door Melis Stoke – Vijftig Indische rijmkronieken bijeengelezen en ingeleid door Gerard Termorshuizen,
KITLV Uitgeverij, Leiden 2005.

Melis Stoke – Ik kijk de kat uit de klapperboom, 37-38

[Jakarta 4 – Wassen] 

Visioen ...

Wat tijgt daar in een wolk van grauw

des morgens, bij den uchtend-dauw,
en raast en toetert, belt en schiet
langs d’oevers van het Molenvliet ..?
Wat is dat voor een satans-stoet
die over ’t nauw gewassen goed
dat langs de bruine kali leit
een laag van stof en straat-vuil spreidt ..?
Ligt ginds een zwaar-magnetisch veld
dat in een werveling van geweld
die stoet van mensen tot zich trekt
en uit de klamboe-plooien wekt ..?

Daar gaat, breed-uit, op zijn gemak
de rijkaard in een Hudson-bak,
daar stommelstoot en schudt en sjort
de jobber in een rammel-Ford,
en neven hem wordt Tan-Jan-Ho
vooruit-gezeuld in een Sado.
Daar snelt, gevaarlijk-zwaar-bemand
een slingerende Overland
die – coöperatief bestierd –
een hele wijk ten arbeid sliert.

Daar voert de stroomtram op haar rit
een stoet in ’t blankst-gesteven wit
met snorren stoer en koppen kaal:
de dienaars van het Kapitaal
wier werk de handelshuizen schraagt,
en – als een bloem – een enk’le maagd
zo hier en daar, in kuis gepeis’,
getooid in roze, blauw of grijs.

Daar tijg ook ik ... een beetje wee
van ‘t slappe kopje morgen thee,
en voel mij als een klein atoom
gevangen in dees’ wervelstroom
die woedend afgutst naar ’t terrein
des strijds van Zijn of Niet-te-Zijn,
en voel mij warm, doch innig-blij
als steunpilaar der Maatschappij

’t Gewoel bedaart. Daar-ginds vangt aan
de worstelkamp om het bestaan,
en straks – als een begrafenis –
verschijnt een stoet met lafenis
in etensbussen grijs en wit,
voor ’t volk dat daar te zwoegen zit
en dat in ’t einde ... uitgeteerd,
de thuisreis weder entameert.

Java Bode, 12-1-1924

Melis Stoke – Ik kijk de kat uit de klapperboom, 39-40

[Jakarta 6 – Kapelmeester] 

Schouwburg-gang te Batavia

Het eerste bedrijf is zweet en tranen
en handelt in een slaapvertrek.
Men wurmt een koppig boordje aan, en
geraakt van zijne tramontane
en mompelt binnensmonds verr …

Het tweede is vol zoet verwachten …
Wij rijden naar het kunstgebouw
en bieden ’t warme hoofd vol smachten
aan ’t minste koeltje van de nacht en
de minste grillen onzer vrouw.

Daar straalt het licht reeds van den tempel.
Wij krijgen een verheugd gevoel
bij ’t overschrijden van de drempel,
en binnen vinden wij warempel
een fijne luxe-matten-stoel.

Nog vóór het voor-doek opgehaald is
gutst ons een zweetstroom langs het hoofd.
Muskieten-zwermen geven staaltjes
van hun bedrijf. Maar … waar betaald is
wenst men ’t genot dat was beloofd.

Wanneer het scherm dan weer gezakt is
stijgt eerst de marteling ten top.
O … vréselijke entre-actes.
Om ’t boordje dat reeds zwaar-geknakt is
knelt ons het dasje als een strop.

Wij storten ons op de buffetten
en slokken grote plassen in.
Men kan bijna geen stap verzetten
en zwijmelt op een bankje met ‘n
half-uitgeputte gezellin.

Waar zijn de luisterrijke zalen,
wáár de foyers en promanoirs
die van verguld en lichtgloed stralen?
’t Comfort waarop z’ ons hier onthalen
gelijkt een park voor wandelaars.

De banken die tot rusten lokken
zijn zó uit een publiek plantsoen.
In plaats van kouten, schertsen, jokken
zit men maar koud soulaas te slokken
(wat moet j ’ook feitelijk anders doen?)

Dan klinkt de bel … Nog gauw één splitje …
Dan veegt men zich het voorhoofd droog,
en weer bij een nieuwe acte zit je
als flauw-flakkerend olie-pitje
te luisteren naar de dialoog.

Java-Bode, 3 Juni 1924

Melis Stoke – Ik kijk de kat uit de klapperboom, 48-49

[Jakarta 4 – Wassen] 

Het Indische paradijs

Vier, vijf sado’s, een dievenwagen,
een suffende Hermandad-knecht,
een man die snoep tracht te verkopen,
en alle vleugeldeuren open
van ’t binnen zetelend gerecht.

Een reeks van ingénue dames
zit ploeterend langs de bruine vliet.
wast elders men het vuile linnen
liefst delicaat-bescheiden binnen,
hier is men zo kieskeurig niet.

Een hoge stapel reputaties
ligt in ’t publiek tentoongespreid,
en dagelijks komt men ons onthalen
op nieuwe stapels ‘linge sale’.
O ... zegen der publiciteit.

Dit is het land der Open Deuren,
der vensters zonder glas ... Een zin
die elders zachtjes wordt gefluisterd
vliegt ongebreideld, ongekluisterd
hier oor, kantoor en woning in.

Hier draagt een stille kracht de woorden
– zelfs die uit ’t meest geheim rapport –
van elke kwaadspraak, alle schande
gewillig naar de oren van de
meneer wiens was ‘behandeld’ wordt.

O ... paradijs van vrije zeden.
We weten álles van elkaar
en álle aangelegenheden,
en delen die elkander mede
zoals de eerste mensen deden.
Men tracht elkander uit te kleden,
maar elk loopt naakt in ’t openbaar.

Java-Bode, 11-6-1924

 

Melis Stoke – Ik kijk de kat uit de klapperboom, 77-78

[Cimahi – Rio] 

Wij zijn hier maar zo’n zielig zootje,
gerekend op de grote hoop,
van heel- en half- en onbeschaafden.
En dat voel je in de bioscoop.

Zodra ’t een beetje interessant wordt,
dan blijkt de film gemutileerd,
want, schaadt het ons al niet, het kón toch
dat de Batak slechte dingen leert.

Al snakken we naar malse moorden,
naar doodslag, brand etcetera,
we moeten onze lust bedwingen
ter wille van de Papoea.

Bedenk maar ... als je die bevoogding
onterend of vervelend vindt,
aan tafel mag je ook niet vloeken
ter wille van het jongste kind.

Soms lees je het in droeve ogen
als ’t pauze is ... en ’t licht weer straalt,
hoe duur de blanke man als ridder
en felle vrouwenschoon-aanbidder
zijn tol aan ’t broedervolk betaalt.

Java-Bode, 15-4-1926


Ik kijk de kat uit de klapperboom, 98-99

[Jakarta 9 – Het Koninkrijk der Nederlanden, 11a, 245-249] 



Stokvis


Daar staat hij ... ziet ... al kón hij anders
hij klampt zich vast aan zijn Idee.
Zoals meer ongehuwde types
is hij gehuwd met ... zijn principes
en vrijt daar vrij-opzichtig mee.

Hij draagt ze, als een felle vrijer,
wiens gloed nog lang niet is geblust
naar ’t plekje om te minnekozen:
het spreekgestoelt’, en zonder blozen
viert hij de teugel van zijn lust.

Zijn slimme oogjes schieten vonken
en ’t is, als vroeg hij zijn gehoor:

‘wat zeg je wel van Stokvis, heren ...?
Elk uwer kan nog van mij leren
hoe men als minnaar optreedt, hoor’.

De kraaienpootjes naast zijn ogen
staan scherp gegroefd in zijn gezicht,
wanneer hij, vurig van ontroering,
het kleurrijk beeld van zijn ontroering
maar om-en-om-draait in het licht.

Dan weer, vol ingehouden spanning,
met affectatie in zijn stem,
vervolgt, beheerst hij zijn vertelling,
gelijk een auto op een helling,
die zingend af-glijdt op haar rem.

Nu geeft hij gas! Hallo ... daar gaat-ie.

Ziet Stokvis als hij spurt ... O wee,
hij ziet als felle heils-dictator
niets dan ... zijn eigen radiator
en de mascotte van zijn Idee.

Ziet ... hoe vriend Stokvis vol verlangen
maar achter zijn illusie rent,
zijn liefde en zijn idealen,
die hij toch nimmer in kan halen,
al tart hij ’t snelheids-reglement.

 

Java-Bode, 2-7-1924


Ik kijk de kat uit de klapperboom, 110-111

[Pasuruan – Ontvangstruimte] 
[Het Koninkrijk der Nederlanden, 9, 352-355] 

 

Soejono

 

Een glimlach om de lippen,
een tinteling van de blik,
een haastig, scherp-nerveus gebaar
maar tóch ... een houding, van: ziedaar,
let op, want ... hier ben ik.

Een drang naar gratie, schoonheid

In taal en in toilet.
Licht meegesleept als Stokvis spreekt
en ’t onrecht van zijn klassen wreekt
met zijn gracieus floret.

Soejono, licht-bewogen
door gratie van de geest,
steunt óók met sprankeling in het oog
en handgebaren zijn betoog
wanneer hij het niet ... leest.

De westerse effecten
voor ’t wekken van een schijn,
het oratorisch woordenspel.
Ach ... voelt hij hunne voosheid wel?
Die ligt niet in zijn lijn.

Draagt hij niet met verfijning
de kleding van zijn land?
En past niet naar diezelfde norm
een sobere en schone vorm,
het kleed van zijn verstand?

Java-Bode, 25-6-1925