’ kreeg, wat ‘half dood’ betekent. [Hij] was een intens gemene vent. Wanneer hij een vrouw tegenkwam, liep zij het risico dat hij zijn sigaret in een van haar neusgaten of tussen haar vingers uitdrukte; ook haalde hij zijn vinger geregeld over de gezichten om te kijken of deze gepoederd waren. Zo ja, dan schroomde hij niet zijn slachtoffer half dood te slaan.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 761-762

[Bandung 3 – Kamp-oudste] 

Er moest in de kampen veel worden gewerkt, in de eerste plaats voor de kampen zelf. Dat werk werd zo goed mogelijk door de kampleiding verdeeld. In de ‘civiele’ fase mochten er inheemse arbeiders bij worden ingeschakeld maar in de ‘militaire’, van begin april '44 af dus, was dat niet langer toegestaan. ‘Dit bracht met zich mee’, aldus dr. van Velden, ‘dat alle werkzaamheden door de geïnterneerden zelf moesten worden verricht, ook in de vrouwenkampen. Dus behalve het gewone huishoudelijke werk’ (op zichzelf al een moeilijke taak die uitgevoerd moest worden zonder de huisbedienden, aan wier hulp de meesten gewend waren geraakt), ‘ook het repareren van huizen en barakken, het bouwen van gaarkeukens’ (er moest immers voor het gehele kamp worden gekookt), ‘het ophalen van het huisvuil, het legen van beerputten en schoonhouden van riolen, het sjouwen met kisten en meubelen, met zakken rijst van 40 kg voor de maandelijkse rantsoenen ... Andere werkzaamheden die vooral de vrouwen zeer zwaar vielen, waren het klein hakken van boomstammen, het stoken van de primitieve ovens der gaarkeukens, het koken en hanteren van zware drums met rijst of pap, het delven van graven voor de overledenen ..., het maken van schuilloopgraven, het verbranden van alle afval, waarbij men de gehele dag in de gloeiende zon bij een vuur stond dat wegens de verduisteringsmaatregelen vóór donker weer uit moest zijn. Verder het omspitten van vaak woeste grond vol stenen voor de tuinaanleg, het sjouwen met emmers water voor keuken of tuin. Dan waren er de talloze verhuizingen in het kamp zelf, niet alleen bij het binnenkomen of vertrekken van transporten, maar ook bij de vele interne reorganisaties, bijvoorbeeld als het kampziekenhuis werd verplaatst (in het Tjihapit-kamp gebeurde dit zeven maal) of uitgebreid, als het kamp werd verkleind als veiligheids- of strafmaatregel, als de Japanse kampstaf meer ruimte nodig had.
Daarnaast stonden dan nog de gewone kampwerkzaamheden in keukens en kampziekenhuizen.’
Het beste overzicht van het te verrichten werk en de daarbij ingedeelde krachten bieden cijfers voor het vrouwen- en kinderkamp Tjihapit naar de stand van 27 februari '45 toen dat kamp, waaruit velen verplaatst waren, nog 4853 geïnterneerden telde, onder wie 1210 kinderen beneden de tien. Bij de kampleiding en de leiding van de verschillende takken van dienst waren toen 77 vrouwen betrokken die de beschikking hadden over 27 ordonnansen. In totaal hadden 2 877 vrouwen een vaste taak ten behoeve van het kamp (vrouwen die ouder waren dan vijf-en-vijftig of een kind hadden dat jonger was dan 14 maanden, waren vrijgesteld): 800 (de grootste groep) bij het jeugdcorvee, 240 als verzorgsters van kleuters, 305 bij de menagedienst, 297 als groenteschoonmaaksters, 112 bij de medische dienst, 136 als straatveegsters, 410 als ‘meubelvrouwen’ (helpsters bij het versjouwen van meubelen die in de oorspronkelijke woningen waren achtergelaten) – wij hebben slechts de grootste groepen opgesomd.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 763-764

[Semarang 3 – Kamp] 

Geïnterneerde vrouwen kregen in de ‘militaire’ fase werk te doen dat verband hield met de bouw van houten schepen: touw draaien, houten spijkers maken, boombast lospluizen (pluizen werden gebruikt om naden te dichten), of tot de uitrusting van militairen bijdroeg: kleren en handschoenen naaien (dat laatste was, aldus H. Helfferich-Koch, ‘een afschuwelijk peuterwerk’), sokken en broekbanden breien, petjes maken of er vetergaten in aanbrengen, distinctieven op uniformen borduren, matrassen maken. Eén geval van weigering is bekend (er kunnen er meer zijn geweest): in het Halmaheirakamp te Semarang werd in augustus '44 door negen geïnterneerde vrouwen geweigerd, soldatenpetjes te maken. De negen weigeraarsters kregen eerst een kaakslag, werden vervolgens vijf dagen lang verhoord en met knuppels afgeranseld en daarna vier maanden lang opgesloten – nadien stierven drie van de negen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 766-768

[Semarang 3 – Binnenplein] 

In bijna alle kampen werd in de ‘militaire’ fase honger geleden: wat men aan voorraden van de legerautoriteiten kreeg, was te weinig en voor het geld dat buiten de kampen besteed mocht worden, kreeg men steeds minder levensmiddelen. In de meeste vrouwen- en kinderkampen op Java kwam de calorische waarde van het voedsel in '45 niet ver boven de 1 000 te liggen – er waren ook kampen waar men per dag niet meer dan 800 calorieën kreeg. ‘Het menu’, aldus dr. van Velden, ‘bestond in veel kampen uit eenmaal per dag ongeveer 90 gram droge rijst met een sausje van groenten, vermengd met kruiden en geraspte kokos, en, indien aanwezig, een visje of een lepel ingewanden- of bonenpastei. Voor de rest van de dag kreeg men een stuk brood (het beste te vergelijken met een brok harde rubber), of pap van meel of rijst, of gekookte mais enz., al naar de Japanners binnen stuurden. De glibberige en stinkende meelpap (in een van de vrouw en- en kinderkampen op Java sprak men van ‘Jappensnot’) moest meestal zonder suiker of zout gegeten worden. ‘Het smaakte (en stonk) zo afschuwelijk, dat we ’, aldus later een geïnterneerde in een van de kampen te Semarang, ‘zelfs in de ergste hongerperiode de grootste moeite hadden om het naar binnen te krijgen. Een van ons telde meestal tot drie en dan namen we een hap terwijl we onze neus dichtknepen.’. De pap had een hoog waterbindend vermogen en bevorderde daardoor het ontstaan van hongeroedeem. De oude mais en verschillende bonensoorten waren moeilijk gaar te krijgen en lang niet iedereen kon ze verdragen. Het voedsel dat centraal werd bijgekocht, werd zorgvuldig uitgezocht op zijn voedingswaarde en bestond voornamelijk uit zeer eiwitrijke bonensoorten ..,. suiker, vis, vruchten en specerijen, maar de kampleveranciers hielden zich meermalen niet aan de bestellingen of stuurden minderwaardige kwaliteiten binnen ’ – men stond machteloos tegenover dergelijke chicanes en malversaties. Daar kwam bij dat het smokkelen in de ‘militaire’ fase aanzienlijk riskanter was: de kampen stonden nu onder Japanse militairen en de inheemse politieagenten waren als bewakers vervangen door Koreanen en (ook al hier en daar eerder ingeschakelde) inheemse hulpsoldaten, heiho' s, die door de Japanners in anti-Westerse geest waren gevormd. Op die kampsmokkel komen wij nog terug.
In de meeste kampen kostte het grote moeite om van de weinige levensmiddelen die binnenkwamen, een maaltijd te maken. Het was zwaar werken in de gaarkeukens! ‘Eigenlijk’ was dat, aldus een geïnterneerde in het kamp Lampersari (Semarang) (elders was het niet anders), ‘een klein epos. De vrouwen die daar elke dag (en elke nacht) werkten bij de hete vuren, gewoonlijk op hun blote voeten, en de loodzware kooktanks moesten versjouwen en tillen op de slecht gemetselde m uurtjes die ook weleens afbrokkelden, waardoor zo’n kokende kookketel om viel en de gloeien de pap over de blote voeten stroomde, verrichtten een bovenmenselijke taak. En dan te denken aan de ellende van gebrek aan hout, of slecht hout dat helemaal niet wilde branden, en aan het jachtige gevoel dat er duizenden hongerige vrouwen en kinderen wachtten tot de etensuitdeling kon beginnen – het is geweldig wat deze vrouwen en meisjes hebben gepresteerd. Zij wisten van een minuscule hoeveelheid vlees en een beetje groente (meestal kool) nog een eetbare sajoer te maken.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 775

[Semarang 3 – Binnenplein] 

In het vrouwen- en kinderkamp Lampersari wekte de kookploeg aanstoot. ‘Als je ziet’, schreef Carla van Berkum eind juli '44 in haar dagboek, ‘met hoeveel de kooksters en de leiding thuiskomen: ketels water, stapels pannekoeken, bakken met pap en groente. Bar!! Als een van ons probeert een keteltje bij te zetten, dan wordt hij uit het kookgat getrapt!! En dan word je uitgescholden als ik weet niet wat.’
Degeen die boven in het kamp toezicht had over het opscheppen, ging, als het uitdelen van de porties achter de rug was, zelf nog eens eten, ‘het ene kopje sajoer na het andere, afgewisseld met ettelijke kopjes koffie. En als ze naar beneden gaat, heeft ze nog een melkkoker en een groenteschaal vol met sajoer. Leuke baan. Zij is de enigste niet, zo zijn ze allemaal!!!

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 788-789

[Bandung 3 – Corry Vonk] 

Getracht werd, die demoraliserende krachten ook tegen te gaan met zinvolle recreatie. Er werden, met overwinning van alle materiële moeilijkheden, toneelvoorstellingen gegeven. Ook traden wel kampcabarets op – Corry Vonk, de echtgenote van krijgsgevangene Wim Kan, deed dat eens in de week met een klein gezelschap, eerst in het kamp Tjihapit (Bandoeng), later in het kamp Kampong Makassar (bij Batavia). In het eerste kamp deed zij als vrijwilligster de was van de ziekenafdeling (en liep daar dysenterie bij op), in het tweede werkte ze bij de varkensploeg en de vuilnisophaaldienst, maar, aldus een andere geïnterneerde: ‘overal waar Corry kwam, bracht ze veel vrolijkheid.’ Er werd in menig kamp veel aan muziek gedaan. Werden vrouwen geïnterneerd, dan mochten zij meestal muziekinstrumenten en grammofoons met platen meenemen en in vrijwel alle kampen (dat gold niet wanneer gevangenissen als interneringsoord werden gebruikt) stond de Japanse commandant toe dat er een of meer piano’s kwamen. Onder de geïnterneerden bevonden zich zowel amateur- als beroepsmusici – er werden ensembles gevormd en ook werden koren opgericht. Bij veel van de opvoeringen mocht niet geapplaudisseerd worden. ‘De inheemse directie’ (in de ‘civiele’ fase) ‘en later de Japanse’ (in de ‘militaire’) ‘is’, aldus Elias, ‘bang dat daardoor teveel naar buiten zal blijken dat de gevangenen nog vrolijk zijn en nog altijd niet het besef hebben, overwonnen te zijn. In plaats daarvan klinkt als teken van bijval na elk nummer een luid gesis, als de ontsnappende lucht van een autoband.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 790-791

[Surabaya 3 – Ziekenhuis] 

In de ‘militaire’ fase werden de correspondentievoorschriften in zoverre gewijzigd dat onderlinge correspondentie tussen de geïnterneerden en correspondentie met krijgsgevangenen toegestaan werd, zulks op briefkaarten die in het Japans of Maleis (of, voor bestemmingen buiten Indië, in het Engels) moesten worden gesteld. Men diende dan uit twaalf standaardzinnen, verscheidene bij uitstek positief (bijvoorbeeld: ‘Wij hebben een uitstekend ingericht ziekenhuis en ook een rusthuis’, ‘Ons kamp is goed opgezet en geriefelijk ingericht’, ‘Wij genieten van het werken in de openlucht’), drie te kiezen en daar mocht men dan twintig woorden aan toevoegen. Veel van die post kwam in het geheel niet over en briefkaarten van of aan krijgsgevangenen die wèl werden uitgereikt, waren soms jaren onderweg geweest.
Doordat echtgenoten, ook als zij niet ver van elkaar geïnterneerd waren, elkaar maar zelden een postbericht konden zenden, kwam het tot clandestiene berichten die tegen betaling door inheemse bewakers werden meegenomen, en maakte men soms gebruik van toevallige contacten, bijvoorbeeld in Soerabaja. Daar brak in '43 in de Darmo-wijk, het interneringsoord voor vrouwen en kinderen, een difterie-epidemie uit waardoor talrijke patiëntjes naar het Centraal Burgerziekenhuis moesten worden overgebracht. Naast dat ziekenhuis lag een van de manneninterneringskampen. Een van de patiëntjes ontving in het ziekenhuis briefjes van mannen met boodschappen voor hun vrouwen er op; de briefjes kauwde ze fijn en slikte ze door, nadat ze de boodschappen uit haar hoofd had geleerd – die kon ze na haar herstel overbrengen.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 797

[Bandung 3 – Vrouwen- en kinderkamp] 

Deze actie ten spijt werd de smokkel ten behoeve van het vrouwen- en kinderkamp Tjihapit voortgezet: spek, olie, eieren, boter en andere levensmiddelen bleven het kamp bereiken. ‘Deze artikelen’, aldus in haar verslag diegene die van maart '44 tot mei '45 als kampleidster optrad, ‘werden via de riolen en de omheining door Indonesiërs in de nacht binnen gesmokkeld. De prijzen waren zeer hoog, zodat slechts een kleine kapitaalkrachtige groep hiervan kon profiteren. Het ‘bedrijf’ was in handen van enkele groepen, die geen inmenging duldden, hierdoor ontstonden soms hevige botsingen. De Japanse leiding heeft dikwijls getracht, deze handel de kop in te drukken, maar is hierin nooit geheel geslaagd’ – ook hier waren er onder die Japanners die meededen: er werden door hen ‘herhaaldelijk horloges, vulpenhouders, tennisrackets en dgl. tegen levensmiddelen geruild.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 798-800

[Bandung 3 – Vrouwen- en kinderkamp] 
[Semarang 3 – Binnenplein]
 

Eerder vermeldden wij dat, toen bepaald moest worden hoe Rode Kruispakketten moesten worden verdeeld onder de krijgsgevangenen en burger-gevangenen van diverse nationaliteiten, die zich in Japan en de door Japan bestuurde landen bevonden, de Nederlandse regering er door gebrek aan informatie niet in was geslaagd, de in Indië geïnterneerden als volwaardige gevangenen erkend te krijgen. Het gevolg hiervan was dat van de weinige zendingen welke door Japan werden toegelaten, een relatief veel te klein aantal pakketten voor de geïnterneerden in Indië werd bestemd. [...]
Gegevens over het uitdelen van de pakketten op Java bezitten wij slechts met betrekking tot enkele kampen. In mei '44 kregen in het vrouwen- en kinderkamp Lampersari (Semarang) telkens tien geïnterneerden één pakket (‘allerwegen is er gesmuld’), in Ambarawa III, waar 18 pakketten verdeeld moesten worden onder ca. achthonderd geïnterneerden, kreeg elk nog minder: ‘het zesde deel van een blikje cornedbeef, een half blikje boter, twee-en-een-halve vierkante centimeter kaas, drie gedroogde pruimen, één vierkante centimeter chocolade, een mespunt paté, twee klontjes suiker – en wat goede, echte koffie! ... Och wat zijn we gelukkig! En onmiddellijk zijn we allemaal veel vriendelijker.’
In het grote vrouwen- en kinderkamp Tjihapit te Bandoeng waren er eind mei '44 ca. 1 500 pakketten voor ca. veertienduizend geïnterneerden; het werd, aldus een dezer, ‘een binnenhuis-feest. Wat hebben we dikwijls tegen elkaar gezegd: ‘Als ze in Amerika eens wisten, hoeveel deze pakketten voor ons betekenen!”
In het kamp te Moentilan (tussen Magelang en Djokjakarta), waar ruim vierduizend vrouwen en kinderen geïnterneerd waren, eigenden de vrouwen die de kampleiding vormden (ten dele echtgenoten van marineofficieren uit Soerabaja) zich zoveel pakketten toe dat, toen de pakketten van de ‘Awa Maroe arriveerden, een blokleidster eiste dat zij alle in het openbaar zouden worden verdeeld – hetgeen toen geschiedde.
In het mannenkamp Tjimahi was er één pakket voor elke acht geïnterneerden; de Amerikanen onder dezen kregen elk een heel pakket, maar dat accepteerden zij niet: ze deelden gelijk-op. ‘Achteraf’, aldus een der mannen, ‘blijkt er veel gestolen te zijn, eerst door Japanners, dan door Indonesische politie, dan door eigen mensen’ – wij herinneren er aan: veruit het meeste door de Japanners, die zich, zoals wij al in het vorige hoofdstuk vermeldden, van de eerste twee zendingen negen-tiende en van de ‘Awa Maroe’-zending vijf-zesde toeëigenden.

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 827-828

[Bandung 3 – Beschermingskamp] 

Dat er steeds minder levensmiddelen de kampen binnenkwamen was van de tweede helft van '43 af een factor die het bestaan van de geïnterneerden steeds moeilijker maakte. Bovendien werden de kampen voller, enerzijds door hun samenvoeging, anderzijds door het feit dat groepen die aanvankelijk niet waren geïnterneerd, alsnog opgesloten werden. In het Tjihapit-kamp te Bandoeng kwam enkele maanden lang een groep Indisch-Nederlandse vrouwen terecht die kleine vergrijpen hadden gepleegd (door sommigen van de er geïnterneerde Nederlandse vrouwen werden zij met onverholen minachting ontvangen en bejegend. Zij ‘werden daar’, zo vernam en noteerde Bouwer in april '43, ‘uitgescholden voor 'kampong-kippen’. Over de omheining van het kamp heen werden verwensingen geslingerd naar eventuele passerende Indo-Europese dames. Zelfs het woord ‘verraadster’ is daarbij herhaaldelijk gebruikt, terwijl ik toch dagelijks kan zien’ (Bouwers vrouw was een Indisch-Nederlandse), ‘hoeveel moeite de nog vrij zijnde Indo-Europese dames zich geven om het lot van haar geïnterneerde landgenoten te verzachten, hoe deze vrouwen zeer gevaarlijk en verdienstelijk werk doen.’ Toen die Indisch-Nederlandse vrouwen enkele maanden later Tjihapit mochten verlaten, vernam Bouwer bijzonderheden die hem diep schokten: ‘De Indo-Europese dames... zijn zeer onvriendelijk door de volbloedvrouwen ontvangen, die o.m. vroegen wat de ‘kampong-kippen’ eigenlijk bij de ‘raskippen’ kwamen doen. Andere Indo-Europese vrouwen werden uitgescholden voor ‘roetmoppen’ en ‘morianen’. Nu waren het natuurlijk niet de beste en meest intelligente specimina van het volbloed vrouwendom in het kamp. De benaming ‘viswijf’ ware beter. Ik ben zelf een totok, doch ik schaam mij over ... deze wijven die het nodig achtten om ten aanschouwen van Japanse en Indonesische kamp-‘directeuren’ deze vertoning van onderlinge verdeeldheid te geven. Velen van deze volbloed-Europese ‘dames’ hebben geweigerd om met Indo-Europese vrouwen samen te wonen. Verhuiskarren van Indo-Europese vrouwen werden aan de ingang van het kamp door volbloed-zusters omgekanteld. Ja, lezers, zo iets is wis en waarachtig gebeurd.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 840

[Bandung 2 – Krijgsgevangenen] 

Het kamp van het XVde bataljon zag er uit als een Duits concentratiekamp: er was niet alleen een omheining met prikkeldraad maar er waren ook wachttorens. Het was een groot kamp – liep men het binnen de omheining rond, dan nam dat een half uur in beslag. Hier waren tenslotte ca. tienduizend geïnterneerde mannen bijeen,

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 971-972

[Bandung 3 – Tjitaroemplein] 

Wellicht nog tekenender is een geheel in de Javaans-bijgelovige sfeer passende gebeurtenis die zich korte tijd eerder, vermoedelijk begin juli, in Bandoeng afspeelde en waarbij een vijftienjarige Indisch-Nederlandse jongen aanwezig was. Hij had, zo gaf hij die gebeurtenis in ’81 weer, een grote oploop van mensen gezien, ‘meest vrouwen en kinderen’, die bij een dikke denneboom stond welke aan de voet een diep gat had. ‘Vol ontzag hoorde ik hoe enige vrouwen opgewonden spraken over vier kabouters die uit dat donkere gat te voorschijn waren gekomen, maar na enkele ogenblikken weer waren gevlucht. De vier kabouters waren allen gekleed in lange broek, jas en met een hoge puntmuts. De eerste kabouter ... was gekleed in fel oranje, de tweede in rood, de derde in wit en de laatste in helder blauw. Ze vertelden aan enkele mensen dat zij, onder de grond lopend, helemaal van Holland waren gekomen om de boodschap over te brengen van de Hollandse regering voor het komende bevrijdingsplan.’
Natuurlijk trok die grote oploop spoedig de aandacht:
‘De Japanse Kenpeitai kwam in een aantal voertuigen aan en enige vrouwen, die als eersten het verhaal hadden verspreid, werden meegenomen naar het politiebureau ... De menigte werd uit elkaar gejaagd.’

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 999-1000

[Jakarta 7 – Gouvernement] 

Op 7 augustus (daags tevoren was Hirosjima door de eerste atoombom getroffen) kwam de Leidinggevende Commissie voor het eerst in Djakarta bijeen. ‘Er waren’, zo verklaarde generaal Nisjimoera in '46, ten aanzien van de gezagsoverdracht ‘vele moeilijkheden te overwinnen en het was duidelijk dat een volledig plan niet kon worden opgesteld, laat staan uitgevoerd vóór het tijdstip [van de overdracht] ... De commissie was van mening dat het eind van het jaar nog te vroeg zou zijn, maar de Japanse regering wilde van geen uitstel weten’ – ‘koortsachtig’ begon men te werken aan de vele te treffen ‘voorlopige regelingen’.
Op diezelfde 7de augustus werd om 12 uur ’s middags op gezag van generaal Itagaki in Singapore, Boekittinggi en Djakarta bekendgemaakt dat ‘midden augustus’ op Java een ‘Commissie ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid van Indonesië’ zou worden ingesteld. ‘Weliswaar’, zo heette het, ‘wordt de Commissie op Java gevormd, maar zodra zij klaar is met haar voorbereidingen, wordt geheel Indonesië een nieuwe, vrije en soevereine staat.’ Daarnaast zouden op Sumatra, Borneo, Celebes en de Kleine Soenda-eilanden 'regionale Commissies ter Voorbereiding van de Onafhankelijkheid’ ingesteld worden – in de marine-gebieden geschiedde de desbetreffende bekendmaking door de commandant van de Nanjo-vloot. Een datum waarop die ‘onafhankelijkheid’ zou ingaan, werd niet genoemd, wèl maakte generaal Itagaki het in zijn proclamatie duidelijk dat Japan volledig rekende op de steun van het nieuwe Indonesië: ‘het dient’, aldus het slot van de proclamatie, ‘in staat te zijn, de steun te vergoeden die het van de staten en volkeren in Groot-Oost-Azië heeft ontvangen. Deze hoogst belangrijke taak en verantwoordelijkheid rust volledig en uitsluitend op de schouders van de voorbereidingscommissie.’ In dezelfde geest uitte generaal Jamamoto zich in een aan de pers verstrekte toelichting: ‘De Indonesische staat dient zijn militaire capaciteiten tot het uiterste te versterken en samen met Japan de strijd voort te zetten, opdat in de Groot-Oost-Aziatische oorlog de eindoverwinning wordt behaald.’
In Djakarta was het eveneens Jamamoto die namens de generaals Itagaki en Nagano in het vroegere paleis van de gouverneur-generaal mededeling deed van de genomen besluiten aan een groot gezelschap vooraanstaanden, onder wie Soekarno, Hatta, dr. Radjiman, de vertegenwoordigers van de Chinezen, Arabieren en Indo-Europeanen in de onderzoek-commissie, vertegenwoordigers van de vier Javaanse vorsten, talrijke andere hooggeplaatste Indonesiërs en hoge officieren van het Japanse leger en de Japanse marine, zoals schout-bij-nacht Maeda.
De officiële teksten werden in de middag en de avond van de 7de augustus in de uitzendingen van Radio Djakarta voortdurend herhaald. Verder werden in Djakarta pamfletten verspreid met de tekst van Itagaki’s proclamatie, reden er, om het grote nieuws bekend te maken luidsprekerauto’s rond in wijken waar geen ‘zingende torens’ stonden, werd het Indonesia Raya herhaaldelijk uitgezonden en werd de bevolking opgeroepen om de rood-witte vlag uit te steken, ’s Avonds sprak Soekarno voor de radio. Hij zei dat, als de voorbereidingscommissie eenmaal haar werkzaamheden had voltooid, de onafhankelijkheid spoedig zou volgen; trachtte de vijand die onafhankelijkheid te obstrueren, dan moest hij ‘vernietigd’ worden; werkelijke onafhankelijkheid had men van de Nederlanders niet te verwachten – dat toonde de Nica aan. Zeker, van Australië uit hadden Nederlandse autoriteiten meegedeeld dat Indonesiërs in een bevrijd Indonesië meer hoge posten zouden krijgen dan vroeger, maar, zei Soekarno, ‘wij willen geen Indonesiër als luitenant-gouverneur-generaal of zelfs als gouverneur-generaal, wat wij willen is een volledig onafhankelijk Indonesië. Als van Mook en van der Plas onze harten trachten te winnen, moeten wij hun antwoorden: ‘Neen, gaat u alstublieft naar Nederland terug. De Indonesiërs willen onafhankelijk zijn. Probeer ons niet met woorden te misleiden. Onze keuze is: de onafhankelijkheid of de dood!”

Het Koninkrijk der Nederlanden, 11b, 1017

[Yogyakarta 2 – Dewantoro] 

Op 4 september werd een eerste kabinet gevormd. [...] Van de Indonesische voormannen die wij in het voorafgaande noemden, kreeg Soehardjo Buitenlandse Zaken, Wiranatakoesoema Binnenlandse Zaken, prof. Soepomo Justitie, dr. Boentaran Gezondheidszorg, Dewantoro Onderwijs en Abikoesno Verkeer en Openbare Werken – ministers zonder portefeuille werden o.a. Wachid Hasjim, Sartono en Oto Iskandardinata. Er waren onder die ministers zovelen die een hoge functie hadden bekleed op de door Japanners geleide departementen, dat men dit eerste Indonesische kabinet wel aanduidde als ‘het boesjo-kabinet’, ‘het kabinet van de Tweede mannen’.